De geschiedenis wijst de Oostenrijkse componist Franz Schubert (1797-1828) aan als vader van de Duitse liedkunst. Voor zijn toonzettingen putte de Wener inspiratie uit gedichten van onder meer Goethe, Müller en Heine: fervente bedrijvers van de romantiek, dat wereldbeeld waarin schoonheid en hartzeer samenklotsen.
...

De geschiedenis wijst de Oostenrijkse componist Franz Schubert (1797-1828) aan als vader van de Duitse liedkunst. Voor zijn toonzettingen putte de Wener inspiratie uit gedichten van onder meer Goethe, Müller en Heine: fervente bedrijvers van de romantiek, dat wereldbeeld waarin schoonheid en hartzeer samenklotsen. Dikke vrienden Wannes Cappelle en Nicolas Callot onderhielden al langer een gemeenschappelijke liefde voor Schuberts liederen. Die boden tweehonderd jaar geleden vooral vermaak op avonden met vrienden, waarbij Schubert aan de pianoforte (de minder weelderig klinkende voorganger van de moderne piano) plaatsnam. Aangezien Callot de minzame intimiteit van kamerconcerten ook bij Het Zesde Metaal herkende, moest ooit maar eens de logische optelsom worden gemaakt. Met één variabele weliswaar: uiteraard zou Cappelle zich in zijn levendige West-Vlaams moeten uitdrukken. Callot maakte een selectie uit Schuberts zeshonderd liederen, Cappelle vertaalde. Alleen de titels bleven Duits. De elf toondichten (plus het instrumentale Ungarische Melodie) op Kom, benevelt mie! bestaan slechts uit klavierspel en zang. Toch heeft Callot ten behoeve van de variatie de bakens tamelijk wijd uitgezet. Tussen het opgeruimde Der Wanderer an den Mond en het huppelende Der Musensohn, of de nocturnale bedrukking in Nachtstück en de zwier van Heidenröslein schept hij veel bewegingsruimte. En Wannes Cappelle? Als zonevreemde zanger in dit klassieke idioom trekt hij zich behoorlijk uit de slag - daarbij zelfs toonhoogtes aanvallend waarvoor hij anders wel zou uitkijken. Dat hij af en toe éven kopje-onder gaat in de meanderende vaart van een compositie, draagt veeleer bij tot de informele geest van dit project. Cappelles getrouwe vertalingen leveren soms wild ruisende regels op: 'Midden in schitt'rende spieg'lende golven/ sljirt 'lijk een zwane de wanklenden boot'. Wie doorgaans al niet openstaat voor Schuberts stokpaardjes - de liefde en de natuur, het existentiële zoeken, de nacht en de dood - zal het allemaal archaïsch en sentimenteel vinden. Een beeld als dat van de blootvoetse straatmuzikant in Der Leiermann ( 'en zijn klein talloorke bluft, ocharme, leeg') lijkt inderdaad in de tijd bevroren. Al bij al is Kom, benevelt mie! een charmante, laagdrempelige evocatie van stokoud en kleinschalig vertier. Bij uitstek geschikt dus voor beleving in bubbel of - nu het weer even niet anders kan - cocon.