MetTheEternal Perhapsspringt harmonicaspeler Steven De bruyn in het diepe. Na twee decennia in bands als El Fish en The Rhythm Junks doet hij het nu in zijn eentje, of toch bijna.
...

MetTheEternal Perhapsspringt harmonicaspeler Steven De bruyn in het diepe. Na twee decennia in bands als El Fish en The Rhythm Junks doet hij het nu in zijn eentje, of toch bijna.'The Eternal Perhaps', slaat dat op de eeuwige twijfelaar in jou? Steven De bruyn: Er zijn momenten waarop ik de twijfel tot op het laatste moment toelaat. Bij het samenstellen van een setlist, bijvoorbeeld. Tot nét voor we het podium opgaan, en nog vaker erna. Maar de titel is vooral het gevolg van een theatervoorstelling over het hiernamaals waar ik recent aan meewerkte, Paradise Blues. De vraag was: hoe zou het muzikale paradijs er kunnen uitzien? Ik ben toen uitgekomen bij een nummer in 5/4-maat in plaats van in het klassieke 4/4, omdat ik denk dat je in de hemel toch wat meer tijd hebt. (grijnst) Daarnaast heb ik ooit iets fijns gelezen over de club van de agnosten, waar ik mezelf toe reken. Als je erkent dat je te klein bent om met zekerheid te kunnen weten of er een god bestaat, ga je niet naar de hemel maar naar the eternal perhaps. (lacht) Daar kan ik perfect mee leven. Heb je getwijfeld om na vijftien jaar te stoppen met The Rhythm Junks? De bruyn: De band staat on hold. De vraag is nu: vinden we de juiste spirit terug om verder te doen? Dat moet de toekomst uitwijzen. Maar we hebben in elk geval vijftien fantastische jaren achter de rug, dat is voor een band al heel lang. Ik kijk er met niets dan goede gevoelens op terug. En áls we terugkomen, moet het met iets strafs zijn. Vond je het intimiderend om solo te gaan? De bruyn: Zowel bij El Fish als bij The Rhythm Junks bracht ik nummers aan, maar nooit met directieven voor de andere muzikanten: 'En jouw partij gaat zó.' Totaal niet. Af en toe gebeurt het dan dat een song minder enthousiasme opwekt bij de bandleden. Die dingen laat je dan liggen. Niet per se omdat ze niet goed zijn, maar omdat het even niet pakt. Als ik solo werk, kan ik me permitteren om die songs even te laten liggen, want ik weet het soms óók niet. The Eternal Perhaps, nietwaar? En als je ze later weer oppikt, kun je jezelf weleens verrassen. Het resultaat van dat schaafwerk is niet echt een verzameling songs, maar veeleer een imaginaire soundtrack. De bruyn: Ik wilde weer meer instrumentale muziek opnemen, en dan werkt het goed om me iets te verbeelden en daar muziek op te maken. Neem nu de track BXL Midi. Ik passeerde elke dag aan het Zuidstation op weg naar de studio. Je snuift de sfeer van die plek op, en zo ontstaat een nummer. De single 'Aanspraak' heeft een bijzondere sfeer, mede door de onvatbare Afrikaanse tekst. De bruyn: Ik had een gedicht gevonden van de Zuid-Afrikaanse Ronelda Kamfer en was daarmee aan de slag gegaan. Ik bracht het een paar keer live, een keer in het Nederlands en een keer in het Afrikaans. Achteraf kwamen mensen naar me toe: 'Hé, dat stuk dat je in je eigen dialect deed, dát was mooi.' Toen heb ik nog even gedubbelcheckt bij Ronelda, en dat zat goed. De Afrikaanse versie is mysterieuzer. De Zwitserse zanger Stephan Eicher kan dat ook oproepen. Hij zingt soms dingen in het Zwitsers die ik nét niet versta maar wel aanvoel. Dat zocht ik. Heel anders van sfeer is 'Maurice the Boss'. Wie is hij? De bruyn: De kater des huizes, die een paar maanden geleden een nieuwe bestemming heeft gezocht - hoop ik. Hij is verdwenen. Ik had bij Maurice vaak het gevoel dat hij de reïncarnatie van een klassieke componist was. Telkens als ik meer gedragen melodieën speelde, kwam hij bij me op de sofa. Maar zodra ik jazz speelde, of iets atonaals of dissonants, ging hij bij de deur zitten: 'Laat mij alstublieft buiten.' (schatert) Daarom heb ik hem vereeuwigd in een kleine tribute. Op die track kom je qua toon en melodie heel dicht bij Toots Thielemans. Heb je dat niet jarenlang bewust vermeden? De bruyn: Klopt. Toots was zo'n groot monument dat ik jarenlang probeerde om eromheen te fietsen en uit zijn schaduw te blijven. Intussen, na al die jaren, heb ik toch het gevoel dat dat niet hoeft, dat het een manier is om hem te eren. Hij heeft zo'n stempel op zijn instrument gedrukt, hij heeft de harmonica op de wereldkaart gezet, hij heeft het geïntroduceerd in de jazz. Voor mij was hij een blijvende inspiratie. Na elke ontmoeting had ik voor jaren inspiratie en goesting om verder te graven.