Sharon Jones (die vorig jaar op haar zestigste overleed) en de recent betreurde Charles Bradley (die 68 werd) waren overlevers, uit antiek maar stevig hout gesneden soul survivors die voor hun welverdiende erkenning bleven vechten en hun laat verworven succes tot de laatste snik vierden vanaf het podium. Beide stemmen werden uit de obscuriteit geplukt door Daptone Records, het label dat midden jaren 2000 mee aan de basis lag van de toenmalige soulrevival. Mede dankzij de populariteit van Amy Winehouse en Mark Ronson, de producer die huisorkest The Dap-Kings inschakelde voor de opnames van Winehouse' Back to Black, groeide de interesse voor soulartiesten van de oude stempel, veteranen die het heilige vuur van Otis Redding, James Brown en de jonge Tina Turner brandend hielden. Daptone-artiesten als Jones, Bradley en de ook pas op gezegende leeftijd doorgebroken Lee Fields werden boegbeelden van die 'herboren' generatie, zangers die jarenlang in de marge ploeterden, maar voor wie plots een markt bleek te bestaan.
...

Sharon Jones (die vorig jaar op haar zestigste overleed) en de recent betreurde Charles Bradley (die 68 werd) waren overlevers, uit antiek maar stevig hout gesneden soul survivors die voor hun welverdiende erkenning bleven vechten en hun laat verworven succes tot de laatste snik vierden vanaf het podium. Beide stemmen werden uit de obscuriteit geplukt door Daptone Records, het label dat midden jaren 2000 mee aan de basis lag van de toenmalige soulrevival. Mede dankzij de populariteit van Amy Winehouse en Mark Ronson, de producer die huisorkest The Dap-Kings inschakelde voor de opnames van Winehouse' Back to Black, groeide de interesse voor soulartiesten van de oude stempel, veteranen die het heilige vuur van Otis Redding, James Brown en de jonge Tina Turner brandend hielden. Daptone-artiesten als Jones, Bradley en de ook pas op gezegende leeftijd doorgebroken Lee Fields werden boegbeelden van die 'herboren' generatie, zangers die jarenlang in de marge ploeterden, maar voor wie plots een markt bleek te bestaan. 'New wave, hiphop en disco waren mijn muziek niet', zei Jones over haar moeilijke jaren tachtig en negentig. 'Ik paste blijkbaar niet in het plaatje. Te dik, te zwart, te klein of te oud: het was altijd iets.' Ze knoopte de eindjes aan elkaar als cipier en door op bruiloften te zingen. Charles Bradley was lange tijd dakloos en kluste bij als kok of loodgieter. Hun tijd is alsnog gekomen, maar zal nu samen met hen de authentieke, rauwe funk- en soulspirit verdwijnen? Veel kleppers uit de gouden tijden zijn er niet meer. Al Green, ondertussen 71, maakte in 2008 nog een plaat met Questlove van The Roots, maar legt zich sindsdien als dominee weer toe op zijn parochie. Sly Stone (74) ligt volgens de laatste berichten nog steeds hopeloos stoned op apegapen. Stevie Wonder (67) laat zich enkel nog als duetpartner of gastmuzikant opmerken. Etta James, Solomon Burke en Bobby Womack vervoegden de voorbije jaren hun broeders en zusters in de grote soulparade hierboven. Met Naomi Shelton heeft Daptone nog één kranige tante onder contract, maar 75 is een leeftijd waarop zo'n fakkel allicht niet per se meer hoeft. Is het vat oudstrijders van de soul en rhythm & blues dan definitief af? Niet als het aan Dan Auerbach ligt. Naast The Black Keys profileert Auerbach zich de laatste tijd steeds meer als producer en part-time-impresario, met een voorkeur voor bijna versleten of vergeten helden. Zo reanimeerde hij met het album Locked Down (2012) met succes de carrière van voodoomeester en New Orleans-legende Dr. John. Ook op zijn eigen soloalbums omringt hij zich graag met personeel dat zijn sporen in de jaren vijftig en zestig heeft verdiend. En nu tovert hij Robert Finley uit zijn hoed: 63 jaar, bijna blind, een voormalig timmerman die tot enkele jaren geleden toeristen vermaakte als straatmuzikant in Louisiana. 'Een van de beste zangers die ik in mijn hele leven heb gehoord', aldus Auerbach, die een indrukwekkend ensemble muzikanten verzamelde om Finley te ondersteunen op zijn binnenkort te verschijnen album Goin' Platinum. 'Ik beleef mijn jeugddroom', vertelt de man ons aan de telefoon terwijl hij zich voorbereidt om op tournee te trekken. 'Waar kom je vandaan, beste jongen? België? Daar heb ik al gespeeld, ja. In een daklozencentrum.' Dit is pas je tweede album, na het vorig jaar verschenen Age Don't Mean a Thing. Je bent een laatbloeier? Robert Finley: Hoegenaamd niet! Ik speel al muziek en schrijf al songs sinds mijn tiende. Maar muziek stond in die tijd helemaal onderaan op de prioriteitenlijst. Ik en mijn familie werkten op een katoenplantage. Dat was wat brood op de plank bracht, weet je wel? Dat was het enige dat telde. Muziek was iets voor in de kerk. Ik ging niet naar school, maar de kerk, daar kwam je niet onderuit. Gospel was daardoor lange tijd de enige manier die ik kende om muziek te spelen. Tot ik in het leger ging en in Duitsland werd gekazerneerd. Daar speelde ik in het groepje dat het entertainment verzorgde in het recreatiecentrum, waar de soldaten uit de barakken een biertje konden bestellen en zich ontspannen. Toen begon ik te denken dat er misschien wel een toekomst in de muziek voor me weggelegd was. Waarom heeft het dan zo lang geduurd vooraleer je een plaat opnam? Finley: Omdat ik begot niet wist hoe je zoiets deed, carrière maken in de muziek! Ik was een tiener toen ik naar Duitsland vertrok, en nog steeds vroeg in de twintig toen ik terugkeerde naar Bernice, het stadje in Louisiana waar ik vandaan kom - niet bepaald het centrum van de entertainmentindustrie. (grinnikt) Ik zong er in koren, in harmoniekwartetten. De enige glimpen van de platenwereld die ik opving, waren de zondagochtenden in een lokale radiostudio, waar we af en toe uitgenodigd werden om te zingen. Mijn droom om professioneel muzikant te worden blééf maar de realiteit was dat ik moest werken, dus ben ik begonnen als schrijnwerker en timmerman. Zo is ene Jezus Christus ook begonnen, en hij heeft het ver geschopt. Finley: Je lacht, maar in mijn familier vonden sommigen de muziekindustrie écht des duivels, hè! Terwijl ik net op God rekende om me op een dag op het juiste pad richting succes te brengen. Hoeveel keer dat ik mijn gitaar niet bijna naar de pandjeswinkel heb gebracht! Maar ik wilde mijn droom niet loslaten. Keeping the faith, blijven vasthouden aan je dromen, niet plooien: dat maakt het verschil tussen een verliezer en een winnaar, geloof ik. En toen bracht de Heer meneer Dan Auerbach op je pad? Finley: Neen, eerst was er de vzw Music Maker (die zich inzet voor het muzikale erfgoed van het zuiden van de VS, door de muzikanten rechtstreeks te ondersteunen, nvdr.). Ze verzamelen of kopen instrumenten, organiseren benefietoptredens, enzoverder. Omdat mijn ogen steeds slechter werden, raakte ik niet alleen mijn job als schrijnwerker kwijt, maar mocht ik ook niet meer met de auto rijden. Music Maker heeft me weer op de been geholpen. Dankzij hen kreeg ik een vergunning om op straat te spelen - bluesnummers vooral, omdat ik gospel beu begon te raken. Dankzij hen heb ik mijn eerste plaat kunnen opnemen en voor het eerst weer naar Europa reizen om op te treden. Ook in België, trouwens, waar ik in een daklozencentrum en in een school heb gespeeld, een jaar of twee geleden. En via Music Maker kreeg Dan een video van een van mijn straatperformances te zien. Daarna ging het allemaal plots heel snel, een kwestie van the right place and the right time. En dan zit je ineens in een studio met muzikanten die nog bij Aretha Franklin en Elvis Presley hebben gespeeld. Die laatste zat tijdens zijn legerdienst trouwens ook in Duitsland. Finley:(lacht) Meen je dat? Dat wist ik helemaal niet! Nu, eerlijk gezegd had ik ook nog nooit van The Black Keys gehoord. (grinnikt) Maar Dan en ik hebben door de muziek erg snel een connectie gemaakt. Het zijn tenslotte zijn songs die ik op Goin' Platinum zing. Ik was dus als een acteur die in het vel van een personage moet kruipen. Bovendien kon ik de tekstvellen niet lezen. Dan moest me alle teksten voorlezen en dan was het aan mij om er mijn eigen interpretatie aan te geven. 'Sing 'em like you feel feel 'em', zei hij. Een hele uitdaging, die me vér buiten mijn comfortzone bracht, maar helemaal de moeite waard. Ik bedoel maar, twee jaar geleden stond ik nog op straat te spelen! En had ik mijn zicht niet verloren, dan hadden wij nu niet met elkaar gesproken. Zo zie je maar. Een geluk bij een ongeluk? Finley: Keeping the faith, mijn beste, blijven geloven. Ik beleef eindelijk mijn jeugddroom, ik kan nu alle kansen grijpen die ik ooit wilde, en het brengt zaken in me naar boven die ik nog niet kende. Zoals? Finley: Zoals dat ze me na een show moeten tegenhouden of ik blijf terugkeren op dat podium. (lacht) De energie, man! Serieus, ik kan niet in mijn kleedkamer blijven zitten na een optreden, I have to get out! En dat doe ik ook, ik wil iedereen ontmoeten. Zelfs al moet ik duizend keer een plaat of een T-shirt signeren, ik raak het niet moe, ik blijf gewoon gaan! (lacht)Heb je nu nog dromen om na te jagen? Finley: Op dit moment? Nee. Kijk, twintig of dertig jaar geleden heeft het niet mogen zijn, en dat is misschien maar best zo. Te veel vrije tijd, en te veel, euhm, andere toestanden om die vrije tijd mee te vullen. Nu kan ik iets teruggeven. Dat is mijn eerste zorg. Misschien is dat wel een droom, een eigen tv-show of zo, iets om jong talent een duwtje in de rug te geven. Ja, zoiets zou ik nog graag doen.