Hoe het begon

Richard Hawley: 'Waarom ben je nog wakker?' vroeg mijn vader. Het was al lang na bedtijd, maar hij zag nog licht vanonder mijn slaapkamerdeur vandaan komen. 'Ik heb hier een liedje', vertelde ik, rechtzittend op bed met mijn gitaar op schoot. 'Ik weet alleen niet bij wie ik het gehaald heb.' Op vraag van mijn vader, zelf ook een muzikant, speelde ik het hem voor. Waarop hij: 'It's yours.' En hij gaf me een kus, knipte het licht uit en was weg. 'What the fuck does he mean?' vroeg ik me af. Terwijl ik naar het donkere plafond zat te staren, viel het me plots te binnen: je kunt dus ook zélf songs creëren, zonder dat je andere muzikanten hoeft te kopiëren. Die avond is mijn allereerste eigen liedje ontstaan. Ik was negen.

In mijn kindertijd ben ik songs blijven schrijven, maar ik voelde niet de behoefte die met anderen te delen. In het middelpunt van de belangstelling staan zei me niets. Dus begon ik vanaf mijn tienerjaren in groepjes te spelen, als gitarist. Eerst was er Treebound Story, een band uit de vroege jaren tachtig die nooit succes heeft gehad. Dan kwam Longpigs, een band die te hard succes probeerde te hebben. En uiteindelijk belandde ik bij Pulp, een band die écht succes had.

'Toen mijn song in The Simpsons passeerde, was ik vijf seconden lang de coolste papa ter wereld.'

Bassist Steve Mackey kende ik al van toen ik vier was, onze vaders werkten samen in de staalfabrieken van Sheffield. Zanger Jarvis Cocker ontmoette ik als tiener. Het was fantastisch om gigantische concerten te kunnen spelen met mijn beste vrienden. Het waren niet toevallig Steve en Jarvis die me zeiden dat ik 'toch echt iets met die solodemo's moest doen'. En toen, twintig jaar geleden, is de klik gekomen. Ik was intussen 32, een leeftijd waarop de carrière van de gemiddelde jonge rocker voorbij is. Maar ik, ik wílde net muziek met een zekere diepgang maken, muziek die klinkt alsof ze door een volwassene gemaakt is.

De doorbraak

Hawley: Mijn eerste drie platen (het minialbum Richard Hawley en het langspeeldebuut Late Night Final uit 2001, en Lowedges uit 2003, nvdr.) zijn heel erg onder de radar gebleven. Het duurde tot 2006 voor alles in een stroomversnelling terechtkwam. Dat jaar werd mijn album Coles Corner genomineerd voor de Mercury Prize, de belangrijkste muzikale onderscheiding in het Verenigd Koninkrijk.

Hoewel Arctic Monkeys won en niet ik, begon Alex Turner zijn speech met: 'Somebody call 999, Richard Hawley's been robbed!' Die uitspraak bombardeerde mij in één klap van low-key- tot mainstreammuzikant. En daar heb ik niet eens iets voor gedaan. Alex gaf alle interviews en ik kon rustig aan de bar blijven zitten, haha!

Vanaf Coles Corner kreeg ik veel aandacht, maar ik heb me nooit laten meeslepen door de roem. Fame is an animal that should be caged, you know. Het leidt af van wat echt belangrijk is. Ik zeg altijd: laat je persona niet groter worden dan je muziek, want dan dreigt wat je daadwerkelijk doet over het hoofd gezien te worden. Of erger nog: genegeerd. Ik ben dus blij dat ik die Mercury's niet gewonnen heb (Hawley werd in 2012 een tweede keer genomineerd, maar verloor toen van Alt-J, nvdr.). Niet alleen omdat dat hele prijzengedoe één groot circus is, maar ook omdat popsterren al genoeg erkenning krijgen. Verpleegsters, díé horen awards te krijgen.

Het Simpsons-moment

Hawley: In 2010 vroeg Banksy me of ik mijn nummer Tonight the Streets Are Ours, uit Lady's Bridge, wilde uitlenen aan zijn documentaire Exit Through the Gift Shop. Een hele eer, want Banksy is een geweldige gast. Maar wat er nóg leuker aan was, is dat er twee jaar later een spoof van gemaakt werd door The Simpsons, inclusief mijn song. 'Komt The Simpsons straks op tv?' vroeg ik aan mijn kinderen, die toen nog tamelijk jong waren. Ik wist goed genoeg dat 'mijn' aflevering die avond uitgezonden zou worden, maar had hun er bewust niks over gezegd. 'Ja, wij gaan kijken!' zeiden ze. Je had de blik op hun gezichten moeten zien toen ze mijn nummer hoorden voorbijkomen. Dat was allicht de eerste keer dat ze echt beseften dat ik een artiest met enige status was. Vijf seconden lang was ik de coolste papa ter wereld. (lacht)

Over het algemeen ga ik heel beschermend om met mijn drie kinderen, die nu tussen de zestien en de zesentwintig zijn. Als ik in Sheffield speel, komen ze kijken, maar verder wil ik hen niet te hard meesleuren in de muziekbusiness. Ik vind het belangrijk dat ze hun eigen leven leiden, zonder dat ze in mijn schaduw staan of zich geïntimideerd voelen door mijn succes.

Maar zonder hun iets op te dringen, zijn ze wél alle drie veel met muziek bezig. Het is via hen dat ik op de hoogte blijf van moderne klanken. Mijn dochter houdt van hardcore dancestuff, gabbermuziek en zo, maar duikelt evengoed de gekste Afrikaanse disco uit de jaren zeventig op. Mijn jongste zoon is heel erg into rap, Arctic Monkeys en fifties-rock-'n-roll, en mijn oudste speelt al van kindsbeen af in musicals. Fucking musicals! Geen idee waar hij dat vandaan heeft, maar het komt alleszins niet van mij. (lacht) Grappig wel: toen ik onlangs gevraagd werd om mee te werken aan een musical over het Sheffield van na de Tweede Wereldoorlog, heb ik mijn zoon om zijn mening én goedkeuring gevraagd. De wereld op zijn kop!

Het ongeval

Hawley: Ik werd altijd bestempeld als The Sheffield Sinatra, de eeuwige crooner. Niet dat ik daar ooit verveeld mee heb gezeten - er zijn ergere dingen dan met Sinatra vergeleken te worden, toch? -, maar in 2012 had ik plots wel zin om a lot of fucking noise te maken. Dat resulteerde in het album Standing at the Sky's Edge, een psychedelische, bijwijlen ronduit donkere plaat. En na de release werd het zo mogelijk nog donkerder voor mij.

Het was de eerste dag van de tour, die van start ging in Barcelona, en ik had afgesproken bij een vriend uit Sheffield die daar woont. De marmeren vloeren van zijn appartement waren net gepolijst. Ik wilde de trap nemen en struikelde over de eerste trede. (staat recht en bootst het voorval na) Fwiet, poef: mijn been brak als een twijgje. Ik heb de hele tour in een fucking rolstoel moeten zitten, maar dat was niet eens het ergste. De breuk was zo zwaar dat ze me allerlei legale pijnstillers hebben voorgeschreven - Tramadol en weet ik veel wat nog allemaal. In Spanje delen ze dat uit als snoep, maar het is gevaarlijk spul dat zeer verslavend werkt. Eigenlijk is het industrieel geproduceerde heroïne. Wanneer je aan die pillen zit, lijkt het allemaal geweldig. Tot je ervan af moet raken. Dat was moeilijker dan bij eender welke straatdrug die ik in mijn leven heb genomen.

Ik heb in die tijd concerten gegeven die ik me zelfs niet meer kan herinneren. Op het Latitude Festival, bijvoorbeeld. Blijkbaar heeft Guy Garvey van Elbow me daar het podium op gerold. In een geel veiligheidshesje, want dat moest van de hulpdiensten. Hij moet eruitgezien hebben als een spoedarts, haha!

'Popsterren krijgen genoeg erkenning. Verpleegsters, díé moeten awards krijgen.'

Tot overmaat van ramp ben ik een jaar later, toen ik eindelijk van die pillen af was, door mijn rug gegaan na een oefensessie op een sit-upmachine. De dokters wilden me opereren, maar daar heb ik voor gepast. Chiropractors, massagesalons: allemaal goed en wel, maar no way dat ik opnieuw die fucking medicijnen zou nemen. Ik heb afgezien op die tour, maar ik heb me erdoorheen geslagen. En plots had ik inspiratie genoeg voor mijn volgende album, Hollow Meadows. Ik noem het mijn 'interne' plaat. (lacht)

Het hier en nu

Hawley: Album-tour-album-tour: na Hollow Meadows had ik het gevoel dat ik wat vastgeroest was in die eeuwige cyclus. Niet dat ik het beu was of zo - dit is mijn leven, I ordered the pizza! - maar ik wilde vermijden dat ik er in de toekomst genoeg van zou krijgen. Bovendien begon ik de vijftig te naderen, het uitgelezen moment voor een pauze.

Die gebruikte ik om me helemaal toe te leggen op soundtracks, voor de films Funny Cow en Denmark van Adrian Shergold, en voor een aflevering van de reeks Urban Myths over de ontmoeting tussen Salvador Dalí en Alice Cooper - die overigens echt heeft plaatsgevonden. Daarop volgde dan die musical over Sheffield, die goeddeels gebouwd is rond mijn muziek van vroeger tot nu. Ik stond er aanvankelijk wat weigerachtig tegenover - want ja: fucking musicals! - tot bleek dat er échte verhalen van échte Sheffieldenaars in verteld zouden worden, zonder dat daar enig politiek standpunt bij ingenomen werd. Want ik ben dan wel een socialist, ik wilde niet dat die musical een platform voor mijn politieke overtuigingen zou worden. Het is een geweldige ervaring gebleken. Én een waanzinnig succes, want er zijn 26.000 tickets verkocht en de mensen kwamen in tranen buiten. Yes, it was thát bad! (lacht)

Tijdens die break ben ik wel songs blijven schrijven. Dat doe ik steevast terwijl ik mijn twee honden uitlaat. Eigenlijk zou ik hun royalty's moeten geven, maar ze zijn gelukkig allang tevreden met een koekje. (lacht) Ik wandel niet zelden enkele mijlen ver met hen, en dan komen de teksten en melodieën me gewoon aangewaaid. Die leg ik ter plaatse vast met de dictafoon van mijn iPhone. (haalt zijn smartphone boven) Kijk, voor de nieuwe plaat alleen al heb ik tweehonderd van die voicememo's.

Toen ik de band voor het eerst opnieuw samenbracht om die nummers te spelen, voelde alles weer helemaal fris en nieuw aan. Het leek wel onze allereerste repetitie! Die vonk was wat ik nodig had. Het heeft van Further een heel rechttoe rechtaan en rock-'n-roll klinkende plaat gemaakt, een album dat hopelijk ook licht genoeg is om een tegenwicht te bieden voor alle negativiteit die er in tijden van brexit, gele hesjes en Trump heerst. Er staan geen al te lange nummers op, er wordt niet overdadig gesoleerd. Als Further een lap spek was, dan een zonder het vet. En ik weet niet hoe het met jou zit, maar zo heb ík mijn vlees het liefst.

Further

Uit bij BMG.

Richard Hawley

Geboren op 17 januari 1967 in Sheffield, waar hij nog steeds woont en werkt.

Speelt in de jaren tachtig, negentig en de vroege jaren 2000 gitaar bij respectievelijk Treebound Story, Longpigs en Pulp.

Brengt vanaf 2001 acht soloalbums uit, en een liveplaat die Live at the Devil's Arse heet. Ja, The Devil's Arse is echt de naam van een Britse zaal, een tot concerttent omgeturnde grot.

Scoort twee nominaties voor de Mercury Prize, verzilvert geen van beide en is daar 'fucking blij' mee.

Maakt ook filmsoundtracks en een musical over Sheffield die naar een van zijn bekendste albums genoemd is, Standing at the Sky's Edge.

Werkt samen met onder meer Arctic Monkeys, Elbow, Paul Weller, Robbie Williams, Nancy Sinatra, Lisa Marie Presley, All Saints en Texas.

Wordt soms The Sheffield Sinatra genoemd.