Toen de Brazilaanse zanger Caetano Veloso en zijn goede vriend/collega Gilberto Gil in oktober 1967 aantraden tijdens het Festival de Música Popular, een nationale muziekwedstrijd die live werd uitgezonden op televisie, kregen ze behalve applaus ook met boegeroep af te rekenen.
...

Toen de Brazilaanse zanger Caetano Veloso en zijn goede vriend/collega Gilberto Gil in oktober 1967 aantraden tijdens het Festival de Música Popular, een nationale muziekwedstrijd die live werd uitgezonden op televisie, kregen ze behalve applaus ook met boegeroep af te rekenen. De reden? Caetano (met Alegria, Alegria, oftewel 'vreugde, vreugde') en Gil (met Domingo no Parque, 'zondag in het park') hadden het elk aangedurfd om een elektrische gitaar om te gorden en invloeden uit de Amerikaanse en Britse rockmuziek in hun liedjes te verwerken. In het politiek verscheurde Brazilië van na de militaire coup in 1964 trapten ze met die subversieve daad aan beide kanten op zere tenen. Voor de linkse oppositie stond rock-'n-roll gelijk aan een knieval voor het gehate, westerse imperialisme, dat achter de schermen de junta mee aan de macht had gebracht. Voor het rechtse staatsapparaat vormden de muzikale vernieuwingen en experimenteerdrift van het duo een bedreiging van de gevestigde orde. Inhoudelijk waren Alegria, Alegria en Domingo no Parque geen politieke pamfletten. Het protest in de songs zat voornamelijk in de vorm, en in de cryptische, abstracte beeldtaal waarin de roep om vrijheid en verandering tussen de regels verstopt zat. Een jaar na hun deelname aan de liedjeswedstrijd staken beide muzikale vrijbuiters nog een tandje bij, en bundelden ze op het album Tropicàlia: ou Panis et Circenses hun krachten, samen met gelijkgestemde zielen als Gal Costa, Tom Zé, en de band Os Mutantes. De plaat geldt als het manifest van de Tropicàlia-beweging, het culturele en esthetische verzet tegen vastgeroeste regels en beklemmende ideeën, zowel in de Braziliaanse politiek als in de kunst. De 'tropicalistas' van de sixties waren anarchisten, die zowel het conservatieve patriotisme van rechts als de salonrevolutionairen van links bekampten. Het werd hen niet in dank afgenomen: eind december 1968 verdwenen Caetano Veloso en Gilberto Gil, als 'leiders' van de beweging, achter de tralies. Enkele maanden later vlogen ze naar Londen in verplicht ballingschap. In 1972 keerden ze onder voorwaarden terug naar hun land, waar ze sindsdien de status van volkshelden genieten, en in 2003 werd Gilberto Gil zelfs minister van cultuur onder president Lula da Silva. De voorbije vakantieperiode werden hier wekelijks minder bekende protestsongs en -platen uit onverwachte hoek belicht. Songs over milieuproblematiek, racisme, koud of warm oorlogsgeweld, afkomstig uit de folk, pop, rock, en jazz, hoofdzakelijk vanuit een Angelsaksisch, westers perspectief. Eindigen doen we dus in Brazilië, en met een goede reden.Want met hun psychedelische, avant-gardistische ideeën herinneren de tropicalistas ons aan twee dingen. Ten eerste, dat je evengoed met een liedje over een jaloerse bouwvakker op een kermis, zoals Domingo no Parque, kan rebelleren, wanneer de vorm òòk iets vertelt. Protestmuziek is meer dan alleen liedjesteksten. Tegen schenen schoppen kan gerust zonder woorden.Ten tweede, dat protestmuziek in het Westen eigenlijk toch vooral een kwestie van vorm is. Verzet vanuit een veilige luxepositie. Een Twitterreprimande van een averechtse fan is ongeveer het vervelendste wat een boze rapper of popster tegenwoordig kan overkomen. In andere werelddelen kan politiek of maatschappelijk geïnspireerde muziek je de vrijheid of zelfs het leven kosten. Denk maar de punkactivisten van Pussy Riot, in het Rusland onder vadertje Poetin. Of aan Yahaya Aminu Sharif, een jonge, populaire zanger uit Nigeria, die enkele weken geleden door een shariarechtbank ter dood werd veroordeeld wegens blasfemie. Begin deze zomer leidde de moord op de sociaal geëngageerde zanger Hachalu Hundessa in Ethiopië tot dodelijke rellen. Popmuzikanten met een politieke mening uit Hongkong, zoals zangeres Denise Ho, belanden in China op een zwarte lijst.Wanneer folkicoon Bob Dylan in 1965 'elektrisch ging' werd hij uitgejouwd voor 'Judas'. Ceatano Veloso en Gilberto Gil deden twee jaar later hetzelfde, en belandden uiteindelijk in de gevangenis. En toen de nomadische Toearegrebellen in Mali de elektrische gitaar ontdekten werd het bezit op hun cassettes met opruiende woestijnblues verboden door de regering. Groepen als Tinariwen konden ooit enkel clandestien optreden, onder bescherming van de uitgestrekte sahara, Kalasjnikov binnen handbereik. Dàt is protestmuziek.