Rechtvaardigheid is niet echt het fort van de muziekwereld. Louis Armstrong, een zwart jongetje dat opgroeide in een wijk van New Orleans die zo gewelddadig was dat ze hem The Battlefield noemden, bleek een verdomd genie op de cornet (een broertje van de trompet). Hij werd de koning van de Crescent City, werd in 1922 door zijn idool Joe 'King' Oliver uitgenodigd om in Chicago in zijn band te gaan spelen, maakte in 1924 met het strakke orkest van Fletcher Henderson de sprong naar New York City en nam in 1928 met vijf man een compositie op waarmee hij een heel genre zou definiëren: West End Blues.
...

Rechtvaardigheid is niet echt het fort van de muziekwereld. Louis Armstrong, een zwart jongetje dat opgroeide in een wijk van New Orleans die zo gewelddadig was dat ze hem The Battlefield noemden, bleek een verdomd genie op de cornet (een broertje van de trompet). Hij werd de koning van de Crescent City, werd in 1922 door zijn idool Joe 'King' Oliver uitgenodigd om in Chicago in zijn band te gaan spelen, maakte in 1924 met het strakke orkest van Fletcher Henderson de sprong naar New York City en nam in 1928 met vijf man een compositie op waarmee hij een heel genre zou definiëren: West End Blues. Het kon het grote publiek gestolen worden. In New York stond een blanke orkestleider op die weliswaar van zwarte muziek hield, maar wist dat hij de zwarte versie nooit verkocht zou krijgen: Paul Whiteman. In 1930 waagde hij zich aan een concertfilm, The King of Jazz, met victoriaanse sentimentaliteit, beleefd gecroon en iets wat vaag op jazz leek. Anderhalf uur lang, zonder een noot improvisatie. Maar voor de bladen was het duidelijk: Paul Whiteman - zijn familienaam kon geen toeval zijn - was de koning van de jazz. Terwijl een segment van de muziekkritiek besliste wie de nieuwe grote man was, zette een zwarte jongeman met een lange muzikale pedigree in werkelijkheid de standaard. *** Die dwangmatige fascinatie voor vorsten zou blijven aanhouden in de jazz, en altijd veroorzaakte het gedoe onder de fans. Van de witte klarinettist Benny Goodman als de King of Swing tot de zwarte trompettist Wynton Marsalis als koning van de neoconservatieve golf in de vroege jaren negentig. Van saxofonist Kamasi Washington in 2015 tot zijn collega Shabaka Hutchings in... 2017. Zo snel kan het gaan. Niks nieuws. Het is een kwestie van marketing en van de querelle des anciens et des modernes. Het is minstens even oud als de jazz zelf. Cue naar eind 2017. Bij de presentatie van de eindejaarsprogrammatie zorgt de AB voor enige deining. In de rock gebeurt even niets spannends, is het betoog, daarvoor moet je in de jazz zijn. De concertzaal lanceert een week vol Belgische groepen onder de titel 'The New Wave of Belgian Jazz!' - met een knipoog naar de reclameslogan van het beroemde Impulse!-label: 'The New Wave of Jazz Is on Impulse!' Er ontstaat nogal wat - hoe moeten we het noemen? - enthousiasme. Want hé, Snarky Puppy en BadBadNotGood doen het toch goed op de zomerfestivals? En die Gentenaren van Black Flower met hun Afrikaanse sferen en Stuff met hun vintage elektronica, die zijn toch zo verdomd trippy? Zie je wel: een nieuwe wind in de jazz. Hoe zijn we hier ineens beland? Hoe nieuw is die beweging echt? Het heeft, denk ik, allemaal te maken met het maatschappelijke klimaat. Het zijn vreemde, ontwrichtende tijden. Mensenstromen lopen door elkaar, machtsblokken wankelen, grenzen worden flou. Ook in de jazz. Of beter: dus ook in de jazz. Het zegt iets over de relevantie van deze muziek tegen het eind van dit decennium. Om die omslag te voelen moeten we terug naar de jaren negentig. De Belgische scene kende in die tijd een gouden generatie. Het Brussels Jazz Orchestra, met de crème van de Belgische muzikanten, bracht de klassieke bigbandsound met een heldere schriftuur, weg van de schetterende orkesten. Op het Brugse WERF-label verschenen magnifieke albums van onder meer pianist Kris Defoort, percussionist Chris Joris, altsaxofonist Ben Sluijs en het Afrikaans geïnspireerde Maak's Spirit - stuk voor stuk mensen met een groot respect voor de traditie, maar met de volle overtuiging om zich niet tot het standardrepertoire te beperken. Erg groot en lucratief was het circuit niet, met een publiek van voornamelijk iets oudere, vrij klassieke jazzliefhebbers. Maar de koppigheid van de muzikanten verdiende alle lof. In het volgende decennium kwam er een klik. Binnen de scene had de conservatieve cercle rond Wynton Marsalis minstens evenveel tegenstanders als voorstanders, maar het was de tv-serie Mad Men die het grote publiek pas écht door een vintage bril liet kijken. De halve planeet werd terug naar de jaren vijftig gekatapulteerd. Retro was het nieuwe nu - mét een bijpassende soundtrack. Bij ons lokten de feesten van Radio Modern duizenden mensen. Lady Linn werd met uitstekend jazzvolk rond zich de Zomerhit van Radio 2. Nostalgie voerde de boventoon. Maar nostalgie is iets gevaarlijks. Hoe zwierig die tijd ook was, in se was de jazzrevival reactionair. Die bubbel zou barsten. En dat gebeurde ook. Toen we wakker werden uit de Mad Men-hype werd het een beetje stil. De onderstroom die er altijd was geweest, van New Orleansliefhebbers tot stevige avant-garde, was er natuurlijk nog altijd. Maar de bovenbouw leek voor een tijdje vacant. Je keek om je heen en zag steeds weer dezelfde grote namen op de grote podia. Binnen- en buitenlandse festivals programmeerden nog meer popacts om uit de kosten te komen. In eigen land werd Jef Neve het grote uithangbord - het is hem ten zeerste gegund -, maar commercieel volgden de collega's op grote afstand. In de jazz gebeurde even niets spannends, was het betoog, daarvoor moest je in de hiphop zijn. En toen gebeurde het. Een relatief jonge generatie brak door, die met grote achterdocht naar de generatie vóór haar keek. Die weinig voelde voor standards. Jongens en meisjes die niet noodzakelijk hun jazzstudie hadden afgemaakt en voor wie pop en dance geen vuile woorden zijn. Die het lekker vinden om hun muziek door een muur van woofers over een festivalweide te sturen. Die geen boodschap hebben aan de norm van de bebop - en hier komt het - omdat hun leefwereld anders is dan die van New Yorkse muzikanten tijdens de oorlogsjaren. Plots won een band als Nordmann de publieksprijs op Humo's Rock Rally. Ineens stond die band van conservatoriumstudenten, die tijdens clubconcerten weleens spelen voor een paar dozijn mensen, op Pukkelpop voor 2000 man en in een volle AB. Spelen zij jazz met een grote J? Ze maken keuzes, daar doen ze niet flauw over. Niet te veel achteroverleunen met de beat, niet te complex doen met de akkoorden, niet te gul met improvisatie, maar wel bakken energie. Daar is niets op tegen. Het werkt. Maar wat maakt die lichting zo nieuw? Aan de leeftijd ligt het niet. Veel van de bands die u in de AB kunt zien, bestaan al jaren. Veel van de muzikanten draaien al makkelijk vijftien jaar en meer mee. Daar zit het 'm dus niet. Maar een band zoals Nordmann maakt wél deel uit van een stroming die op zoek gaat naar een nieuwe standaard. Met invloeden uit de pop, de dance, de klassieke muziek. Dat levert een heel breed muzikaal landschap op, met groepen die stilistisch soms bijzonder weinig met elkaar gemeen hebben. In de AB krijgt u TaxiWars te zien, de spoken-wordtrip van Tom Barman en tenorist Robin Verheyen. De Beren Gieren, het even kinderlijke als klassiek-kunstzinnige pianotrio van Fulco Ottervanger. Brzzvll, het afrobeat-meets-Prince-ensemble uit Antwerpen. De witte Ethiopiërs van Black Flower. De elektronica van AAA/EOP. De liefde van The Mechanics voor het oeuvre van saxofonist Ornette Coleman, de koning - ha! - van de freejazz. Wat hen bindt, is niet noodzakelijk de jazztraditie, niet eens de jazzsound. Wat voor hen telt, is een jazz-mindset: de bereidheid om door middel van improvisatie in het diepe te duiken, om een eigen verhaal over hún referentiekader te vertellen, en dat te verpakken in een outfit die past bij 2017. Een kleine 100 jaar geleden was dat een mix van blues, klassiek, Franse quadrilles en the Spanish tinge, zoals pianist Jelly Roll Morton het noemde. Vandaag komt de instroom vanuit de hiphop, de noise, de elektro, de Cubaanse son. 'The New Wave of Belgian Jazz' klinkt als de titel van een programmatisch manifest, maar dat zou het te veel gewicht geven. De meest opmerkelijke golf speelt zich niet echt af onder muzikanten, maar onder het publiek. Misschien staan we op dat vlak wel degelijk op een kantelpunt in de Europese jazz: op het moment waarop de mainstream geïmproviseerde muziek weer in de armen sluit. Hoeveel muzikanten hadden daar in de voorbije decennia niet voor willen tekenen? En dit keer gebeurt het niet uit nostalgie, maar vanwege de energie die deze bands uitstralen en de lange verhalen die ze opbouwen. Zonder gêne, vrij van de verpletterende druk van een eeuw jazzgeschiedenis. Dat er op zulke momenten weleens twijfelachtige figuren doorbreken, is bijna vanzelfsprekend. Op zo'n moment kan ik iedereen mijn levensmotto aanraden: 'Bij twijfel, luister naar Duke Ellington.' Naar zijn Far East Suite uit 1967, bijvoorbeeld, waarbij hij Perzische invloeden in zijn klassieke jazz stopte - heel 2017 was dat. Want er is één ding waar ik een beetje zenuwachtig van wordt: de wellust waarmee sommige nieuwe bekeerlingen toeteren dat de nieuwe generatie jazzmuzikanten 'het genre in zijn hemd zet'. Alsof er dringend rekeningen moeten worden vereffend met een oude wereld waarvan men de taal niet wil begrijpen. Zo'n mindset maakte van Paul Whiteman 'The King of Jazz'.