...

Tom Barman: Na jaren van non-stop platen maken en toeren met dEUS, ben ik rond de eeuwwisseling fervent beginnen te dj'en. Ik verdiepte me in de elektronica, hing vaak rond in de inmiddels opgedoekte Antwerpse platenzaak USA Import, waar ik dj-producer Sven Van Hees geregeld tegen het lijf liep. Toen ik met het idee speelde om zelf een elektronisch studioproject op te starten, was hij de eerste die ik erover heb aangesproken. Sven wees me op een elegante manier af, zei dat het niks voor hem was en hij volop in zijn eigen trip zat. En dan dropte hij de naam CJ Bolland. CJ Bolland: Ha, dat wist ik niet eens! How nice of him. Barman: Ik kende amper één nummer van CJ - It Ain't Gonna Be Me, inclusief die fantastische clip met beelden uit de Brits-Ierse film Human Traffic (1999) - maar dat zat wel steevast in mijn dj-sets. Bolland: Zo ook die avond tijdens de Nacht van de Student, toen ik moest draaien in Café d'Anvers en nadien op aanraden van een vriend nog naar Tommy's set ben gaan kijken, iets verderop in Club Geluk. Omgekeerd kende ik ook nauwelijks één liedje van hem: Theme from Turnpike, een nummer dat ik, in tegenstelling tot bijna alle andere poprocksongs in die tijd, níét afzette als het op de radio kwam. En wat bleek: diene rocker speelde nog funky elektro ook! Toen hij plots mijn track oplegde, ben ik maar efkes goeiedag gaan zeggen. Barman: (lacht) Da zen kik, zei die ijdeltuit! Ik vroeg hem mijn plaat te signeren en er zijn telefoonnummer op te schrijven. Bolland: Dezelfde week zaten we al samen bij mij in de studio, in Westmalle. Magnus kwam voor mij op het juiste moment, want ik zat in de knoop met mijn toenmalig label. Ik was mijn carrière begonnen bij het Gentse R&S Records, een undergroundtechnolabel dat me mijn goesting liet doen. Tot ik in 1996 opeens - per ongeluk - commercieel succes kreeg met Sugar Is Sweeter en The Prophet en er grote platenfirma's aan mijn mouw kwamen trekken. Ik tekende bij Internal, een Brits sublabel van Universal, gerund door twee gasten die techno-minded waren en me op het hart drukten dat ik mijn ding kon blijven doen. Dat liep goed, maar op een bepaald moment kregen die twee ook een lucratiever bod. Ze stapten op, Internal werd opgedoekt en de artiesten werden buitengesjot. Behalve ik, want ik had succes. Mijn muziek kwam in handen van het moederschip, dat een veel afgebakender muzikaal profiel had. De albums die ik klaar had, wilden ze niet uitbrengen: 'niet commercieel genoeg.' Ik zat vast, maar weggaan was geen optie want ik lag onder contract. En toen ontmoette ik dus Tom. Barman: De eerste keren dat we hebben afgesproken, kan ik me nog zo voor de geest halen. Toen jij aankwam in je dikke BMW dacht ik: wat is dat voor nen John? Bolland: (lacht) En toen ik in jouw appartement binnenkwam, dacht ik: die gast had toch succes? Barman: Warme klanken toevoegen aan de per definitie koude elektronische muziek, dat was van in het begin de ambitie van Magnus. Mijn pitch: J.J. Cale meets Kraftwerk. Bolland: Het Kraftwerk-gedeelte snapte ik. (lacht)Barman: Onze werelden waren heel verschillend, ja. CJ was amper vertrouwd met rock, soul of pop, en voor mij was elektronica nieuw. We leerden veel van elkaar, wisselden mixtapes uit. In het begin kwam ik met gitaarnummertjes af, die hij dan moest verelektroën. Dat trok op niks! Bolland: Nee, dat was te songy, te down. Ik zag niet in wat ik ermee kon doen. Barman: Dus zijn we snel van die werkwijze afgestapt en zijn we beats, loops en samples als vertrekpunt beginnen te nemen. Ik die iets probeerde op een Akai-synthesizer en CJ die dat met zijn apparatuur naar een hoger niveau tilde: zo zijn songs als French Movies en Rhythm Is Deified ontstaan. Maar het echte it-moment was Summer's Here: heel funky, heel zomers en, ja, heel J.J. Cale. Ik kwam met de sample, die oe-oe-oes van jazztrompettist Donald Byrd aanzetten, CJ bedacht de baslijn. Dat alles lieten we door gastmuzikanten inspelen. Tomas De Smet van Zita Swoon is de baspartij op kerstavond 2002 komen opnemen. En we waren vertrokken. Bolland: Ik weet nog dat ik toen dacht: hoe, ik moet dat niet allemaal zelf programmeren of wa? Die mannen spélen dat echt? (lacht) Voor mij was dat een hele verademing. Ik had in de nineties niks anders gedaan dan technotracks in elkaar boksen - heel plezant om op te dansen, maar nogal saai om te maken. Bij Magnus kwam ik ineens in aanraking met arrangementen en songs, met refreinen en al! Ik raakte al snel verslaafd aan die gastmuzikanten, en wat ik met mijn eigen speelgoed van hun partijen kon maken. Barman: Ondertussen zat ik in volle montage van Any Way the Wind Blows, mijn debuutfilm uit 2003. Ik had gezworen geen dEUS of andere eigen muziek op de soundtrack te zetten - uit een soort koppigheid en bij wijze van statement. Maar man, wat paste Summer's Here goed bij de begingeneriek! Toen we dat eenmaal door hadden, was de filmrelease al akelig dichtbij. Toen hebben we even een scare gehad, want de rechten voor die Donald Byrd-sample moesten nog gecleard worden. En dat had wel wat voeten in de aarde. Bolland: Als back-upplan had ik die sample weggewerkt, vier meisjes in de studio uitgenodigd en hen een hele week lang iets gelijkaardigs laten zingen, zij het met één noot verschil. Barman: Letterlijk op de laatste avond voor de filmdeadline hebben we - via Rob Leurentop, nu de manager van Robin Verheyen, mijn kompaan bij TaxiWars - het rechtstreekse telefoonnummer van Donald Byrds zoon gekregen. 'Dad would be flattered', zei die. 'Give us 30 percent and it's fine.' Plots klopte het hele plaatje. Any Way the Wind Blows was een gedroomde introductie tot Magnus. Barman: 'What the fuck is dees?' vroeg iemand van Anti-, het label van onder meer Tom Waits, aan onze toenmalige comanager Filip Eyckmans toen hij ons debuutalbum The Body Gave You Everything hoorde. 'Dat zijn Barman en Bolland', antwoordde Flippie. Twee weken later hebben we bij Anti- getekend, dat The Body in 2004 heeft uitgebracht. Bij ons sloeg de plaat in als een bom, maar wij hadden enkel dj-sets te bieden - een liveband was Magnus op dat moment nog niet. Daar stonden we dan, als headliner in de Marquee van Werchter, met twee platenspelers en een bak vol pas gekocht vinyl dat we ter plekke voor het eerst oplegden, zonder enige voorbereiding. Vreemde situatie. Bolland: Ik vond dat de normaalste zaak van de wereld. Hoe hadden we dat live moeten doen, met amper één plaat? Barman: Allez, CJ, dat is wat elk beginnend bandje doet! Bolland: We hebben met die eerste plaat op zowat alle festivals ge-dj'd: Dour, Pukkelpop, Lowlands, zelfs een vroege editie van Tomorrowland, waar jij, met flink wat wodka-Red Bull in je kraag, nog bijna van de boxen bent getuimeld. Barman: (lacht) Juist! We zijn ook geregeld in het buitenland gaan draaien. De plaat had een internationale release gekregen, maar eigenlijk is ze buiten België niet goed genoeg gepromoot. De mensen van Anti- waren nogal arrogant, dachten dat het een walk in the park zou worden omdat ik bekend was van dEUS en CJ van zichzelf. Niet dus. Magnus had, net als elk ander project, ondersteund moeten worden, er had geld tegenaan gegooid moeten worden. Maar Anti- deed dat niet, behandelde ons stiefmoederlijk. Er zélf achter zitten was ook geen optie, want ondertussen moest ik dEUS weer op de rails zien te krijgen. Ik was immers van de hemel (een lovend onthaalde film en een goede Magnusplaat) in de hel (het vertrek van gitarist Craig Ward en bassist Danny Mommens bij dEUS) beland. 2004 is uiteindelijk mijn annus horribilis geworden. Barman: 'Tom, je zit in een rockband, hè. Het mag swingen!' zei drummer Stéphane Misseghers toen we opnieuw met dEUS - in de nieuwe bezetting, met Mauro op gitaar en Alan Gevaert op bas - in de studio zaten. Hij had gelijk. Ik was overdreven hard bezig met quantizen - songs retestrak doen klinken. Ik was het gewoon van bij Magnus en heb het echt moeten loslaten bij dEUS. Veel invloed heeft Magnus verder niet op dEUS gehad, behalve in songs als What We Talk About (When We Talk about Love) en Stop-Start Nature uit Pocket Revolution (2005) en The Architect uit Vantage Point (2008), niet toevallig nummers waaraan CJ heeft meegewerkt. Bolland: Het is na Vantage Point dat we voor het eerst aan nieuwe Magnus-nummers zijn beginnen te werken. Singing Man, met Tom Smith van Editors, en Puppy, met Tim Vanhamel, zijn toen ontstaan. Barman: Dat waren meteen twee knallers, maar een plaat maken was toen niet aan de orde, ik moest door met dEUS. Even hebben we overwogen Singing Man als losse single uit te brengen. We hebben dat nummer zelfs met dEUS uitgeprobeerd. Kenny Gates, directeur van ons platenlabel PIAS, had het gehoord en wilde het heel graag op Keep You Close (2011). Die dEUS-versie marcheerde wel, maar paste niet bij de groep. Nog een Magnussong die we al in die periode - we spreken 2009 - gemaakt hebben, is Slecht gaan, een duet met De Jeugd van Tegenwoordig. Die mannen moesten in België optreden, en nadien zijn we met hen gaan stappen in het Antwerpse café Kassa4. Met onze zatte kloten zeiden we tegen elkaar: 'Laten we morgen samen iets opnemen.' De volgende ochtend was CJ rázend op mij, want we hadden allemaal een flinke kater. 'No way dat ze zullen opdagen', zei hij. En wat bleek: iedereen was stipt op tijd, behalve meneer Bolland. (lacht) CJ, Tim Vanhamel en ik hebben dat nummer bedacht, die van De Jeugd hebben er ter plekke, op hun telefoon, een tekst bij geschreven. Een tekst over een kater, stel u voor! Het is allemaal in één take opgenomen. De max. In diezelfde zotte zomer van 2009 hebben Tim en ik trouwens nog een nummertje meegezongen met De Jeugd op Rock Werchter. Tim is toen met zijn kin op de monitor gevallen, en ik ben bij gebrek aan inspiratie na dertig seconden het publiek in gesprongen. De belachelijkste guest appearance óóit. (lacht) Barman: Na de dEUS-platen Keep You Close en Following Sea (2012), en met Puppy en Singing Man op het schap, was het een evidentie dat we onze schouders opnieuw onder Magnus zouden zetten voor een tweede plaat. Dat is Where Neon Goes to Die (2014) geworden. Bolland: We waren inmiddels tien jaar verder, en onze sound was mee geëvolueerd, dancyer geworden. Minder J.J. Cale, meer Kraftwerk. En meer r&b, want Tommy kon maar niet zwijgen over Yeezus van Kanye West. Barman: Verder was de formule dezelfde gebleven, met wederom veel gastmuzikanten: Selah Sue, Blaya van Buraka Som Sistema... (denkt na) Ik moet wel zeggen dat ik niet zo hard genoten heb van die opnames. Het boterde niet altijd goed tussen CJ en mij. Bolland: We hadden dan ook zo'n vijftien jaar lang bijna dag in dag uit met elkaar in de studio gezeten, met uitzondering van de periodes waarin Tommy op tour was met dEUS. Barman: Ik heb nooit anders gedaan dan in de studio zitten en toeren, maar soms komt boontje om zijn loontje, zeker? Ik was moe, en dat zorgde voor stress tussen ons. Het is niet zo dat we elkaar voortdurend zaten af te katten - we waren geen 22 jaar meer - maar er hing wel een sfeer van frustratie. Ik had het er, al dan niet terecht, moeilijk mee dat de nummers niet voldoende evolueerden nadat ik er mijn ding mee had gedaan en ze naar CJ had gestuurd. Bolland: Anderhalf jaar lang trekken en sleuren aan diezelfde songs, daar raak je nu eenmaal uitgeput van, hè. We hebben op een bepaald moment zelfs op het punt gestaan het allemaal te laten vallen. Uiteindelijk hebben we toch doorgezet, maar het was op het tandvlees. Barman: Onafgebroken op elkaars lip zitten in de studio, altijd maar weer gastartiesten afbellen: het was too much geworden voor mij. Ik heb aan Neon een half trauma overgehouden. Niet toevallig dat het me toen voor het eerst begon te dagen: dit wil ik niet meer, never again. Barman: Maar op die helse opnames volgde wél een heerlijk liveverhaal. Dat Tim Vanhamel mee zou doen lag voor de hand: hij had Puppy al aangebracht. Christophe Claeys kende ik van toen hij nog bij Balthazar drumde, dat vaak het voorprogramma van dEUS heeft verzorgd. En toetsenist Joris Caluwaerts moet ik ergens bezig gezien hebben, allicht met Stuff. Die gasten hadden allemaal bijgedragen aan Where Neon Goes to Die, dus zeiden CJ en ik tegen elkaar: laten we van Magnus een livegroep maken, met die drie mensen erbij. Dat was een geweldige gang, en de shows waren super. Ik kwam echt los bij die band, kon er ongegeneerd mijn innerlijke George Michael, Annie Lennox en Prince in kwijt. Ook de rest amuseerde zich te pletter. Ons eerste grote concert was in 2014 op Couleur Café. Ik was in jaren niet meer zo zenuwachtig geweest om op een podium te kruipen. Die zomer hebben we ook nog op Pukkelpop gestaan. Tom Smith speelde er op dezelfde dag met Editors - hij had me daar vooraf zélf op attent gemaakt - maar is niet komen meedoen op Singing Man. Ook al was het zijn manager die me afblokte, ik vond dat heel ungentlemanlike van hem. Ons zo te kijk zetten op eigen bodem, dat doe je niet. Ik heb hem dat zeer kwalijk genomen. Nadien hebben we een nieuwe versie van Singing Man opgenomen, waarin Mark Lanegan Toms partij zingt. Het is díé versie die je binnenkort zult horen op onze best of-cd. In het voetbal spreken ze van 'antwoorden op het veld', ik noem dit 'antwoorden op de plaat'. (lacht)Bolland: Lanegan is ook komen meezingen in Club 69 van Studio Brussel. Ik was voor een Magnusconcert telkens strontnerveus. Vroeger had ik bij livesets nooit rekening moeten houden met een ander. Dat was totaal nieuw voor mij. En na mijn hele carrière lang de wereld rondgevlogen te hebben in businessclass, zat ik ineens op een tourbus. Toenkedoenkedoenk, heel de nacht door: goed heb ik niet geslapen tijdens onze Europese tournee van 2015. Barman: Hoe leuk de concerten ook waren, die Europese tour viel tegen. Op Italië en Londen na was het haast overal onderbevolkt. Opnieuw werd Magnus door de platenfirma onvoldoende gepromoot en ondersteund in het buitenland. Maar wij hadden er wél heel veel geld in gestoken. Anderhalf jaar in de studio zitten, een resem gastmuzikanten laten opdraven, een groep mee op tour nemen: daar komen onkosten bij kijken, hè. Terwijl onze muzikanten goed betaald werden, hebben CJ en ik een jaar lang voor niks opgetreden. Ik weet nog goed dat we in april 2015, op ons concert in de Antwerpse Arenberg, gehighfived hebben: 'We zijn break-even!' (lacht) Barman: Melodietje, 808'tje, synthje, klaar: dat is hoe de jonge elektropoppers van vandaag werken, snel én goedkoop. Maar voor ons zou het de fun wegnemen. Wij houden er nu eenmaal van om met zangers, drummers, blazers en strijkers te werken. Maar dat zouden we financieel niet kunnen blijven trekken. Dan maar stoppen, dachten we. Unaniem. En toen kwam een nietsvermoedende Tim Vanhamel toch niet met dé perfecte afscheidssong op de proppen, zeker! Look at Us Now leek wel een kosmisch signaal, en het sein voor ons om nog een laatste knaller van een ep uit te brengen. Daarop géén leftovers maar vijf nieuwe nummers, ingeblikt met de volledige livebezetting. De beslissing om Magnus te beëindigen - ik word al verdrietig van erover te praten - was een bitterzoete. Bitter omdat de live-ervaring zo plezant was, zoet omdat we onze handen nu vrij hebben voor andere projecten. En dat zijn er genoeg: een tweede film, een nieuwe TaxiWars en de zoektocht naar een vervanger voor Mauro als gitarist van dEUS. Bolland: (droog) En voor mij stopt het hier, nu ga ik bij De Lijn werken. Nee, ik heb net een nieuwe studio gebouwd in Wijnegem en wil terug aanknopen met de muziek die ik in 2000 net beu was geraakt: analoge techno op 12-inchplaatjes. In tegenstelling tot tien jaar geleden, toen de minimal techno de plak zwaaide, kan ik me in de huidige technoscene weer helemaal vinden: het is opnieuw pompen geslagen! Niet dat ik tot mijn zeventigste pubers wil doen shaken. Op termijn zou ik van Hollywoodsoundtracks mijn hoofdbezigheid willen maken. Iets als Blade Runner zou me perfect liggen. En de deur staat al op een kier, want ik heb goeie contacten in die kringen én er is al een film bevestigd. Welke, dat kan ik nog niet zeggen, maar je zult hem zeker kennen. Barman: Op de soundtrack van mijn volgende film zal ook nog muziek van Magnus te horen zijn, zij het louter instrumentale. Maar eerst gaan we nog een paar afscheidsconcerten geven, volgende zomer op de festivals en daarna hopelijk nog wat clubs. We'd like to go out with a bang, daar kijk ik écht naar uit. Want hoeveel verschillende levens ik dEUS ook al gegeven heb, een groep stopzetten, dát heb ik nog nooit eerder gedaan. (lacht)