'Ik ben vijf en ik zit op mijn kamer, het zolderkamertje van mijn ouderlijk huis. We waren met vijf kinderen, van wie ik de tweede oudste ben. Ik kijk door het dakraam naar buiten en zie de kerk, met eromheen het kerkhof. Ineens beginnen de kerkklokken te luiden, zoals elk uur, elke dag. Onder de deur waait muziek mijn kamer binnen.'
...

'Ik ben vijf en ik zit op mijn kamer, het zolderkamertje van mijn ouderlijk huis. We waren met vijf kinderen, van wie ik de tweede oudste ben. Ik kijk door het dakraam naar buiten en zie de kerk, met eromheen het kerkhof. Ineens beginnen de kerkklokken te luiden, zoals elk uur, elke dag. Onder de deur waait muziek mijn kamer binnen.' Op de benedenverdieping houden vader August Versmissen en moeder Maria café, In de Verzekering tegen de Dorst. In de jukebox zitten plaatjes van Buddy Holly en Harry Belafonte. Het café staat in Wortel, een dorpje op de grens met Nederland. We zijn midden jaren vijftig. 'Ik ben niet alleen letterlijk een grensgeval, ik voel me ook al mijn hele leven zo. Alsof ik nergens bijhoor, in geen enkel hokje pas. Alleen al de kamer waarin ik ben opgegroeid: tussen kerk en café, tussen vroom- en liederlijkheid.' Aan het café hangt een kleine dorpswinkel vast. Buren komen er tabak, snoep en aardappelen kopen. Wielrenner Rik Van Steenbergen komt er weleens langs. 'Mijn vader was met hem bevriend, hij ging soms mee naar wedstrijden. De verhalen waarmee hij thuiskwam, prikkelden keer op keer mijn verbeelding. Zo zou Van Steenbergen na de Ronde van Zwitserland eens op originele wijze enkele peperdure polshorloges naar België hebben gesmokkeld: hij had ze simpelweg uit elkaar gevezen en in de banden van zijn fiets verstopt.' Op zondag krijgen August en Maria mannen met hoekige koppen en een houterige manier van doen over de vloer. Ze dragen een blauw pak met een krijtstreep in de zij. 'In ons dorp was er een kolonie voor landlopers. Avonturiers, daklozen, clochards, mannen die iets hadden mispeuterd: ze zaten er allemaal bijeen. Op zondag mochten ze naar buiten, onder begeleiding. Dan kwamen ze in het café een pintje drinken. Er was zelfs een zwarte bij. In die tijd, stel je voor!' Vader treedt regelmatig op tijdens bonte avonden, als komiek. Moeder speelt piano en zingt. In de keuken, achter de toog, op straat. 'Zomaar, uit pure levensvreugde.' Ook de kleine Guido laat de stembanden trillen. 'Om de zoveel weken liep er wel een fanfare of een processie door de straten. Dat mondde telkens uit in een drinkgelag in ons café. Dan kreeg ik een trommel of trompet in mijn handen gestopt en moest ik op een tafel gaan staan om een liedje te zingen. Bloeiende twijgen van de Zangeres Zonder Naam of zo. Ik heb het gevoel dat ik altijd al een zanger ben geweest.' De zomer van 1959. De Versmissens verhuizen naar Turnhout. Vader August kan er aan de slag bij Brepols, een papierfabriek. Op een dag doolt Guido, dan zes, na schooltijd over de Konijnenberg, een stuifduin in de dorpskern van deelgemeente Vosselaar. Zorgeloos speelt hij er met zijn zusje in het zand. Een onbekende man lokt hen mee. Weg van de moeder, uit het zicht. 'Toen we ver genoeg waren, stuurde hij mijn zusje weg. Hij moest alleen mij hebben. Die man was een pedofiel, hij heeft me aangerand. In totaal duurde het hele gebeuren nog geen vijf minuten, maar wat het voor mijn persoonlijkheid teweegbracht, is onmogelijk in te schatten.' Ook vader en moeder zijn wanhopig. Ze trekken met hun zoon naar Lourdes, naar psychiaters en psychologen. Niets helpt. 'Het heeft een lange, donkere schaduw op mijn jeugd geworpen. Jarenlang heb ik me beschaamd gevoeld. Ik was van mijn eer beroofd. Tot mijn achttiende had ik onafgebroken het gevoel dat er met mij iets serieus mis was.' Stukje bij beetje hervindt hij vreugde in het leven. In het plaatselijke jezuïetencollege volgt hij een opleiding Latijn-Grieks. Vooral op het sportveld en in de kerk blinkt hij uit. 'Ik was een goede doelman en werd snel voorzanger van het koor. Daardoor lieten ze me er elk jaar door, met de hakken over de sloot. Sport en muziek waren te belangrijk voor het prestige van de school.' Ondanks het trauma en de mindere resultaten houdt hij aan het college een liefde voor schoonheid over. Voor proza, poëzie en beeldende kunst. Met zijn drie jaar jongere broer Dirk richt hij verschillende rockabillybandjes op. 'Ik kom uit een volks milieu, maar dankzij de jezuïeten ben ik ook een intellectueel. Ik lees boeken van Schopenhauer, Rousseau en Montaigne. Dat doet een gewone jongen uit het volk normaal niet. Die tegenstrijdigheid maakt me tot wie ik ben.' Volkscafé Het Chauffeurke, hartje Antwerpen. Met zijn vriend Jakke De Zeeman wil Guido Versmissen een mengeling van smartlappen en eigen songs brengen. Het is 1980, de mannen treden voor het eerst samen op. Al meteen bij het eerste nummer begint op de eerste rij een vrouw te huilen. 'Vol overgave zette ik de avond in met Witte Rozenvan de Zangeres Zonder Naam, een liedje over een moeder die in het kraambed sterft. Vlak voor me hoorde ik opeens een vrouw snikken. Een openbaring. Het was alsof de stem van God tot mij sprak: 'Dit is uw taak, gij zijt de uitverkorene die de verloren gegane traditie van het levenslied in ere moet herstellen.' Versmissen is nog maar pas naar Antwerpen verkast. In de Belgische Mediatheek, een uitleendienst voor muziekplaten, heeft hij als gewetensbezwaarde een baantje versierd. 'In Antwerpen kon ik het juk van de schaamte van me afgooien. Ik ontdekte er het nachtelijke leven vol plezier en avontuur. De geest van de sixties hing nog in de stad.' Jobs als tuinman, opvoeder van kansarme jongeren of barman duren nooit lang. 'Het leidde tot de breuk met mijn toenmalige vriendin. We waren vier jaar samen, zij had me New York en Parijs laten zien, maar ze was mijn gebrek aan ambitie beu. Ik vond het wel goed zoals het ging. Ik stempelde, nam af en toe een job aan, schreef liedjes. Zij wilde hogerop. Sindsdien weet ik: een gesettelde relatie, niets voor mij.' Na die breuk en de openbaring in Het Chauffeurke legt Versmissen zich hartstochtelijk op het genre van de smartlap toe. De tragiek van het gebroken hart, van de mens die is gedoemd om eenzaam te zijn wordt zijn thema. Hij trekt langs kroegen met versleten meubels en versleten mensen, duikt in het wazige leven van haven en hoeren, verandert zijn familienaam. 'De vader van een van mijn eerste lieven zong in de opera, daarom dacht ik opeens aan Belcanto. Guido Belcanto klonk best wel rock-'n-roll.' Jakke De Zeeman haakt af. Versmissen stelt een nieuwe band samen en neemt zijn eerste platen op. Met zijn liedjes over zelfmoord, prostitutie en sadomasochisme roept hij evenveel lof als weerzin op. 'Dat is nog altijd zo. Veel mensen vergeten dat mijn muziek niet alleen een ode aan het volkse leven, de nacht en de kroeg is. Er schuilt ook een diep religieus besef in. In mij zit een losbol én een monnik.' Fastforward naar het najaar van 2001. In een Italiaans hotel ontmoet Guido Belcanto wielrenner Marco Pantani. Voor het tv-programma Via Vanoudenhoven heeft Rob Vanoudenhoven de twee bij elkaar gebracht. Met trillende stem zingt Versmissen een aangepaste versie van Ti amo van Umberto Tozzi. 'Tu sei il mio eroe .''Ik was niet zomaar een supporter van Pantani, ik hield echt van die man. En ik had met hem te doen. In zijn blik zag je de tragiek en de eenzaamheid, maar tegelijk was het een mooie, breekbare jongen. Hij was duivel en engel ineen.' Als bedankje geeft Pantani de zanger een hemelsblauwe Bianchi mee naar huis. Ruim twee jaar later, op 14 februari 2004, stapt Belcanto na een optreden in zijn auto. Hij draait de radio open en verneemt in het journaal van middernacht het overlijden van zijn grote held. 'Ik heb me aan de kant gezet en ben een tijdje op de pechstrook blijven staan. Achteraf bekeken kwam Pantani's dood natuurlijk niet onverwacht. Het ging al jaren bergaf. Hij had problemen met drugs, moest zich laten opnemen, kampte met depressies. Ik kon me perfect indenken hoe hij zich op het einde van zijn leven moet hebben gevoeld.' Terug naar 1994. Belcanto is 39. Met Vlammetjes en Op het zeildoek van de botsauto's heeft hij twee radiosingles op zak. Hij wordt voor de tweede keer vader. 'Alles ging me schijnbaar voor de wind. Tot er in mijn privéleven iets gebeurde en ik in een depressie belandde. Ik ben een paar keer in de psychiatrie opgenomen, tussen de geesteszieken en drugverslaafden. Eén hoopje menselijke ellende. Ik was zelf ook een zombie, een levend lijk. Zelfs voor zelfmoord had ik te weinig energie.' Vier jaar zal de depressie duren. Al die tijd blijft Belcanto zingen. Hij moet wel, anders komt er geen brood op de plank. 'Een helse periode. Ik zat onder de medicatie en stond als een robot op het podium, zonder enig vreugdegevoel. Toch kwamen er achteraf nog dikwijls mensen zeggen dat ze het een goed optreden vonden. Dat heb ik nooit begrepen.' Dankzij medicatie en de steun van zus Hilde en goede vriendin Rita komt hij er weer bovenop. De nieuwe albums Man van lichte zeden en Koning & clochard worden warm onthaald. Hij komt uit de kast als travestiet en gaat even als Gina Divina door het leven. Ook in Nederland krijgt hij voet aan de grond. Zijn publiek verjongt. 'Bizar genoeg is het na mijn depressie alleen maar bergop gegaan. Tot op de dag van vandaag is het eigenlijk niet meer gestopt.' In 2010 krijgt hij een ster op de walk of fame van de Ancienne Belgique. Voor zijn debuutplaat Op zoek naar romantiek, een mijlpaal in de vaderlandse muziek. 'Ik lig er tussen The Scabs, Gorki en The Kids. Geen slecht gezelschap. Als ik in Brussel ben, wandel ik altijd eens door dat straatje. Vaak zie ik er honden pissen op mijn gouden ster. Dat vind ik wel een passend beeld.' Een leegstaand bordeel in de buurt van het Antwerpse Falconplein. Verkleed als vrouw neemt de 49-jarige Guido Belcanto voor het venster plaats, de grijzende haren hoog opgestoken, de lippen gestift. Aan de muren achter hem hangen erotische zelfportretten en lyrics uit zijn protestlied Ook Jezus ging naar de hoeren. 'Drie weekends lang ben ik daar gaan zitten. Om te praten met de passanten en uit onvrede met het beleid. Ik zag zoveel dingen waar ik van hield verdwijnen: kroegen, achterafstraatjes, de rosse buurt met zijn hoeren en travestieten... Alles wat een stad kleurrijk maakt, moest weg. Ik vond er mijn draai niet meer. Zeg nu zelf, wat is een stad zonder hoeren?' Na bijna dertig jaar in Antwerpen keert hij terug naar zijn geboortegrond. In de bossen van Wechelderzande, een dorp nabij Turnhout, koopt hij een houten huisje. Een voormalige eigendom van de lokale priester. 'Dat kwam ik pas achteraf te weten, alsof het zo moest zijn.' Hij leidt er een stil leven omringd door bomen, boeken en muziekinstrumenten. 'Als ik 's nachts luid piano wil spelen of overdag naakt rond wil lopen, dan kan dat allemaal. Ik slijt er als een kluizenaar mijn dagen, in een zelfgekozen ballingschap.' Enkele dagen voor ons gesprek was Guido Belcanto nog in de Pyreneeën. Samen met de jongste van zijn drie zonen beklom hij er de Aubisque, de Peyresourde en de Tourmalet. Wilde paarden flankeerden hen op weg naar boven. 'Ik heb maar van één ding spijt in mijn leven: dat ik nooit coureur ben geweest. Op de fiets ben ik gelukkig. Slechts dan word ik één met mijn omgeving en mijn gedachten.' Op 27 augustus vindt in Westouter de jaarlijkse Guido Belcanto Classic plaats, een wielerwedstrijd voor liefhebbers en vrienden. Onder meer in Balegem, Gierle, Herselt en Antwerpen zijn er optredens gepland. Vader August, moeder Maria en broer Dirk zijn al jaren dood. De man die hem aanrandde, is aangehouden en gestraft. 'Ik was lang niet zijn enige slachtoffer, bleek jaren na de feiten.' Naar landlopers en processies is het in Wortel inmiddels ver zoeken. Met dank aan UGC, Turnhout.