'Abattoir Anvers' bloklettert het roze plakkaatje dat op de voordeur hangt. Er staat ook een schaap op getekend. Eronder bevinden zich drie brievenbusgleuven. Jan Maarschalk Lemmens (26) woont duidelijk niet alleen in het pand met drie verdiepingen waar we met hem hebben afgesproken, in de Brederodewijk op het Antwerpse Zuid.
...

'Abattoir Anvers' bloklettert het roze plakkaatje dat op de voordeur hangt. Er staat ook een schaap op getekend. Eronder bevinden zich drie brievenbusgleuven. Jan Maarschalk Lemmens (26) woont duidelijk niet alleen in het pand met drie verdiepingen waar we met hem hebben afgesproken, in de Brederodewijk op het Antwerpse Zuid. Hij deelt zijn etage met gewezen StuBru-dj en De ideale wereld-sidekick Faisal Chatar, maar ook zijn producer Yello 'Yong Yello' Staelens, zijn artworkontwerper Iljen Put, zijn jeugdvriend en klassiek pianist Pieter Fivez en zijn huisfotograaf Thor 'Junior Eurosong 2006' Salden zijn hier gehuisvest. 'The lost boys', zal Lemmens hen tijdens ons gesprek noemen. Al is het, naast eenzaamheid, toch vooral creativiteit wat hen bindt, en hen er onlangs zelfs toe bracht een multidisciplinair collectief op te richten. Abattoir Anvers, dus. Waarom het zestal precies voor die naam en voor dat schaap als mascotte heeft gekozen, komen we pas te weten eens we voorbij het schilderatelier en de toekomstige opnamestudio op het gelijkvloers zijn gewandeld. Dan bereiken we het achterhuis, dat volledig betegeld is met een felblauwe, Marokkaanse steen. Het fungeert nu als een soort clubhuis voor Glints - we treffen er onder meer het bad aan dat Lemmens vol limonade liet lopen voor de clip bij zijn vorige single Lemonade Money - maar was oorspronkelijk iets heel anders. Of zo wordt toch duidelijk wanneer Lemmens naar de drie lichtjes verroeste oude kettingen wijst die aan het plafond en aan de muren bengelen. 'Daar hebben ooit nog dieren aan gehangen', zegt hij. 'Dit is een oud halalslachthuis.' *** Het eerste wapenfeit van Abattoir Anvers zal Choirboy zijn, na de ep's Glints (2015) en Burgundy (2016) en bijdragen aan werk van The Subs en Warhola het échte debuut van Glints, de rapper die alleen al vanwege zijn Britse tongval klinkt zoals geen enkele andere in het Engels rijmende rapper uit ons land klinkt. Op Choirboy vertelt Jan Maarschalk Lemmens bloedeerlijk het relaas van zijn afgelopen twee levensjaren - ludduvuddu, bad trips, angstaanvallen en financiële perikelen - én keert hij, zoals de titel al doet vermoeden, terug naar zijn eerste stapjes in de muziek. Als koorknaap. Jan Maarschalk Lemmens: Ik was een hyperkinetisch kind dat veel lawaai maakte, en zingen hoorde daar ook bij. (lacht) Mijn ouders hebben, op mijn vaders uitgebreide platencollectie vol dad rock en mijn moeders interesse in klassiek na, niet echt iets met muziek. Het zijn mijn tante en oom, een pianolerares en een componist, die mijn zangtalent ontdekt hebben, en me aanspoorden auditie te gaan doen bij het kinderkoor van Opera Ballet Vlaanderen. Ik was acht toen ik toegelaten werd en heb er een jaar of vier bij gezeten. En toen werd ik buitengezet. Waarom? Lemmens: Het is een vrij rigide wereld, je moet daar echt wel in de pas lopen. Dat is mijn ding niet. Ik ben nooit een kwaadaardige gast geweest, maar met autoriteit kon ik moeilijk om. 'De haan in het hoenderhok', noemde de koorleider mij. (lacht) Na de laatste voorstelling van een bepaald stuk kwam hij naar me toe en zei: 'We zullen uw diensten niet meer nodig hebben.' Nu ben ik daar sowieso altijd heel erg als een volwassene behandeld geweest, maar die uitspraak maakte toch wel indruk op de twaalfjarige jongen die ik toen was. Oké, op een bepaald moment was ik meer geïnteresseerd in de meisjes dan in het zingen zelf, maar verder heb ik bij dat koor vooral veel geléérd. Ergens zie ik het nog altijd als de essentie van wat ik doe. Ik had het zelf eerst niet door, maar op elke track van mijn plaat is een koor te horen, waarvoor ik soms tot zestig verschillende stemmen heb ingezongen. Het is een terugkerend stijlelement, dat dus duidelijk in mijn manier van schrijven is geslopen, die sowieso niet die van een standaardrapper is. Daarom is Choirboy de albumtitel geworden. En ook wel omdat het heel erg on-hiphop klinkt. (lacht)Hoe is het van koorknaap naar rapper gegaan? Lemmens: Dat gaat terug naar het Limewire-tijdperk - je weet wel, die tijd waarin iedereen zijn computer aids gaf door veel te veel te downloaden. (lacht) Ik luisterde toen naar eclectische indiemuziek, zoals Radiohead, Sigur Rós, Mount Kimbie en James Blake, maar ook Flying Lotus en DJ Shadow. Van hen is het maar een kleine stap naar hiphop. Kanye West is sowieso belangrijk geweest. Ik was een early adopter van hem, samen met twee vrienden van de middelbare school. Er was wel meer Amerikaanse hiphop die ik cool vond, maar het universum van 50 Cent of The Game was niet het mijne. Ik voel me niet verwant met gangsterrap, en omdat ik er nog nooit was en ben geweest, wist ik ook niet wat Amerika precies was. Ik zag het hooguit als een concept. Wat Groot-Brittannië is, wat Londen is, dát wist ik wel heel goed. Logisch ook, daar kwam ik elk jaar. En dus voelde ik nog meer voor de muziek die daar gemaakt werd. Je ging met de kerst naar Londen omdat je familie hebt wonen in het nabijgelegen Guildford, toch? Lemmens: Ja. Ik heb een half-Britse neef van mijn leeftijd, Sam. Hij heeft altijd in België gewoond, maar sprak thuis Engels met zijn moeder en had grootouders in Guildford. Toen ik mijn beide grootouders verloren had, zijn Sams grandma en grandpa mijn surrogaatgrootouders geworden. Van toen we dertien, veertien jaar waren, namen wij dus elk jaar in de kerstperiode de Eurostar naar ginder. Achteraf gezien is het insane dat dat zomaar mocht, want we gingen dan wel bij grandma en grandpa slapen, overdag hingen we non-stop met z'n tweeën rond in Londen. Ik voelde me echt aangetrokken tot die cultuur en die hiphop. The Streets, de vroege grime van Kano: daar had ik veel meer een klik mee dan mijn vrienden. Het was niets 'gemeenschappelijks', zoals Kanye, maar iets van míj. Iets dat ik zelf kon aspireren ook, want Mike Skinner rapte niet over gangstershit. Hij had het over uitgaan, een pita halen en ruziemaken met zijn lief in de zetel. Doordeweekse dingen, kortom. Voor een jongen die niet van de straat komt en geen rags to riches-verhaal te vertellen heeft, was dat natuurlijk heel herkenbaar. Enter Glints? Lemmens: Ik zat al met mijn jeugdvrienden in een bandje, maar eigenlijk zocht ik mensen die samen met mij hiphop wilden maken. In Mathias Bervoets, lange tijd mijn vaste gitarist, en Jergan Callebaut, producer en lid van VRWRK, vond ik de perfecte sparringpartners. Met hen heb ik de eerste twee Glints-ep's gemaakt, die ik live bracht met een band. Die ep's verschilden heel erg van elkaar. De eerste was koud en elektronisch, de tweede warm en soulvol. Die bipolariteit zit nu eenmaal in mij. Zolang het geen schizofrenie wordt, vind ik dat oké. (lacht) *** Toen we Glints in 2016 spraken, ten tijde van zijn tweede ep Burgundy, was dat samen met de Britse rapster-schrijfster Kate Tempest. De reden voor dat dubbelgesprek lag voor de hand: net als Tempest had Glints een diploma Engelse letterkunde op zak, en maakte hij het soort brithop dat bulkte van de poëzie en de literaire referenties. Sirens, een van de vroege Glints-songs, was zelfs losjes gebaseerd op Ulysses van James Joyce. Twee jaar later, in 2018, werd er van dat alles geen spaander heel gelaten. Niet alleen was de liveband van Glints niet meer te bespeuren, zijn tegen r&b aanschurkende hiphop had ook plaats geruimd voor bijwijlen beenharde grime en trap. En geletterde Glints? Die was ineens onverbloemd beginnen te rappen over zijn uit de hand gelopen nachtelijke excessen. Je hoeft maar één woord te kennen om die ommekeer te snappen: Bugatti. Bugatti is tot op heden je succesvolste nummer. Het luidde een nieuw hoofdstuk in voor Glints. Zie jij dat zelf ook als de sleuteltrack? Lemmens: Ja, en de oorzaak voor die kentering hoef je niet ver te zoeken: shit hit the fan. (lacht) Na de tweede ep is er van alles misgelopen in mijn leven. Het was gedaan met mijn vriendin met wie ik samenwoonde. Het ging niet goed met mijn manager. En de nieuwe richting die ik met mijn muziek wilde inslaan, strookte niet meer met die van de groep, waardoor onze wegen zijn gescheiden. Dat was moeilijk. In één klap waren alle zekerheden in mijn leven weg, alle vaste structuren. Ik voelde me verloren. Net dan leerde ik Yong Yello kennen, een Antwerpenaar uit de kliek van het hiphoplabel Eigen Makelij, waarvan ik alles checkte toen ik jong was. Het klikte meteen tussen ons. We zijn samen de studio ingedoken, en daar is al snel Bugatti uit voortgekomen. Daarin verstop ik me inderdaad niet meer achter dat poëtische, verbloemende taalgebruik van weleer, maar zeg ik gewoon letterlijk: 'Ik ga fucking slecht door een bad trip.' Dat was enorm bevrijdend. Die trip, of er zo open over kunnen zijn? Lemmens: (lacht) Het tweede, want als het al niet goed met je gaat, werken drugs vaak niet. In elk geval: de respons op Bugatti was vrij overweldigend. Diezelfde zomer nog mocht ik op Rock Werchter spelen. Dat was mijn tweede soloshow ooit, al meteen voor vijftienduizend man. Het circus was vertrokken. Dan is de verleiding natuurlijk groot om nog méér Bugatti's te gaan maken. (grijnst) Maar zo zit ik niet in elkaar. Je bent wel even open en persoonlijk blijven schrijven. Fear, je single met Dvtch Norris, is daar het beste bewijs van. Die gaat over de angststoornis waarmee je al sinds je tienerjaren kampt. Lemmens: Ja. Op mijn veertiende of vijftiende gebeurde het voor het eerst. Ik was aan het fietsen, en ineens voelde ik mijn armen niet meer. Het leek alsof mijn geest op een bepaalde manier de verbinding met mijn lichaam verbrak, dat ik mezelf niet meer was. Het was het ergste, het raarste, het meest fucked-up gevoel dat ik ooit had gehad. Ik dacht dat het na een nachtje slaap wel weg zou zijn, maar de volgende ochtend overkwam het me wéér. Op de momenten dat ik het heb, voel ik me compleet geïsoleerd en is het heel moeilijk om met anderen te communiceren. Naar mezelf kijken in de spiegel is dan ook heel lastig. Soms zijn het niet alleen mijn armen, maar ook mijn gezicht en mijn hals die gevoelloos worden. En het gaat dus gepaard met angstaanvallen. Dan denk je echt wel dat je gek aan het worden bent. Vandaar dat ik het lange tijd niet tegen mijn moeder heb durven te vertellen, want ja, wat moest ik zeggen? 'Hey ma, ik ben zot aan het worden?' Op een bepaald moment heb ik het wel aan een vriend toevertrouwd, en die bleek er toevallig ook aan te lijden. Hij gaf het ding een naam: de depersonalisatie-derealisatiestoornis. Dat heeft me geholpen om erover te praten. Zélfs in een song. Lemmens: Ja. Dread, een nummer uit mijn eerste ep, ging er ook al over, zij het een pak minder expliciet dan nu. Daar had met name mijn moeder het wel moeilijk mee. Wat ik snap. Zelf heb ik ook getwijfeld, tot een uur voor de release. Fear is een paniekaanval in muziekvorm, hè. Maar de reacties waren talrijk, blijkbaar heeft mijn nummer toch behoorlijk wat mensen geholpen. Dat ik voor sommigen heb kunnen doen wat die ene vriend destijds voor mij heeft gedaan, vind ik megaschoon. En belangrijk, want er is vandaag echt wel een mentaal gezondheidsprobleem bij jongeren. Heb je nog weleens last van angstaanvallen? Lemmens: Intussen zijn we tien, elf jaar verder en heb ik een manier gevonden om ermee om te gaan. Als het opspeelt, weet ik hoe ik het onder controle moet krijgen. Maar het komt al een stuk minder voor dan vroeger. Ik heb er zelfs al een volle maand niet meer aan gedacht, wat een goed teken is. Ik ben er echt wel sterker door geworden, denk ik. Nu kom ik over als een soort superheld, zeker? (lacht) 'It's not a disability, it's a superpower!'Wiens 'face and ways' had je liever niet gehad, te oordelen naar de Martha Da'ro-collab Family Tree die op de plaat staat? Lemmens: Ik ben altijd gefascineerd geweest door genetica, in welke mate je genen al bijna bepalen wie je later zal worden. Tegen wil en dank op iemand lijken die jou of iemand uit jouw nabijheid veel pijn heeft gedaan, daar gaat dat nummer over. In het geval van Martha is dat haar vader, in mijn geval mijn grootvader zaliger. Mij heeft hij altijd goed behandeld, maar hij heeft mijn vader in de steek gelaten toen die nog heel jong was. Net als mijn grootmoeder. Toen zij ziek was, heeft hij haar laten zitten voor een vrouw die een paar straten verder woonde. En die vrouw van een paar straten verder heeft hij vervolgens laten zitten voor nóg een andere vrouw van een paar straten verder. Met jobs was het net hetzelfde. Brandweer, ambulancier, tekenaar, visser: hij is het allemaal geweest. Elke keer kwam er wel iets nieuws op zijn pad dat hij als zijn roeping zag, en elke keer moest hij daar het beste gereedschap voor hebben. Blijkbaar lijk ik dus als twee druppels water op hem, zowel fysiek als qua persoonlijkheid. In die mate dat mijn vader me 'vokke' noemde als ik weer eens de asshole aan het uithangen was. (lacht) Ik ben geen asshole. Wat ik wel herken, is die vastberadenheid om te zeggen: 'Dít is wat ik ga doen', en dat dan tot in het extreme na te jagen, ook al is het een financieel risico en moet ik er ondanks mijn universitair diploma voor bijklussen in een kledingwinkel of een café. Nog een geluk dat er maar één ding is waar ik echt uitgesproken goed in ben. (lacht)Het is niet al kommer en kwel op Choirboy. Het album eindigt zelfs op een vrolijke noot: jij die een nieuwe thuis vindt, samen met de vrienden met wie je hier nu samenhokt. Lemmens: Ja. Pieter Fivez en ik zijn al beste vrienden van toen we twaalf waren. Iljen was altijd al mijn artworkman, en Thor ook al lang mijn vaste fotograaf. Later heb ik Yello leren kennen, met wie ik voortdurend in de studio zat en die vaker wel dan niet bij mij op de sofa bleef slapen. En dan is er nog Faisal, met wie we ook goed overeenkwamen. Het grappige is dat we ons alle zes in dezelfde situatie bevonden op het moment dat we elkaar ontmoet hebben, we hadden dezelfde gemoedstoestand. Wij waren the lost boys, allemaal op onze eigen manier ongelukkig, allemaal om verschillende redenen. Dat heeft ons nog harder bij elkaar gebracht, en ons uiteindelijk de stap doen zetten om samen te hokken, een soort alternatieve familie te stichten. 'Move on, move out', zoals ik het in Moving Day zing. En dat heeft uiteindelijk dus ook tot het collectief Abattoir Anvers geleid. Wat is daar eigenlijk de precieze opzet van? Lemmens: Iedereen in de muziek is naar Brussel aan het trekken. (zucht) Wij willen met Abattoir Anvers helemaal geen agressief statement maken of zo, maar we hebben wel zoiets van: nee, hier doen we niet aan mee. Ik bén ook gewoon geen Zwangere Guy. Ook al vind ik zijn muziek heel cool, ik doe iets anders. Hetzelfde met Yello. Hij maakt Nederlandstalige hiphop, maar het klinkt als Frans chanson. En zo doen we allemaal ons eigen ding, creëren we allemaal ons eigen universum met onze eigen visie. Wij zijn de weird kids. Omdat we altijd al gefascineerd zijn geweest door collectieven als Odd Future en Brockhampton, en omdat mensen nu eenmaal graag een naam en een idee hebben, zijn we onszelf Abattoir Anvers gaan noemen. Feestjes organiseren, foto-expo's houden, een podcast maken of een magazine drukken: op termijn kunnen we onder die noemer doen whatever the fuck we willen. Maar in essentie is Abattoir Anvers een stempel. Een ideologie. Een keurmerk. Zoals dat van de keurslagers die vroeger in dit slachthuis hebben gezeten. (lacht)