Krakend tilt de lift ons hoog in de klokkentoren van het Gentse belfort.
...

Krakend tilt de lift ons hoog in de klokkentoren van het Gentse belfort. 'Hier was hij dus, 252 jaar geleden?' 'Ja,' zeg ik, 'met papa Leopold. Hij speelde een riedeltje op deze beiaard. En diezelfde dag, 4 september 1765, liep Wolfgang Amadeus Mozart naar de Baudeloabdij hier verderop, waar hij op het orgel speelde.' Fulco Ottervanger lijkt wat aangedaan. Je zou het niet verwachten van een Nederlands-Gentse jazzpianist van 33, maar dit middeleeuwse monument is een beetje zijn plek geworden. Als nieuwe Gentse stadscomponist schreef hij een muziekje voor de beiaard. Waar andere jonge jazzbands de brug slaan met het rockpubliek - denk aan Nordmann op Pukkelpop, en de opvallende programmering van de AB dit seizoen - plooit Ottervanger zowel met zijn band De Beren Gieren als solo terug op ambachtelijkheid. Het nieuwe album van de Beren, Dug Out Skyscrapers, klinkt opvallend volwassen maar de songtitels zijn klassieke, geinige Fulco: Broensgebuzze 9! De belofte treurwals! En dan hebben we het nog niet eens over zijn groepsnamen gehad. 'Ik hou van kapotte taal', vertelde hij tijdens ons allereerste interview, intussen vijf jaar geleden. Bij momenten lijkt hij recht uit een boek van Roald Dahl te komen. Fulco Ottervanger, de Kleine Vriendelijke Reus, neemt ons vreemd genoeg mee naar een bonbonnière van een koffiehuis met metershoge achttiende-eeuwse portretten tegen de wanden. Samen Sachertorte eten zonder je te generen om de chocolade die op je tanden blijft zitten: 'Schrans-smikkelie-zalig!' Waarom wilde je in hemelsnaam hier afspreken? Fulco Ottervanger: Het is een wereldje binnen de wereld, een geïsoleerd plekje. Ik raak steeds meer gefascineerd door geschiedenis. Vroeger ging dat tot de jaren 1960, nu schuif ik stilaan naar Napoleons tijd. Hoe ouder ik word, hoe dichterbij de geschiedenis lijkt te komen. Neem nu een stuk schrijven voor een beiaard. Ik had een oude melodie, Apollinisch, uit het eerste album van De Beren Gieren. De mythische connotatie van klokken trekt me erg aan. Ik wilde een rustpunt voor de stad maken, en daar was deze melodie erg geschikt voor. Ik legde ze voor aan de beiaardier, en toen hebben we er nog flink aan gesleuteld: een heleboel dingen bleken technisch niet te kunnen op een beiaard. Een dubbel octaaf klinkt bijvoorbeeld erg vals. Of twee korte noten na elkaar, dat lukt ook niet altijd omdat het hamertje niet snel genoeg heen en weer kan. Je voelt dat de mechaniek oud en een beetje kapot is. Net goed: het dwong me om het stuk verder uit te puren. Ik denk ook wel dat ze bij de stadsdiensten graag een melodieus stukje hadden. Oorspronkelijk zat er een heel explosief onderdeel in - brrffflllmmbbaram! -, maar toen voelde ik al: dit gaat verkeerd. Daar valt een klok van de trap! (lacht) Het gekke is: ik woon in het oude centrum, en ik hoor vaak mijn eigen liedje. Het heeft even geduurd voor ik dat gewend was. Je voorgangers-stadscomponisten waren niet van de minsten. Peter Vermeersch, Dick van der Harst en An Pierlé gingen je voor. Ottervanger: Gent doet echt zijn stinkende best. Alleen al het feit dat er een stadscomponist bestáát, zegt veel over de stad. Ik vond het best een eer. Ik denk dat ze me hebben gekozen omdat ik soms een beetje flirt met de mainstream maar toch een brug kan zijn naar raardere, zoekende muziek. Ik heb iets geschreven voor Record Store Day. We hebben hier 1-2-3 piano, waarbij overal in de stad piano's worden achtergelaten. Ik ben al een paar keer met een piano op een fiets door de stad gereden. Ik denk er ook aan om iets te doen voor de 25 wijken van de stad. En laatst was ik in een lege silo in de haven. Die heeft een galm van vijftien seconden, daar kun je hele bijzondere muziek in maken. Leuke, ludieke, Gentse dingen vind ik dat. Wat maakt iets Gents voor jou? Ottervanger: Iedereen erbij willen betrekken - die sociale reflex leeft nog altijd in deze stad. Kleinschaligheid. Dingen máken. Openstaan voor kunst. Wijlen Jan Hoet, de bezieler van het SMAK, zei het al: 'Ik verwacht niet dat iedereen in Gent nu snapt wat hedendaagse kunst is, maar we kunnen niet meer doen alsof ze niet bestaat.' Ottervanger: Precies! Dat vat het helemaal samen. Kunst wordt hier (proeft het woord) gecultiveerd. Vroeger was het altijd een beetje lachen met De Beren Gieren, er viel altijd wel een klok van de trap. De nieuwe plaat klinkt veel donkerder. Ottervanger: Mijn donkere kant laat zich steeds vaker zien tijdens het schrijven. En we voelen in de band alle drie aan dat er in donkere muziek meer te vertellen valt. Muziek die alléén maar blij is, is niet zo leuk om naar te luisteren. Dan wordt het al snel kitsch. Nu, we hebben er wel over gewaakt dat er ook iets lichtere composities tussen zitten. Zelfs bínnen een stuk durven we de boel helemaal om te gooien. Luister maar naar Voorlopige dagen, een lange compositie die even heel spacey wordt. Het klinkt heel bewerkt, maar ook dat werd live opgenomen. Jij komt uit dezelfde lichting als Lander Gyselinck van Stuff, Bert Dockx van Dans Dans, Nathan Daems van Black Flower. Allemaal mensen die aan het jazzconservatorium gestudeerd hebben, maar geen zin hebben om klassieke jazz te spelen. Ottervanger: Gek, hè. Waarom is de bebop, die is ontstaan tijdens de Tweede Wereldoorlog, zo lang de dominante stijl in de jazz gebleven? Waarom is dat - met alle respect voor die grote muzikanten en met dank voor het genot dat ze ons bezorgen - nog steeds de norm aan de conservatoria? Terwijl jazz net is: je niet vastklampen aan het verleden. Onze leraren waren nog de generatie die zwoer bij standards. Samen met de mensen die je daar noemt, kom ik uit de eerste generatie die zich daartegen af begon te zetten. Dat heeft bij De Beren Gieren zeker meegespeeld. Begin jaren 2000 voelde je een breuk in de muziekscene. De krautrock kwam bijvoorbeeld weer opzetten, artiesten als Aphex Twin passeerden, er werd niet meer neergekeken op pop. Plots begonnen de genres door elkaar te lopen, heel post-postmodern allemaal. Onze referentiepunten zijn ook anders. Mijn generatie groeide op met de rockplaten van haar ouders. Wij hebben de hele Woodstockcultus meegekregen. We kregen waarden mee zoals karakter en vibe en de bereidheid om te experimenteren. Hier komt een theorietje: het succes van jazzbands op grote festivals komt voort uit het succes van EDM. Dance heeft jongeren weer naar de instrumentale muziek gelokt. Ottervanger: Juist! Dat is een goeie. Je voelde dat ook met groepen als Tortoise. Nordmann veroverde Pukkelpop, en Dans Dans werd in de armen gesloten op Jazz Middelheim. Maar het blijft een beetje triest dat die doorbraak van de 'nieuwe jazz' werd ingezet door lui als BadBadNotGood: een stelletje gesjeesde jazzstudenten. Ottervanger: Ja, zo gaat dat. Hetzelfde zie je bij GoGo Penguin: vind ik ook niet zo goed maar ze trekken wel volle zalen. Als je wat verder teruggaat in de tijd, kom je uit bij de minimalistische instrumentale muziek van Steve Reich. Eigenlijk was dat ook een beetje pop, en hij verkocht miljoenen platen. Repetitieve muziek werkt altijd. Dans Dans heeft ook zo'n kantje, maar op een coole manier. Even gewoon lékker durven te zijn. Dat wil ik met De Beren Gieren ook. Toen ik begin de twintig was, wilde ik vooral moeilijke dingen schrijven. Dat is niet langer mijn zoektocht. Als ik de Belgische jazzscene overschouw, krijg ik altijd het gevoel dat jij aan de rand van het veld staat toe te kijken. Herken je je in die buitenstaandersrol? Ottervanger: Ik vind dat leuk om te horen. Maar denkt niet iedereen dat van zichzelf? Dat gezegd, het lukt me niet zo goed om even mee te spelen, om sideman te zijn. Ik ben een maker. Ik wil zelf iets creëren. Ik vind de dingen al snel niet goed genoeg - een mens mag al eens een beetje zaniken op z'n tijd. De Beren Gieren is je kindje. Maar BeraadGeslagen, je improvisatieduo met drummer Lander Gyselinck, wordt groter en groter. Wil je dat wel? Ottervanger: Het moet een experimenteel hobbygroepje blijven. Dat wordt moeilijker, want we worden steeds vaker gevraagd en op onze optredens zit het altijd helemaal vol. Dan kom je al snel in de verleiding om alleen maar groovy te spelen en de rare, cabareteske stukken achterwege te laten. Zoals mijn lief het zei: je moet niet te veel de sfeermaker willen worden. Ik wil met BeraadGeslagen blijven knutselen. Volgend jaar komt er een plaat van. Jullie lijken op het podium wel een aflevering van Kreatief met kurk. Ottervanger: Hoo, de tijd van Theo en Thea. Mijn helden. Het houdt niet op, hè, wat er allemaal gemaakt is aan mooie dingen? Ook Stadt, de band van je drummer Simon Segers, begint goed te draaien. Ottervanger: We zijn nu de derde plaat aan het opnemen. Het idee was om de liveopnames te filmen - anders moet je achteraf nog clips verzinnen. We hebben vijf nummers opgenomen in het Amerikaans Theater in Brussel, een oude studio van de VRT aan het Atomium. De sfeer was heel vreemd. Het Theater staat leeg, het is in handen van Antikraak, je voelt dat de tv daar kort geleden nog leefde, maar het verval is al ingetreden. De camera beweegt zich door de gangen, waar figuranten van alles doen in een loop. Alles in één take, zoals in de film Russian Ark van Aleksandr Sokoerov. En tussendoor schrijf ik aan een stuk voor De Beren Gieren met het Symfonieorkest van Vlaanderen. Het is een, euh, leerzaam project. Het wordt een antwoord op Dodeneiland van Sergej Rachmaninov. Mijn versie wordt het Eiland van het Leven. Ik schrijf voor een stuk of negentig muzikanten. Af en toe mail ik een vraag naar mijn oude leraar compositie: 'Kán een fagot wel spelen wat ik hier schrijf?' Soms vind ik deze opdracht een beetje te veel van het goeie. Het is té. Maar ik doe het wel. En het zal cool zijn, en De Beren zullen er heel veel energie in stoppen. Volgens mij heb jij het steinerschoolsyndroom: je gemoed schiet vol bij het zien van een mooi gemaakte tafelpoot. Ottervanger: Ja. En dat wordt alleen maar groter naarmate ik meer over geschiedenis lees. Moet je hier rondkijken, naar die lambrisering! Ik kén dat woord nog maar een jaar. Mijn liefde voor iets wat verzorgd gemaakt is, voor ambachtelijk werk, is groot. Zelfs al ben ik zelf niet zo vriendelijk voor materie, om niet te zeggen: een beetje lomp. Als ik vakmensen aan het werk zie, kan ik me soms heel schuldig voelen. Wat kán ik in godsnaam, denk ik dan. Precies daarom kijk ik vol bewondering naar romanschrijvers en filmmakers. Zegt een van de interessantste componisten van dit land. Ottervanger: (verlegen) Ik maak natuurlijk ook dingen, maar die lijken altijd zo onaf. Je streeft toch altijd naar iets iconisch. (nadrukkelijk in de bandopnemer) Maar ik ben heel erg blij met de nieuwe van De Beren Gieren.