'Je moet maar eens met een naam als 'Cornand' aan eten proberen te raken. Je zult 's avonds chips eten. Gegarandeerd', zegt gitarist en Knack-journalist Bart Cornand wanneer we hem naar zijn moniker vragen. En dus bestelt hij al dertig jaar pizza's onder de naam 'Conrad'. Dat het lijkt op de naam van het allereerste groepje van Bowie, The Konrads, is mooi meegenomen.
...

'Je moet maar eens met een naam als 'Cornand' aan eten proberen te raken. Je zult 's avonds chips eten. Gegarandeerd', zegt gitarist en Knack-journalist Bart Cornand wanneer we hem naar zijn moniker vragen. En dus bestelt hij al dertig jaar pizza's onder de naam 'Conrad'. Dat het lijkt op de naam van het allereerste groepje van Bowie, The Konrads, is mooi meegenomen.Het was niet Bowie maar Toots 'Mr. Bop Chops' Thielemans die de muziekjournalist het meest heeft bewogen. In 2001 zat hij na een toevallige ontmoeting met Thielemans' manager plots op het vliegtuig naar New York. Hij zou er Toots volgen in de Blue Note-Jazzclub. 'Jouw muziek en de mijne liggen niet op elkaar, maar heel dicht naast elkaar', vertrouwde Thielemans hem toe toen hij in een New Yorkse gitaarwinkel met klamme handen en onder lichte dwang toonde wat hij in zijn mars had. Later volgden er wat bandjes - vaak met de naam Conrad - en een soundtrack voor Cathérine Ongenaes kortfilm Wilding, maar aan solowerk waagde Bart Cornand zich nog een lange tijd niet. Tot nu.Waarom komt die eerste single er nu pas? Of, zoals je het zelf mooi stelt: wat bezielt een mens om na zijn veertigste te debuteren?Bart Cornand: Simpel: omdat ik twintig jaar lang niet het gevoel had dat ik iets te vertellen had. Eigenlijk was het voor mij kiezen of ik een boek of een plaat zou uitbrengen. Alleen: je moet wel iets te zeggen hebben, en het moet verdorie goed zijn.Je bent al jaren aan het werk als jazzrecensent en gitarist. Hoe hoog ligt de lat?Cornand: Ik durf wel eens streng te zijn in mijn recensies, en daarmee heb ik het mezelf moeilijk gemaakt (lacht). Al ben ik met de jaren minder hard geworden. Het is heel verraderlijk om scherp te willen zijn vanwege het plezier om scherp te zijn. Herman de Coninck zei ooit over literatuurkritiek: 'Er komt zo veel moois uit, waarom zou je de plaats in je blad vergooien aan negatieve recensies?' Intussen huldig ik dat idee al jaren.The Marollian Man, de eerste single van je ep Songs of Hope and Grit,gaat over Toots Thielemans. Na twintig jaar nadenken over wat je te vertellen hebt, kom je uit bij het verhaal van iemand anders.Cornand: Daar lag de oplossing, ja. Ik heb Toots goed gekend, we waren vrienden tot aan zijn dood. In 2001 kon ik met hem mee naar New York. En toen boorden twee vliegtuigen zich in de Twin Towers. Ik dacht dat alles geannuleerd zou worden. Maar Toots was een trots Amerikaans staatsburger, hij wou zijn stad zien. Dus namen we het eerste vliegtuig van Sabena naar de Verenigde Staten. Ik had het geluk dat Toots bijzonder kwiek was voor iemand van 79 en me een hele week op sleeptouw nam. Hij toonde me waar hij Duke Ellington ooit had ontmoet, we gingen samen gitaren testen en hij stelde me voor aan een hoop muzikanten. De reis werd een keerpunt in mijn leven.Desondanks had je nooit de verleiding om alles en iedereen achter te laten en als muzikant naar een ander continent te verhuizen, zoals Toots als twintiger gedaan heeft.Cornand: Nee, een mens doet er goed aan zijn beperkingen te kennen. Ik zal wel eens een roman schrijven in New York. Wil je daar alsjeblief '(lacht)' achter zetten? Hij was een monument in de jazzgeschiedenis, jij een jonge journalist. Je zou voor minder klamme handen krijgen.Cornand: Ja, en toch. Toots leek wel mijn grootvader, we hadden een warme band. Als we samen iets gingen eten, gaf hij me zijn spinazie: 'Hier jong, goed voor de spijsvertering.' (grinnikt) Maar hij voelde ook wel dat ik mijn huiswerk over jazzgeschiedenis had gemaakt. (denkt na) Ik had alleen maar bewondering voor hem. We onderschatten hoe goed hij wel was. Om je een idee te geven: eind jaren veertig had Toots wiskunde gestudeerd in Brussel, maar hij was gezakt. Hij besliste dan maar muzikant te worden en naar New York te trekken, om er met zijn grote helden van de bebop, Charlie Parker en Dizzy Gillespie, te spelen. Alsof je zelf zou beslissen om mee te spelen in de finale van de Champions League. En het lukt nog ook! Daarover gaat The Marollian Man.Wanneer besefte je dat je wel degelijk iets te vertellen had?Cornand: Dat weet ik nog heel goed: ik zat in de tuin de biografie van Levon Helm, de drummer van The Band, te lezen. Hij schreef over het boerenleven, de burgeroorlog en migratie. De onderwerpen van de eerste twee platen van The Band, dus. 'Het is makkelijk om nummers te schrijven als je dat soort verhalen ter beschikking hebt', dacht ik hardop. Ik was altijd al erg geïnteresseerd in verhalen over migratie, over de reizende mens. In de Amerikaanse geschiedenis en de muziek van het begin van de 20e eeuw.Maar toen keek ik rond en besefte ik dat mijn familiegeschiedenis niet zo gek veel anders is dan waar Helm over schreef. Mijn grootvader heeft gevochten in de oorlog, en een deel van mijn familie is uit miserie naar de Verenigde Staten verhuisd. Toen ben ik stukken en brokken beginnen op te schrijven. Het vreemde verhaal van mijn oom die de timmerman van Frank Sinatra werd, bijvoorbeeld. Dat moet uiteindelijk de ep Songs of Hope and Grit worden: verhalen over doorbijten en durven te springen. Zoals jij nu doet, met je debuut. Ik had half verwacht dat je je aan de mondharmonica zou wagen.Cornand: Nee. Al heb ik het ooit wel geprobeerd. Ik bakte er niets van. Chromatische harmonica, zoals die van Toots, is een notoir moeilijk instrument om te bespelen.Nog zo'n berucht instrument is de pedalsteelgitaar, wat Bart Vervaeck (Compro Oro, Echoes of Zoo) op je single speelt. Ook de andere muzikanten rond je zijn niet de minsten: bassist Nic Thys was jarenlang deel van de New Yorkse jazzscene. Net zoals Dré Pallemaerts, die ook nog eens hoofd is van de drumafdeling van het conservatorium van Parijs. Hoe kreeg je je droomband bij elkaar?Cornand: 'Als je het dan toch doet, trek dan je stoute schoenen aan', dacht ik. En dus mailde ik naar Toots' ritmesectie. Dré en Nic zeiden allebei binnen het uur ja. 'Ik voel een New Orleansbeat, maar een beetje meer naar het westen, richting Houston', zei Dré toen hij mijn demo hoorde. Ik kon wel huilen van geluk. Die mensen zijn wereldtop. De eerste momenten in de studio waren dan ook best griezelig.Zoals Toots zei: 'Be yourself. No more, no less.' Meer kan je niet doen, zwetend naast je helden in de studio.Cornand: Toots zei dat heel vaak, en hij meende het ook echt: hij wist wat hij waard was. Hij was geen opschepper, of iemand die iets experimenteels wou doen in de hoop daar een jonger publiek mee te bereiken. Die gedachte is tijdens het maken van The Marollian Man de leidraad geweest. 'Bart, pretendeer nu niet dat je een jazzmens bent', dacht ik. 'Als journalist en muziekliefhebber ja, maar om het te spelen?' Jazz is een heel groot stuk van mijn leven, maar ik luister sinds mijn veertiende ook veel naar blues en country. En dat kan ik wél spelen.Welke tip heb je voor muzikanten die, net zoals jij, hun debuut uitstellen uit angst voor een leeg blad?Cornand: Niemand verwacht een meesterwerk. Zet je bagage aan de kant en begin.