'Jongen ontmoet meisje, maar hun liefde is verboden. Hun kind blijkt over bijzondere talenten te beschikken.' Het zou een onderhoudende weekendfilm kunnen zijn. Daarbij vergeleken is het leven van Alex Koo (30) een Netflixserie. Vandaag geeft hij met de single Nebula een voorschot op zijn nieuwe album, Identified Flying Object. Alweer met internationale kleppers: Ralph Alessi op trompet en Attila Gyarfas op drums. Maar wij wilden natuurlijk eerst meer weten over dat love child.

Je moeder is een Japanse, maar je groeide op in Waregem. Dat kan tellen als cultuurschok.

Alex Koo: Mijn West-Vlaamse vader heeft lang in Japan gewoond. Om een lang verhaal kort te maken: hij was een priester, werd in de jaren zeventig als missionaris uitgestuurd en... is verliefd geworden. Dat is natuurlijk een heel gedoe geweest, en mijn vader is uiteindelijk uit de kerk gestapt. Thuis in Waregem waren we een heel muzikaal gezin. Mijn beide broers werden concertviolist. En mijn moeder heeft me vanaf mijn vijfde piano leren spelen.

Op je tiende won je de eerste van een hele reeks muzikale prijzen. Mag ik je een wonderkind noemen?

Koo: Dat nu ook weer niet. Mijn moeder merkte al gauw dat ik heel snel vooruitgang maakte, waardoor ze me al na enkele maanden op privéles stuurde. Vandaar ging ik naar de muziekschool en het conservatorium van Kortrijk. Ik ben dus opgegroeid in de wereld van de klassieke muziek.

Welke plaat heeft dan de deur naar de jazz geopend?

Koo: (snel) Soul Station van saxofonist Hank Mobley. Toen ik een jaar of veertien was, werd ik gebeten van de jazz. Ik hoorde hier en daar wat freejazz, de bebop van Charlie Parker ook, maar op dat moment was dat net iets te complex voor me. En toen kwam Mobley. Zo eerlijk, zulke mooie melodieën, en het swingde als de pest! Toen wist ik: ik wil niet langer stukjes van andere mensen spelen. En dan biedt de jazz je het meest ruimte. Die kwaliteiten in het werk van Mobley zijn nog altijd een leidraad voor me. Er wordt in de jazz soms te veel geïntellectualiseerd, het moeilijke framework lijkt wel een doel op zich. Voor mij is jazz natuurlijk een kunstvorm, maar vooral een ambacht. Ik wil een goeie kok zijn, een verfijnde bakker, zonder te willen vertrekken van 'iets ongezien ingewikkelds'. Als ik me verder kan ontwikkelen, zal ik wel bij iets nieuws uitkomen. Die weg lijkt me oprechter.

Hank Mobley klonk zo eerlijk, met zulke mooie melodieën, en het swingde! Toen wist ik: ik wil niet langer stukjes van andere mensen spelen.

Van Kortrijk ging je naar de conservatoria van Amsterdam, Kopenhagen en New York. Dat is op zich al indrukwekkend, maar jij hebt het geschopt tot jazzdocent aan New York University. Toch een béétje wonderkind, dan?

Koo: (lacht) Ik heb geluk gehad. Ik had een toelatingsaanvraag naar NYU gestuurd, met een paar filmpjes van me. Dankzij Vlaamse en Nederlandse beurzen kon ik het hoge inschrijvingsgeld betalen, maar het dagelijkse leven in New York is natuurlijk ook ontzettend duur, dus ik had een probleem. Toen kwam het bericht: 'Zou u bereid zijn om les te geven in onze bachelorafdeling?' Ik schrok me rot. Op maandag en dinsdag gaf ik les, en de andere dagen kon ik heel breed kiezen uit masteropleidingen. Filmmuziek en klassieke compositie, bijvoorbeeld, maar ik had net zo goed iets van de faculteit rechten mogen volgen. Pittig, hoor. Strenge docenten, elke week een nieuwe taak. Niet zo erg als in de film Whiplash, maar wel hard. Een heerlijke tijd.

Vorig jaar maakte je met je derde album, Appleblueseagreen, een grote sprong. Met trompettist Ralph Alessi en tenorist Mark Turner had je de crème van New York achter je. Wat opvalt: ook tenorist Robin Verheyen speelt met hen. Wat trekt die New Yorkse kleppers zo aan in Belgische muzikanten? Hebben jullie een aparte muzikale tongval?

Koo: Belgen en Amerikanen hebben een vergelijkbare nonchalance. Die intellectualisering en berekening waarover we het hadden: veel Amerikanen willen daar ook niet van weten. Doe wat je leuk vindt. Dat herkenden we in elkaar. Daarnaast zijn Robin en ik mensen die morsen met energie, en daar houdt iemand als Ralph wel van. Goesting, daar draait het om.

Je haalde ook de eindejaarslijst van het vakblad Downbeat, dat je album 'stunningly original' noemde. Je zou van minder verkrampen als je aan een opvolger begint.

Koo: Helemaal niet. Dat artikel voelde als een bevrijding. Met zulke druk kan ik heel goed om. Wanneer ik speel met mensen naar wie ik opkijk, voel ik géén zenuwen. Nul. Integendeel, ik mail of bel ze gewoon: 'Zin om te spelen?' Voor mij is dat geen druk maar een kans: iets uitproberen, en hopen dat ik ooit op hun niveau kan raken. Wat ik wél moeilijk vind, is de muziekbusinesskant van de zaak. Hoe krijg ik mijn verhaal verteld en krijg ik het bij een groot publiek - daar ben ik minder goed in.

Bram De Looze is een grote inspiratie. Wat zeg ik, ik aanbid hem een beetje.

In volle covidcrisis loste je plots het album Kimono Garden op Spotify. Hoe kreeg je dat voor elkaar?

Koo: Na Appleblueseagreen had ik nog een paar ideeën die on hold stonden, losse composities waarvoor ik elektronica en beats gebruikte. Tijdens de lockdown had ik plots alle tijd om alles samen te brengen. Het leek me leuk om een album te hebben waarop ik alles zelf heb ingespeeld, dus werd ik componist-pianist-drummer-mixer-producer. Het is een beetje uit de hand gelopen. (lacht)

De nieuwe plaat, Identified Flying Object, is in september opgenomen in Lochristi, of all places. Ik wilde een plaat opnemen zoals drummer Paul Motian: binnenstappen in een studio om elf uur, en om halfeen buitenstappen met een afgewerkt album onder je arm. Dat is niet helemaal gelukt, maar het scheelde niet veel. Eén dag om op te stellen en de composities eens te bekijken, en tegen het eind van de tweede dag stond alles erop. Deze plaat klinkt heel anders dan de vorige. Ja, er zijn mooie composities, maar ook veel improvisatie en soundscapes. Zonder ingecalculeerde climaxen, maar heel natuurlijk.

De eerste single, Nebula, vat de toon van de plaat zowat samen.

Koo: Precies. Het gaat over de beroemde Hubble-foto van de Pillars of Creation. Het nummer lijkt te zweven in de ruimte, maar af en toe schieten er pieken uit - net zoals bij die ruimtenevel. Pilaren van sterrenstof en fonkelende reflecties: daar gaat het stuk over. De lage akkoorden zijn de zwevende fundering, de melodie speelt met dissonantie, met enkele pieken en golven. Dat contrast tussen melodie en soundscaping loopt als een rode draad door het hele album.

Dit is een headphone record. Onder de pure piano- en trompetlijnen hoor je vaak spookachtige elektronica. Is ook dat live opgenomen?

Koo: (trots) Ja, behalve op één track. De elektronica is ongeveer fifty-fifty van mijzelf en van Attila, de drummer. Hij gebruikt zijn gong-cimbaal als een soort synth. Daarnaast maak ik met samples een extra klanklaag.

Hoe kijk jij naar de nieuwe lichting Belgische jazzbands? Stilistisch gaapt er een kloof tussen jou en al die groovebands. Jij staat dichter bij...

Koo: (onmiddellijk) Bram De Looze!

Precies.

Koo: Bram is waanzinnig. We zijn goeie vrienden - en buren! Hij is een grote inspiratie. Wat zeg ik, ik aanbid hem een beetje. Ik ga graag naar zijn concerten, want dan voel ik van alles tegelijk. Dan ben ik wat nerveus, maar ook heel opgeladen. Ik wil altijd snel naar huis om te gaan oefenen. Niet dat we concurrenten zijn, maar als hij met iets cools komt, voel ik me wat op mijn plaats gezet.

Ik zie inderdaad heel wat Vlaamse rockjazzgroepen voorbijkomen, die ik als luisteraar wel heel cool vind, maar waar ik mij - als pianist - stilistisch minder in kan vinden. Er is ruimte nodig in het klankspectrum als je de piano tot haar recht wilt laten komen. En ik wil kunnen spelen met de timing, daar draait voor mij alles rond. Daarna komen sound, harmonie en vocabulaire. Maar timing is de heilige graal. Alleen, als je dat tegenwoordig hardop durft te zeggen, noemen ze je een jazznazi.

Welkom in mijn wereld.

Koo: (op dreef) Terwijl het zo simpel is. Neem blues, jazz, country of techno: het draait om frictie, om achteroverleunen en pushen. Het innerlijke ritme van de mens, dat wil ik horen.

Bekijk hier de liveclip van Nebula:

Identified Flying Object verschijnt op 08/01 op WERF.

'Jongen ontmoet meisje, maar hun liefde is verboden. Hun kind blijkt over bijzondere talenten te beschikken.' Het zou een onderhoudende weekendfilm kunnen zijn. Daarbij vergeleken is het leven van Alex Koo (30) een Netflixserie. Vandaag geeft hij met de single Nebula een voorschot op zijn nieuwe album, Identified Flying Object. Alweer met internationale kleppers: Ralph Alessi op trompet en Attila Gyarfas op drums. Maar wij wilden natuurlijk eerst meer weten over dat love child.Je moeder is een Japanse, maar je groeide op in Waregem. Dat kan tellen als cultuurschok.Alex Koo: Mijn West-Vlaamse vader heeft lang in Japan gewoond. Om een lang verhaal kort te maken: hij was een priester, werd in de jaren zeventig als missionaris uitgestuurd en... is verliefd geworden. Dat is natuurlijk een heel gedoe geweest, en mijn vader is uiteindelijk uit de kerk gestapt. Thuis in Waregem waren we een heel muzikaal gezin. Mijn beide broers werden concertviolist. En mijn moeder heeft me vanaf mijn vijfde piano leren spelen. Op je tiende won je de eerste van een hele reeks muzikale prijzen. Mag ik je een wonderkind noemen?Koo: Dat nu ook weer niet. Mijn moeder merkte al gauw dat ik heel snel vooruitgang maakte, waardoor ze me al na enkele maanden op privéles stuurde. Vandaar ging ik naar de muziekschool en het conservatorium van Kortrijk. Ik ben dus opgegroeid in de wereld van de klassieke muziek. Welke plaat heeft dan de deur naar de jazz geopend?Koo: (snel) Soul Station van saxofonist Hank Mobley. Toen ik een jaar of veertien was, werd ik gebeten van de jazz. Ik hoorde hier en daar wat freejazz, de bebop van Charlie Parker ook, maar op dat moment was dat net iets te complex voor me. En toen kwam Mobley. Zo eerlijk, zulke mooie melodieën, en het swingde als de pest! Toen wist ik: ik wil niet langer stukjes van andere mensen spelen. En dan biedt de jazz je het meest ruimte. Die kwaliteiten in het werk van Mobley zijn nog altijd een leidraad voor me. Er wordt in de jazz soms te veel geïntellectualiseerd, het moeilijke framework lijkt wel een doel op zich. Voor mij is jazz natuurlijk een kunstvorm, maar vooral een ambacht. Ik wil een goeie kok zijn, een verfijnde bakker, zonder te willen vertrekken van 'iets ongezien ingewikkelds'. Als ik me verder kan ontwikkelen, zal ik wel bij iets nieuws uitkomen. Die weg lijkt me oprechter.Van Kortrijk ging je naar de conservatoria van Amsterdam, Kopenhagen en New York. Dat is op zich al indrukwekkend, maar jij hebt het geschopt tot jazzdocent aan New York University. Toch een béétje wonderkind, dan?Koo: (lacht) Ik heb geluk gehad. Ik had een toelatingsaanvraag naar NYU gestuurd, met een paar filmpjes van me. Dankzij Vlaamse en Nederlandse beurzen kon ik het hoge inschrijvingsgeld betalen, maar het dagelijkse leven in New York is natuurlijk ook ontzettend duur, dus ik had een probleem. Toen kwam het bericht: 'Zou u bereid zijn om les te geven in onze bachelorafdeling?' Ik schrok me rot. Op maandag en dinsdag gaf ik les, en de andere dagen kon ik heel breed kiezen uit masteropleidingen. Filmmuziek en klassieke compositie, bijvoorbeeld, maar ik had net zo goed iets van de faculteit rechten mogen volgen. Pittig, hoor. Strenge docenten, elke week een nieuwe taak. Niet zo erg als in de film Whiplash, maar wel hard. Een heerlijke tijd. Vorig jaar maakte je met je derde album, Appleblueseagreen, een grote sprong. Met trompettist Ralph Alessi en tenorist Mark Turner had je de crème van New York achter je. Wat opvalt: ook tenorist Robin Verheyen speelt met hen. Wat trekt die New Yorkse kleppers zo aan in Belgische muzikanten? Hebben jullie een aparte muzikale tongval?Koo: Belgen en Amerikanen hebben een vergelijkbare nonchalance. Die intellectualisering en berekening waarover we het hadden: veel Amerikanen willen daar ook niet van weten. Doe wat je leuk vindt. Dat herkenden we in elkaar. Daarnaast zijn Robin en ik mensen die morsen met energie, en daar houdt iemand als Ralph wel van. Goesting, daar draait het om.Je haalde ook de eindejaarslijst van het vakblad Downbeat, dat je album 'stunningly original' noemde. Je zou van minder verkrampen als je aan een opvolger begint. Koo: Helemaal niet. Dat artikel voelde als een bevrijding. Met zulke druk kan ik heel goed om. Wanneer ik speel met mensen naar wie ik opkijk, voel ik géén zenuwen. Nul. Integendeel, ik mail of bel ze gewoon: 'Zin om te spelen?' Voor mij is dat geen druk maar een kans: iets uitproberen, en hopen dat ik ooit op hun niveau kan raken. Wat ik wél moeilijk vind, is de muziekbusinesskant van de zaak. Hoe krijg ik mijn verhaal verteld en krijg ik het bij een groot publiek - daar ben ik minder goed in.In volle covidcrisis loste je plots het album Kimono Garden op Spotify. Hoe kreeg je dat voor elkaar?Koo: Na Appleblueseagreen had ik nog een paar ideeën die on hold stonden, losse composities waarvoor ik elektronica en beats gebruikte. Tijdens de lockdown had ik plots alle tijd om alles samen te brengen. Het leek me leuk om een album te hebben waarop ik alles zelf heb ingespeeld, dus werd ik componist-pianist-drummer-mixer-producer. Het is een beetje uit de hand gelopen. (lacht) De nieuwe plaat, Identified Flying Object, is in september opgenomen in Lochristi, of all places. Ik wilde een plaat opnemen zoals drummer Paul Motian: binnenstappen in een studio om elf uur, en om halfeen buitenstappen met een afgewerkt album onder je arm. Dat is niet helemaal gelukt, maar het scheelde niet veel. Eén dag om op te stellen en de composities eens te bekijken, en tegen het eind van de tweede dag stond alles erop. Deze plaat klinkt heel anders dan de vorige. Ja, er zijn mooie composities, maar ook veel improvisatie en soundscapes. Zonder ingecalculeerde climaxen, maar heel natuurlijk. De eerste single, Nebula, vat de toon van de plaat zowat samen. Koo: Precies. Het gaat over de beroemde Hubble-foto van de Pillars of Creation. Het nummer lijkt te zweven in de ruimte, maar af en toe schieten er pieken uit - net zoals bij die ruimtenevel. Pilaren van sterrenstof en fonkelende reflecties: daar gaat het stuk over. De lage akkoorden zijn de zwevende fundering, de melodie speelt met dissonantie, met enkele pieken en golven. Dat contrast tussen melodie en soundscaping loopt als een rode draad door het hele album. Dit is een headphone record. Onder de pure piano- en trompetlijnen hoor je vaak spookachtige elektronica. Is ook dat live opgenomen? Koo: (trots) Ja, behalve op één track. De elektronica is ongeveer fifty-fifty van mijzelf en van Attila, de drummer. Hij gebruikt zijn gong-cimbaal als een soort synth. Daarnaast maak ik met samples een extra klanklaag.Hoe kijk jij naar de nieuwe lichting Belgische jazzbands? Stilistisch gaapt er een kloof tussen jou en al die groovebands. Jij staat dichter bij...Koo: (onmiddellijk) Bram De Looze!Precies. Koo: Bram is waanzinnig. We zijn goeie vrienden - en buren! Hij is een grote inspiratie. Wat zeg ik, ik aanbid hem een beetje. Ik ga graag naar zijn concerten, want dan voel ik van alles tegelijk. Dan ben ik wat nerveus, maar ook heel opgeladen. Ik wil altijd snel naar huis om te gaan oefenen. Niet dat we concurrenten zijn, maar als hij met iets cools komt, voel ik me wat op mijn plaats gezet. Ik zie inderdaad heel wat Vlaamse rockjazzgroepen voorbijkomen, die ik als luisteraar wel heel cool vind, maar waar ik mij - als pianist - stilistisch minder in kan vinden. Er is ruimte nodig in het klankspectrum als je de piano tot haar recht wilt laten komen. En ik wil kunnen spelen met de timing, daar draait voor mij alles rond. Daarna komen sound, harmonie en vocabulaire. Maar timing is de heilige graal. Alleen, als je dat tegenwoordig hardop durft te zeggen, noemen ze je een jazznazi. Welkom in mijn wereld. Koo: (op dreef) Terwijl het zo simpel is. Neem blues, jazz, country of techno: het draait om frictie, om achteroverleunen en pushen. Het innerlijke ritme van de mens, dat wil ik horen.Bekijk hier de liveclip van Nebula: