We schreven het begin dit jaar al: gospel wordt een trend in 2016. Nog geen maand later lanceerde Kanye West The Life of Pablo als een 'gospelalbum'. Vooral de eerste twee songs op Kanye's zevende, Ultralight Beam en Father Stretch My Hands, baden in een zegenende sfeer. In die twee songs herkent men de hand, en de stem, van Kanye's jonge apostel: Chancelor Bennett, oftewel Chance the Rapper.
...

We schreven het begin dit jaar al: gospel wordt een trend in 2016. Nog geen maand later lanceerde Kanye West The Life of Pablo als een 'gospelalbum'. Vooral de eerste twee songs op Kanye's zevende, Ultralight Beam en Father Stretch My Hands, baden in een zegenende sfeer. In die twee songs herkent men de hand, en de stem, van Kanye's jonge apostel: Chancelor Bennett, oftewel Chance the Rapper. Het gaat voor de jongen uit Chicago verbazend goed vooruit sinds hij drie jaar geleden, op 20-jarige leeftijd, met zijn tweede mixtape Acid Rap de lofbetuigingen opstapelde. Hij mocht op schoot bij tante Madonna (voor haar album Rebel Heart), werd vriendjes met James Blake, zong mee op een single van Justin Bieber en mocht dus samenwerken met zijn idool, de belangrijkste man ter wereld, Kanye West. O ja, er was ook die audiëntie bij president Obama, vorige maand. En hij werd papa. 'Seems like blessings keep falling in my lap', stelt Bennett vast in Blessings, een van de ingetogen momenten op Coloring Book. Hij laat er geen twijfel over bestaan: 'When the praises go up, the blessings come down.' Looft de Heer en gij zult er de vruchten van plukken. 'Music is all we got / So we might as well give it all we got', klinkt het in de openingstrack, samen met Kanye en een kinderkoor. Chance preekt, maar is geen halve heilige. Het triomfantelijke No Problem is een opgestoken middenvinger - gospel en vloeken, het kan - naar de gulzige muziekindustrie. 'This is my blessing / This is my passion / School of hard knocks / I took night classes', klopt hij zich op de borst. Vaste begeleidingsband The Social Experiment zorgt voor trompetgeschal, orgelklanken en organische r&b met vleugeltjes. Enkel All Night springt uit de band, met dansbeats van Kaytranada. Chicago is tenslotte ook waar de wieg van de housemuziek stond. 'I don't make songs for free, I make them for freedom' - community, daar draait het om bij Chance the Rapper. Even bevlogen maar minder militant dan Kendrick, even openhartig maar meer down to earth dan Kanye. Er zit toekomst in zijn muziek. Na zes jaar afwezigheid toch even het geheugen opfrissen: Holy Fuck is een kwartet uit Toronto dat weigert te beslissen of het nu een groovende noiserockgroep dan wel een tegendraadse electronicaband moet zijn. Die vruchtbare schizofrenie leidt op vierde plaat Congrats tot vrij dansbare, met slagkrachtige Chemical-beats aangezette deunen, waarbij grimmige maar ophitsende new-wave- en punkinvloeden doorlopend pittige prikken uitdelen. Neem House of Glass, waarvoor men wellicht even de knieschijf uit de kom moet leggen: dat dendert op een potpourri van steeldrums, hiphopbreaks, discodub en brullende electro-erupties. Ook Acidic draagt een vreemd soort apocalyptische euforie uit. Vergeet onbesuisde probeersels zoals paarse regeringen: er bestaan wel degelijk paradoxen waarop men bouwen kan. 'It's not enough, it's never enough', kirt Jessy Lanza in Never Enough, een discominiatuurtje op haar tweede album Oh No. De Canadese is thuis in de cirkel rond het duo Junior Boys, waarvan de helft, Jeremy Greenspan, net als op haar debuut Pull My Hair Back (2013) voor de productie tekent. Greenspan tovert minimalistische synthpop, flarden acid house, en nineties-r&b uit zijn muziekdoos, Lanza zweeft er met haar hoge kopstem doorheen en voert ons mee naar slaapkamers waar kleine meisjesharten geteisterd worden door grote dromen, simpele wensen en nachtelijke zorgen. Een met helium gevulde microkosmos achter gesloten gordijnen waar nooit iets voldoende is. Dus dansen maar, op weg naar méér. Zondag 29/5 deelt Lanza haar hypermoderne pop op het Big Next Weekend in Gent. Werp haar een hartje toe. Zoals het wel meer goden betaamt, heeft Eric Clapton (71) de verwezenlijkingen waarvoor men hem is gaan aanbidden naderhand als een barse stiefvader bejegend. Snijdende, technisch hoogstaande gitaarsoli, weliswaar ontsproten aan alle emotie die de blues uit hem perste: de voorbije decennia is dat vuur nog maar sporadisch opgelaaid. I Still Do zwemt in dezelfde rimpelloze poel die zijn discografie de jongste decennia heeft weerspiegeld. 'I just keep playing my song / Hoping that I get along', zingt hij in Spiral, een van de weinige originals tussen de vele (brave) covers. Maar af en toe - misschien door soul, gospel en cajuntrekzakken toe te laten of te suggereren dat een Harrison (George dan wel zoon Dhani) mystery guest vocals bijdraagt - levert hij zijn puurste gitaarspel in lange tijd af.