...

Ha, u dacht dat uw humane verontwaardiging genoeg was afgestompt om dagelijks Het Journaal te kunnen ondergaan en vervolgens doodgemoedereerd voor Thuis te blijven zitten. Komt daar wel niet zo'n beteuterd kijkende artiest langs die u uit volle borst een geweten wil schoppen of anderszins uw humeur wil verpesten. Die in zijn songteksten per se lelijke begrippen zoals 'terrorism', 'child molesters', 'pornography', 'executions' of 'virus' moet laten vallen, zaken die u liever wegdenkt in de harde werkelijkheid, parlementaire werkgroepen of krantencolumns die u toch niet leest. Anohni is zo'n artiest. Anowie? Gewoon de nieuwe naam die Antony Hegarty, ooit boegbeeld van The Johnsons, heeft aangenomen, een pakket met vrouwelijke voornaamwoorden en al. Dus: op haar nieuwe (eerste, zo u wilt) plaat buigt ze sterk af van de kamerpop van weleer. Hopelessness is een samenwerking met Hudson Mohawke en Oneohtrix Point Never, producers in de elektronische voorhoede. Want hun muzikale taal leent zich beter tot de verklanking van politiek-ecologische toorn dan de sierlijke piano en strijkers op pakweg I Am A Bird Now (2005). En reken maar dat de twee techneuten van het machinale lied alles uit hun respectieve kastjes halen. Zoals in de daverende beats van 4 Degrees, de doemsfeer in Obama of de vele synths die uit een of andere pompeuze openingsceremonie lijken gesampled. Ondanks die soms wat dreinerige kilte is empathie de rode draad. Anohni laat mislukte klimaatconferenties, de onvervulde belofte na acht jaar Obama en oorlogvoering met drones keihard binnenkomen. Eerst bij zichzelf en vervolgens bij al wie horen wil. Vandaar de keuze voor een onverbloemde, prozaïsche schrijfstijl, die ze met haar bewogen stem gelukkig alsnog naar een artistiek niveau tilt. Want hoe nobel en gemeend Anohni's engagement ook is, binnen de context van een popsong komt het vaak star en zwart-wit over. Hoe meer ze daarvan afwijkt, hoe beter. Naast het monotone Obama biedt de ouderwetse breakup-song I Don't Love You Anymore bijvoorbeeld een palet van kleuren. De wanhoop, de woede, het ijsberen door de kamer, het eerste het dichtste voorwerp tot blutsen of scherven herleiden: het zijn toch veeleer díé emotionele evocaties die je van dit trio in de toekomst nog wilt horen. Heikel, die politiek. Die hangende handjes op de hoes, die melodramatische pop binnenin: wil Londenaar Thomas Cohen de stoel van Rufus Wainwright inpikken, nu die van Judy Garland naar het bezingen van Shakespeare is overgeschakeld? Vooroordelen, alweer. Cohen was getrouwd met Peaches Geldof, dochter van, toen die twee jaar geleden op haar vijfentwintigste aan een overdosis heroïne bezweek. Vier maanden later trok hij voor het eerst naar een IJslandse chalet, op de vlucht voor de boulevardpers, om zijn leven als weduwnaar, vader van twee zonen en beginnende soloartiest - Cohen zat ooit in doomrockgroepje S.C.U.M. - op de sporen te krijgen. Bloom Forever is een emotioneel onomfloerste plaat ('Why weren't her eyes covered and closed?'), golvend van geluk naar rouw naar hoop, die fans van Richard Hawley zal behagen. An Pierlé naast een kerkorgel, voor sommigen is dat statige ernst in het kwadraat. Toegegeven, Arches, deels opgenomen in de Gentse Sint-Jacobskerk, overkoepelt een zekere intellectuele gezwollenheid. Toch staat de plaat nog enkelhoog in de pop. Compacte, langoureuze melodieën vormen de ruggengraat van de meeste liedjes, meer nog dan het nadrukkelijke, onkerkelijke spel van orgelspeler Karel De Wilde - die zijn diensten met al even wereldlijke spoed zou moeten aanbieden aan slowcoregroep numero uno, Low. Voor haar veelzijdige, zuivere zang putte Pierlé uit emoties als 'liefde, onrust, verontwaardiging en kwaadheid'. Maar wie gewoon synthpop uit orgelpijpen wil horen komen (The Road is Burning), of door een minimalistische wolk van weemoed wil schrijden (Birds Love Wires), wordt evengoed bediend. Nog voor Brusselaar Frederic 'Lyenn' Jacques bassist werd in Dans Dans en de Mark Lanegan Band, was hij al een vaste waarde in het jazz- en improvisatiemilieu, en werkte hij in New York samen met Marc Ribot aan zijn debuutplaat. Nadat zijn persoonlijke leven in zwaar weer was beland, zocht ook hij loutering in IJsland. Het haast sacrale Slow Healer laat zich perfect samenvatten door zijn songtitels: In Reveries, Fading, Keep It Still, Vaguely Lit. In zichzelf gekeerde muziek waarbij het instrumentarium - voornamelijk akoestische gitaar maar ook bas, piano en eenvoudige, op slowcore ingestelde drums - volop meehuivert. Lyenn zingt, prevelt, zucht als een zwaar aangeslagen Tim Buckley. Details fonkelen kortstondig: frenetieke ambient, koortsige koorzang, een ijle folkmelodie. Een plaat die om een gewijde stilte vraagt.