Wie twaalf solo-elpees in dertien jaar tijd uitbrengt, en er daarnaast nog een lange rits zijprojecten op nahoudt, zit duidelijk niet graag stil. Volgens de 33-jarige Ty Segall zelf is er niks ongewoons aan zijn hoge productiviteitsratio: 'Een tiental songs per jaar, zo gek is dat toch niet?', zei hij drie jaar geleden in Knack Focus. 'Ik maak geen zot ingewikkelde progrock, of vreemde Aphex Twin-achtige dingen. Het is maar rock-'n-roll, daar hoef je niet raar of moeilijk over te doen'. Geen speld tussen te krijgen. Maar hoe begín je aan zo'n omvangrijk oeuvre?
...

Wie twaalf solo-elpees in dertien jaar tijd uitbrengt, en er daarnaast nog een lange rits zijprojecten op nahoudt, zit duidelijk niet graag stil. Volgens de 33-jarige Ty Segall zelf is er niks ongewoons aan zijn hoge productiviteitsratio: 'Een tiental songs per jaar, zo gek is dat toch niet?', zei hij drie jaar geleden in Knack Focus. 'Ik maak geen zot ingewikkelde progrock, of vreemde Aphex Twin-achtige dingen. Het is maar rock-'n-roll, daar hoef je niet raar of moeilijk over te doen'. Geen speld tussen te krijgen. Maar hoe begín je aan zo'n omvangrijk oeuvre?Een goede kennismaking met Ty Segall kan gewoon met naam en toenaam. Niet te verwarren met zijn eveneens titelloze debuut uit 2008, overigens, want op zijn tiende album demonstreert Segall zijn complete waaier aan invloeden en kunnen in volle glorie. Er zijn de gebalde garagerockopstootjes zoals Freedom en Thank You, Mr. K. Er zijn loodzware rifffestijnen als The Only One en Break A Guitar. Ingetogen, folky momenten met Talkin' en Orange Color Queen, en één, zich over meer dan tien minuten ontspinnende, freewheelende jam, Warm Hands (Freedom Returned). Ty Segall werd live opgenomen, met legendarisch producer/engineer Steve Albini aan de knoppen, en volgens Pitchfork voelde de plaat 'als een sampler van wat hij het voorbije halve decennium allemaal heeft uitgevreten'. Wie hier dus geen klik voelt met de blonde gitaargod van de garagerockscene in San Francisco kan zichzelf een verdere verkenning van zijn discografie besparen. Grote, commerciële potten heeft Ty Segall nooit gebroken. Zijn gitaargeweld is te grillig, te excentriek, te eigenwijs om zich met de groten in het rockpantheon te meten. Van deze jongen hoeven Foo Fighters of Kings of Leon geen concurrentie te vrezen. Ook miste hij compleet de boot van de garagerockrevival begin jaren 2000: debuteren deed Segall pas in 2008, een jaar na het zesde en laatste album van The White Stripes. Toch scoorde hij in 2014 zijn eerste, bescheiden succesje in de albumhitlijsten: Manipulator schopte het tot plek 73 in Engeland, 60 in Vlaanderen, en 43 in de VS. De verklaring? Misschien het feit dat Segall tegen z'n gewoonte in ruimschoots de tijd heeft genomen: een jaar schaven aan songs, een maand bivakkeren in de opnamestudio. 'Ruim genoeg om er strijkers bij te betrekken, het popgehalte tot persoonlijke recordhoogte te drijven', schreef onze man (K.B.) destijds. 'De paddenstoelen komen van Hawkwind, de koortjes van The Beatles, en de gitaarsolo's buigen nederig voor het schrijn van Jimi Hendrix'. 'The cleanest, shiniest glam rock record', noemde hij zelf de opzet van z'n zevende langspeler. In 2011, na drie albums van ongefilterde, lo-fi garagerock en uit elk gewricht rammelende punkrockminiatuurtjes op obscure labels, tekent Ty Segall in 2010 bij het 'grote' indielabel Drag City, stal van Joanna Newsom, Bonnie 'Prince' Billy, en Bill Callahan. En dat huwelijk zorgt blijkbaar voor een opstoot aan inspiratie. In 2012 schudt Segall drie verschillende langspelers uit z'n losse pols: het soloalbum Twins, de tandemplaat Hair met zielsbroeder Tim 'White Fence' Presley, en Slaughterhouse, het eerste en voorlopig enige album dat verschijnt onder de naam Ty Segall Band. 'Gnarly, bones-for-drumsticks, broken-beer-bottle-wielding stuff', volgens de BBC, 'evil space rock', volgens de man zelf. Ranzig razen zonder de rem op, daarvoor bent u hier aan het juiste adres. En solo's, veel gitaarsolo's. 'Wanneer mensen beweren dat gitaren of het volume van je versterker er niet toe doen, dan denk ik: nee, fuck you! Het tast nog altijd mijn spieren aan, het verandert mijn brein, het verandert míj!', sprak Segall drie jaar geleden. Slaughterhouse illustreert perfect dat gevoel. Dit is gewoon blik op oneindig rocken en rollen zonder steunwieltjes, steil bergaf Black Sabbath en The Cramps achterna, lachend de afgrond tegemoet. Niks meer, niks minder. Niks gewonnen, maar vooral niks verloren. En die cover van rock-'n-rollpionier Bo Diddley, Diddy Wah Diddy, is het equivalent van drie, snel achterover gekapte cappuccino's.Gitaarheld, schreven we? Eigenlijk waren de drums het eerste instrument van Ty Segall, die er mee begon op z'n tiende. Fuzz is de band waarin hij z'n eerste liefde bedrijft, samen met Charles Moothart (zang/gitaar, en lid van Segalls vaste liveband) en Roland Cosio (bas). Een powertrio pur sang. 'Heavy metal, hard rock', staat er genoteerd op hun Wikipediapagina. Vergeet de beklemmende, metalige charme van de garage, dit is whiplashmuziek met versterkers op elf en de benen wijd open. Splijtende riffs waar je tegenwoordig mee naar schaliegas kan boren. De meest behaarde, speeksel in het rond lebberende, primitieve gedaante waarin oerrocker Ty Segall zichzelf toont. Drie langspelers hebben Fuzz intussen op hun conto, maar we nomineren de eerste voor die spetterende drumsolo van Segall in Loose Structures. 'Post-apocalyptisch', volgens Consequence of Sound. 'Segall hasn't made a more radioactive rock record in years', besloten ze destijds hun oordeel. Wie Ty Segall zegt kan niet om Thee Oh Sees heen. Bezieler en enige vaste bandlid John Dwyer was de eerste om de jonge Segall een kans te geven op zijn labeltje Castle Face, nadat hij in San Francisco getuige was van één van diens onemanshows. Op Orc viert Dwyer het twintigste jubileum van z'n groep, voor de gelegenheid zonder Thee in hun naam, en na nog maar eens een personeelswissel. Segall zit bij wijze van wederdienst voor z'n mentor aan de knoppen, en tekent dus mee voor de spacey progrocksound waarin Oh Sees zich af en toe vrijwillig in verloren fietst.Er zijn wel meer bands in de gitaarkosmos die om Ty Segall heen cirkelen die de moeite waard zijn - Wand, bijvoorbeeld, psychrockers uit LA die hij tekende op z'n labeltje God? Records. Maar in Oh Sees zitten zowel z'n roots in nijdige rammelpunk als zijn latere veelzijdigheid en avontuurlijkheid vervat. Segall's meest recente wapenfeit was trouwens een lockdowntussendoortje: zes covers van sixtiesicoon Harry Nilsson, uit z'n album Nilsschon Schmilson (1971). Segall Smeagol heet de ep, gratis te downloaden via Bandcamp. En veel dieper kan je Ty Segall voorlopig niet draaien.