Scandinavië boven, gisteren in de AB. Terwijl de Zweedse hardcoreheethoofden van Refused de grote zaal bestormden, was het in de AB Club - een van de vijf concertzalen waar FiftyFifty twee dagen lang laboratorium mag houden - aan de Noren van Orions Belte. Die groep bestaat, net als de échte Gordel van Orion, uit drie sterren - of toch drie fijnbesnorde hipsters in hawaihemdjes die weten hoe je een gitaar of drumstick vasthoudt.
...

Scandinavië boven, gisteren in de AB. Terwijl de Zweedse hardcoreheethoofden van Refused de grote zaal bestormden, was het in de AB Club - een van de vijf concertzalen waar FiftyFifty twee dagen lang laboratorium mag houden - aan de Noren van Orions Belte. Die groep bestaat, net als de échte Gordel van Orion, uit drie sterren - of toch drie fijnbesnorde hipsters in hawaihemdjes die weten hoe je een gitaar of drumstick vasthoudt. Ze waren niet veel van zegs in de AB, en al helemaal niet veel van zings, maar dit grotendeels instrumentale combo rolde wél een weids, veelkleurig en sfeervol klanktapijt uit, één dat soms aan Nigeriaanse seventiesblues refereerde, en dan weer naar surfrock, americana of psychrock neigde. Én naar hiphop, want het hoogtepunt van hun set was een stevig groovende cover van Ghostface Killahs Cherchez la Ghost. Rare instrumentale wereldmuziek voor hipsters, hebben we dat onlangs niet nóg gehoord? Yep, Orions Belte heeft wel wat gemeen met Khruangbin, het Texaanse hipstersnoepje uit 2018. Al bewijzen songs als Atlantic Surfing en Joe Frazier dat de Noren de gitaren toch nog nét iets breder durven laten uitwaaieren. Een fjord van een show, goed voor minstens drie sterren! In het Brusselse café L'Archiduc mocht Erika De Casier de debatten openen. De Deense profileerde zich dit jaar met haar debuutalbum Essentials als een zelfbewuste nineties kid die de erfenis van jaren naar MTV kijken combineert met een neus voor wat vandaag werkt op popgebied. Concreet resulteert dat in trap-achtige beats, gecombineerd met de sounds die u van TLC, R. Kelly en andere gladjanussen kent: klavecimbelriedels uit een doosje, gitaren met nylon snaren en bar chimes, zo'n reeks belletjes die trrrrrrrrrrrr doet aan het begin van elk refrein. Die belletjes waren samen met een shaker het enige analoge instrument dat ze mee naar Brussel nam. Voor de rest toverde haar percussionist alles uit een drumpad, een laptop en twee elektronische pedalen. Soms klonk dat opvallend rijp en volwassen, maar meer dan eens viel het ook te licht uit. De Casier zelf begon timide aan haar set, maar putte moed uit de enthousiaste reacties van haar kleine publiek. Je zag haar groeien tijdens sterke songs als single Do My Thing en Space, dat De Casier volgens ons perfect had kunnen verpatsen aan Jennifer Lopez. Hier is nog werk aan, maar zoals dat ging in de nineties verwedden we er graag duizend frank op dat we van deze jongedame nog gaan horen. Recht naar de Bonnefooi dan, waar de Susobrino nog rustig aan de toog zijn pintje stond leeg te drinken. Op zijn dooie gemak gordde de jonge Belgische elektronica-artiest zijn charango om, een soort gitaar met een spuuglelijk oranje touw eraan, en tokkelde hij zijn set mijmerend op gang. Vervolgens ging hij aan de spacy synths, echode hij zijn eigen stem recht het koninkrijk der hemelen in en kruidde hij alles af met een likje fluit. Dapper om zo minutenlang in het ijle te blijven hangen voor een bomvol café.Of er ook nog wat gebeurde? En of! Bart Van Obbergen Pérez, zoals Susobrino echt heet, gooide er de beuk in met het volkse La Marcha, nog altijd de ideale generiek voor als de Colombiaanse openbare omroep ooit een remake van Kulderzipken zou willen maken. Van toen af was het finaal gedaan met de rust: Susobrino zette niet enkel zichzelf aan het werk in zijn laboratorium vol instrumenten en elektronica, maar vaardigde ook een dwingend verzoekschrift uit aan uw dansbenen. Eentje dat u graag inwilligde, ook al betekent dat in de krappe Bonnefooi wringen, passen en meten. We hoorden cumbia en wat echo's van reggaeton, maar het was vooral het virtuoze gitaarspel met flamenco-invloeden dat ons na veertig minuten Susobrino deed denken: wanneer gaat deze man eens aan de slag met Rosalía? Belgisch-Colombiaanse inventiviteit met een Catalaanse furie: hier is onze fucking money, man! 'Isn't it lovely, all alone?' hoorden we Billie Eilish op fluistertoon zingen in La Madeleine. Haar vocals stonden natuurlijk op tape - we luisterden naar een remix van Lovely door de Antwerpenaren van Krankk - maar het was hoe dan ook symbolisch om de stem van Eilish nog eens te horen weergalmen door de zaal die ze minder dan een jaar geleden, kort vóór haar grote doorbraak, volledig uit haar hand deed eten. Krankk slaagde daar minder goed in, want het publiek dat voor hen was afgezakt naar La Madeleine, sowieso de verste verplaatsing van heel FiftyFifty Lab, was eerder beperkt. Sneu, want het Antwerpse trio - met op drums Thomas Geysen, een soort op hol geslagen Lander Gyselinck, op toetsen Aram Abgaryan, de Sinan Bolat van de muziek, en op gitaar Willem Heylen, een jongen die snaren als synths kan laten klinken - doet de hoogdagen van de UK garage herleven. Krankk is bovendien zo live als het maar kan, en een groep die net als de nu-jazzers van Stuff bestaat uit conservatoriumstudenten die het niet bepaald op partituurmuziek hebben staan maar liever met elektronica, dub en hiphop klooien. Naast mevrouw Eilish ontbraken ook onze rapgrage landgenotes Blu Samu en Miss Angel op het appel, maar dat maakte Like That - ook live très gangsta! - er niet minder opwindend op. Modern Love en How we were waren van hetzelfde laken een raverbroek, en met David Ngyah, de Nieuwe Lichting-winnaar die u vooral kent van Blackwaves Elusive, toverde Krankk tijdens slotsong Crazy toch nog een gastzanger uit zijn hoed. En hij gaf ons nog de blues ook. Lovely it is! 'I'm just a poor boy', zingt Seth Nyquist alias MorMor in Heaven's Only Wishful, de single waarmee de Canadees vorig jaar bewees dat hij vooral een heel getalenteerde jongen is. Dat het bescheiden hitje 4,3 miljoen streams later het hoogtepunt zou worden van MorMors showcase in de AB Club, stond in de sterren geschreven. Het prijsbeest mocht dan ook wat langer de wei op, met een gitaarsolo en al, als ideale afsluiter van een toen al knappe set.Nyquist, barstend van het charisma met zijn gemillimeterde haar en werkmansbroek, twijfelde veertig minuten lang tussen depressief en sexy. Zijn ritmesectie hielp hem uitstekend met dat vraagstuk en stuurde hem soms richting lo-fipop à la Connan Mockasin en dan weer met een sexy baslijntje richting het graf van Prince. Daar was het goed toeven voor MorMor, die over een pracht van een falsetstem beschikt, maar ook bewees in de diepte gengsters te kunnen slaan met zijn strottenhoofd. Maar eigenlijk is MorMor een man van alle werk, liet hij in Brussel zien. Op zijn muziek kan je chillen - we roken naar eht einde toe een wietwalm en we begrepen het perfect -, en vrijen, maar evengoed huilen. Meer dan eens moesten we aan The Smiths denken. Want geef nu toe: een nummer beginnen met 'I'm just a poor boy' is vintage Morrissey. FiftyFifty Lab heet een 'smart curation festival' te zijn, wat maakt dat de ruim dertig artiesten tellende line-up samengesteld werd door een resem Europese topfestivals die voor curator mochten spelen. Het Britse monument Glastonbury sprong aanvankelijk op de kar maar lijkt gaandeweg te hebben afgehaakt, onder meer het Zwitserse Paléo, het Deense Melt, het Nederlandse Best Kept Secret, het Belgische Dour én het Spaanse Primavera gingen wel met FiftyFifty in zee. Het is dat laatste festival - elke zomer weer hét Catalaanse walhalla voor all things nieuw en alternatief - dat María José Llergo heeft aangedragen, een 25-jarige zangeres uit Andalusië met een dijk van een stem en de gave om een moderne twist te geven aan de aloude flamenco. 'Ja maar, dat doet Rosalía toch ook al?' vraagt u. Klopt, maar Llergo is minder futurisme, minder pop, minder marina dan haar populaire landgenote. In L'Archiduc liet ze verstaan dat het genre zich voor haar niet beperkt tot de palmas (het handgeklap), maar dat ook de toque (het vingervlugge getokkel van de akoestische gitaar) niet mag ontbreken en dat de cante (het gezang) zoals de flamenco van weleer gedrenkt mag zijn in hartzeer. Haar grootste hit heet niet voor niets Me miras pero no me ves, 'je kijkt naar me maar ziet me niet staan'. Wij zagen haar nochtans wél staan, donderdagavond in Brussel. En niet alleen omwille van dat koperkleurige glitterpak, maar ook omdat María Jose Llergo met haar klassieke, rootsy flamencogeluid aan Camarón of La Niña de los Peines doet denken, er een door Etta James en Billie Holiday geïnspireerde stem overheen drapeert én haar akoestische nummers op de juiste momenten weet te pimpen met even subtiele als impactvolle elektronische drums en soundscapes. Schrijf haar maar al op uw wishlist voor Pukkelpop 2020. Dit is Spinvis, maar dan minder ambachtelijk, dachten we spontaan wanneer het Amsterdamse Meetsysteem aan zijn set begint. Zanger-pianist Ricky Cherim heeft hetzelfde zachte timbre, maar is meer van de sfeer dan van de afgeronde liedjes. Goed te doen , met een hoofdrol voor een onstuimige ritmesectie die heel graag Talking Heads of Doe Maar wil zijn, komt nog het meest in de buurt van een song, maar daartegenover staat een instrumentaal kleinood als Deuren, wij zijn het - 'it also doesn't make sense in English', verontschuldigde Cherim zich. Als we een rode draad moeten zoeken in de set die we in Brussel te zien kregen, is het misschien de avond: de ijle elektronische piano, de deinende bas die soms de funk opzoekt en de spaarzame, soms bewust onbehouwen drums vormen samen de ideale soundtrack om naar huis te rijden na een feestje.Cherim vroeg ons om stilte voor Geduld, eigenlijk een gedicht op losse piano-akkoorden, maar kreeg die niet, of zeker niet genoeg. Wij lieten ons niettemin meevoeren, ook toen het nummer uitmondde in een kurkdroge groove die uitnodigde tot onbestemd meewiegen. Ideaal om de nacht mee in te gaan, maar volgens ons eigen meetsysteem net te weinig voor vier sterren. Brecht Linden, zoals Bolt Ruin heet wanneer hij geen duivels uit te drijven heeft, mocht het nachtprogramma openen in C12, de hippe club onder het Centraal Station. Dat deed hij in alle opzichten met een knal: keer op keer liet hij met een druk op een van de vele knopjes onder zijn vingers een donkere drone inslaan, bijgestaan door twee flikkerende stroboscopen en op het scherm achter hem gelige impressies van de grootstad Brussel. Meteen begreep je waarom Consouling Sounds, de fijne stal die eerder Amenra, Wiegedood, Barst, Innerwoud en andere moeilijk te doorgronden donkerte voorbracht, hem zo graag wilde. Ook tijdens de rest van de set ging Linden voor impact in die mate dat het bijna fysiek werd. Het was knarsen, kraken, schuren en snijden. Af en toe gunde hij ons een adempauze met een vleugje koorzang of zelfs een piano-riff, maar dat diende enkel om daarna met extra effect nog meer geraas door ons ruggenmerg te jagen. Noem het donkere techno zonder de drang om te dansen, noem het een pact tussen Four Tet en Thor de dondergod, maar onthoud vooral één ding: met Bolt Ruin heeft België er een spannende, doodenge brok elektronica bij.