Jacin Trill: een hobbelige trip naar Happyland (***)

'The World's First Deaf Rapper', noemde het gerenommeerde Amerikaanse onlineplatform WorldStarHipHop de Nederlandse rapper Jacin Trill. For the record: helemaal doof is hij niet, maar die vermelding leverde de hipste hopper uit Hoorn wel de status van meest beloftevolle rapper van de Lage Landen op, én een retourtje Los Angeles voor een studiosessie met Ugly God, een producer van over de plas, vooral bekend van zijn hit Water. Behalve met die Amerikaan werkte Trill ook met collega-nederhoppers van het kaliber Ronnie Flex. Geen wonder dus dat de Dance Hall om iets voor 15 uur al haast tot de nok toe gevuld was.

Hoogst origineel was het allemaal niet, daarvoor tapt zijn trap al te vaak uit hetzelfde vaatje, maar het ging er wél wild aan toe in de Dance Hall. Kspreyopjebytch, Jacin Trills grootste hit, werd al na enkele minuten op ons losgelaten. En zo bewezen de waterpistolen die het publiek en masse had aangerukt al meteen hun nut.

Trill huppelde drie kwartier lang over het podium in een helblauw trainingspak met bloemenprint, en met een smile tot achter zijn hardhorige oren - zijn jongste soloplaat heet niet voor niks Happyland 2.0, en op zijn buik staat 'fun' getatoeëerd. Wat hij precies uitkraamde in Rozeswoesh was nauwelijks te verstaan - dat typische, binnensmondse fluisterstemmetje, weet u wel - en toch zong het publiek het woord voor woord mee, als one happy family. Ubettanah, Byenkorf, Nikes: van hetzelfde. Op een bepaald moment verdeelde Trill de massa in twee helften, om bij het invallen van de beat weer tegen elkaar op te springen. Het applaus dat hem na de show te beurt viel was om, welja, doof van te worden. En zo bewees Jacin Trill dat nederhop méér is dan alleen Boef, Ronnie Flex en Lil Kleine.

Jacin Trill © Wouter Van Vaerenbergh

Brockhampton: een boyband met ballen (****)

'You are now watching the greatest boyband in the motherfucking world', dixit Kevin Abstract, de officieuze voorman van Brockhampton, donderdag in de Dance Hall. Daar was iets van.

Live is Abstracts hiphopleger zes man sterk. Ze leerden elkaar kennen via een Kanye West-fanforum, en brachten in 2017 drie ijzersterke platen uit - Saturation, Saturation II en Saturation III: waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? - die hen pijlsnel een enorme (online)aanhang opleverden.

Op Pukkelpop waren ze alle zes uitgedost in een blanco wit T-shirt. Een dj kwam er niet aan te pas. En ook de visuals - vakantiekiekjes en videootjes van de leden die zichzelf facetimen - waren zelden bovenmatig in your face. Het gaf dit concert iets puurs.

Brockhampton © Wouter Van Vaerenbergh

Brockhampton - dat eerder dit jaar nog in het oog van een #MeToo-storm kwam te staan en stichtend lid Ameer Vann bijgevolg de deur wees wegens seksueel wangedrag - bombardeerde zich in Kiewit tot een soort Wu Tang Clan voor de millennialgeneratie, maar dan poppier; een soort Odd Future, maar minder ongeregeld; een soort N.E.R.D., maar zonder een alle aandacht naar zich toe zuigende frontfiguur als Pharrell.

Aan Bleach en Sweet kon je goed horen waarom ze zich zo graag als een boyband laten labelen: Brockhampton is rechttoe-rechtaan hiphop, maar zit niet verlegen om een glad refreintje links en rechts. Summer werd solo op gitaar gebracht, en kreeg een Frank Ocean-feel mee. En net toen de meligheid om de hoek dreigde te komen loeren, knalde Brockhampton er 99 Wildifire en Boogie tegenaan, samen met het gypsy-achtige Sweet en Star de hoogtepunten van de set. 'I'm like Prince with the white doves', klonk het in die laatste. En het greatest feestje van motherfucking Pukkelpop was compleet.

Geppetto and The Whales maakten het gezellig (***)

Vier jaar was het stil rond Geppetto and the Whales. Op Pukkelpop bewees het sextet uit de Noorderkempen echter dat het weer volop onder de levenden verkeert. Eind september brengt het met Passageszijn tweede langspeler uit en die werd opgenomen in Eau Claire, in de Amerikaanse staat Wisconsin, waar ook Bon Iver thuis is. De groep kreeg daarbij overigens een helpende hand van Brian Joseph, een producer die eerder al op de loonlijst stond bij Sufjan Stevens. Geppetto en zijn walvissen werden in de studio voorts bijgestaan door muzikanten uit de entourage van The National, S. Carey en The Tallest Man on Earth, maar belangrijker nog is dat ze er als songwriters met rasse schreden op vooruit zijn gegaan.

Geppetto And The Whales © Wouter Van Vaerenbergh

Voor wie Geppetto and the Whales nog niet kent: ze maken een bucolische vorm van folkrock met echo's uit de americana en af en toe een licht psychedelische toets. De heren maakten het in Kiewit meteen gezellig, met een sanseveria en een schemerlamp op het podium. Ze brachten drie leadzangers en vier sierlijk in elkaar hakende gitaren in stelling en sprongen bovendien behendig om met meerstemmige harmonieën. Lord Huron en Fleet Foxes waren dan ook voor de hand liggende referenties.

De warmste publiekreacties noteerden we bij oude bekenden als 1814, Duquesne's Horseen de gedreven afsluiter Juno. Maar kakelverse songs zoals de pas geluchte, dromerige single I Know Who You Wereen het knap opgebouwde, elegische Rites of Passage, dat halverwege omsloeg in een instrumentaal walsje, klonken nog beter. Die volle clubtent was verdiend en Geppetto's set beloofde het beste voor zijn officiële release-concert in de AB op 23 oktober. Dus ja, u mag met een gerust gemoed een kaartje kopen.

Phoebe Bridgers, met de kwaliteitsstempel van Adams en Oberst (***)

Frêle meisjes met een akoestische gitaar en hun ziel onder de arm: je kunt er onderhand de straten mee plaveien. Maar af en toe duikt er toch eentje op dat je de oren doet spitsen. Phoebe Bridgers bijvoorbeeld, een jongedame uit Los Angeles die introspectieve liedjes schrijft van hoog niveau en nú al gerenommeerde collega's als Ryan Adams en Conor Oberst tot haar fans mag rekenen.

Terwijl de eerste festivaldag zich langzaam op gang trok, mocht la Bridgers het publiek trakteren op enkele hoogtepunten uit haar eind vorig jaar verschenen debuut-cd Stranger in the Alps. Geen makkie, want het geroezemoes in de tent klonk bijwijlen luider dan de muziek van de chanteuse en haar vierkoppige band. Ook het lawaai van andere podia werkte als stoorzender.

De blonde Phoebe Bridgers - ze vierde op Pukkelpop haar 24ste verjaardag- oogde een beetje as een jonge Joni Mitchell en haar songs pasten eigenlijk beter bij het vallen van de bladeren dan bij een schroeiende zomer. Maar songs als Smoke Signals, het met een jankende pedalsteel opgetuigde Funeralen behoedzaam gespeelde miniatuurtjes van het type Chelsea of Killer stelden het inlevingsvermogen van het publiek niet al te zeer op de proef. Dat Bridgers over een warme, loepzuivere stem beschikte, hielp natuurlijk óók.

Phoebe Bridgers © Wouter Van Vaerenbergh

Hoogtepunt van de set was ongetwijfeld het van Gillian Welch geleende en enkel met de tweede stem van de drummer gebrachte Everything is Free, een nummer over de verpauperende gevolgen van muziekstreaming op artiesten. Sleutelzin: 'If there is something you want to hear / Fucking sing it yourself'. Daarna sloeg de band even aan het rocken, maar met Motion Sickness kroop Phoebe Bridgers weer in haar schulp. En ook al hadden we haar liever in een klein zaaltje gehoord, het maakte de kennismaking er zeker niet minder aangenaam om.

Dirty Projectors gaven de verveling geen kans (****)

Songs die op en neer wipten en over elkaar heen buitelden als frivole konijnen? Geen twijfel mogelijk: dat moest Dirty Projectors zijn. De groep uit Brooklyn, aangevoerd door Dave Longstreth, presenteerde zich op Pukkelpop in een nieuwe line-up, maar voor de rest was er weinig veranderd.

Of toch. De Projectors jongleerden als vanouds wel met minimalistische leftfield-pop, r&b, hoekige funk en toefjes avant-garde, maar zoals al bleek uit hun jongste cd Lamp Lit Proseklinken ze vandaag luchtiger en levenslustiger dan ooit. De melodietjes zijn simpel, de ritmes energiek. Longstreths geesteskind lijkt na een dipje, veroorzaakt door zijn breuk met gitariste en vriendin Amber Coffman, weer helemaal herboren. I Feel Energy, zong het Projectors-opperhoofd in Kiewit. Je geloofde hem op zijn woord.

Shellac © Wouter Van Vaerenbergh

Op het podium werden de nummers van de groep opgeleukt met Afrikaanse highlife-gitaren en hoorde je flarden verwrongen soul en disco voorbijkomen. Fragmenten uit Lamp Lit Prosewerden afgewisseld met oude bekenden zoals No Intention, het op gecompliceerde samenzang steunende Beautiful Mother en het ingehouden Keep Your Name. Soms, zoals in Impregnable Question, zette Dave Longstreth een stapje opzij om de dames uit de band vocaal te laten schitteren. Percussioniste Felicia Douglass, toetseniste Kristin Slipp en gitariste Maia Friedman brachten met hun prachtige stemmen het nodige leven in de brouwerij en zorgden ervoor dat je aandacht nooit verslapte. Slotnummer Swing Lo Magellan deed ons, door toedoen van Slipp, zelfs even denken aan... Koreaanse opera. Tja, Dirty Projectors mocht dan een groepje weirdo's zijn, ze hielden zoveel ijzers in het vuur dat de verveling nooit de kans kreeg om toe te slaan. Waarvoor hulde.

Shellac klonk briljant beledigend (*****)

Shellac is geen groep zoals alle andere. Loze promopraatjes zijn bij het trio uit Chicago uit den boze. De heren maken enkel platen en gaan enkel de hort op als ze er zin in hebben. En dat is minder vaak dan we zouden willen. Bij Shellac is iedereen gelijkwaardig: gitarist Steve Albini, drummer Todd Trainer en bassist Bob Weston stonden dus op één rij vooraan op het podium. Samen vormden ze een boosaardge noisemachine die genoeg decibels produceerde om al het prut uit je oren te spoelen.

Shellac © Wouter Van Vaerenbergh

Albini, al berucht sinds hij tijdens de eighties de plak zwaaide bij bands als Big Black en Rapeman, staat dezer dagen vooral bekend als producer (zelf prefereert hij de benaming geluidstechnicus) van legendarische platen van Nirvana, Pixies en PJ Harvey. In Kiewit droeg hij een T-shirt van Cocaine Piss, het Luikse punkcombo dat een poosje geleden nog langs zijn studio passeerde. Weston hulde zich dan weer in de gele overall waaraan men doorgaans straatvegers herkent. 'Ik heb beloofd dat, als we hier mochten spelen, ik achteraf de boel zal helpen opruimen', grijnsde de bassist. Geen overspannen rocksterrengedoe bij Shellac: dit driespan heeft gevoel voor humor. Toen de groep enkele nieuwe nummers losliet, beweerde de basman zelfs doodleuk dat de nieuwe lp van de groep I Can't Believe They Have A Fucking Beach in Abderdeen zal heten. Yeah, right. En mijn tante is een op louter biobrandstof rijdende autobus.

In muzikaal opzicht is Shellac na 25 jaar nog altijd the real deal: luid, log, opwindend en dynamisch. Het drietal wisselt dodelijke geluidssalvo's af met strategisch ingebouwde stiltes. Punk zoals die in de 21steeeuw écht hoort te klinken, quoi.

De groep wisselde nummers uit het inmiddels vier jaar oude Dude Incredible af met ouder werk, zoals Steady As She Goes of Prayer to God, al klinkt een gebed bij Shellac niet meteen zoals in de doorsnee eredienst. Citaat: 'Baby Jesus, can you fucking kill him? Amen!' We horen het paus Franciscus nog niet zo gauw herhalen. In een andere song riep Albini dan weer dat 'Offenders are fun!'. Zo horen we het graag.

Tijdens het laatste nummer van de set werd het drumstel door Albini en Weston geleidelijk ontmanteld, terwijl Trainer bleef doorspelen. Hij werd uiteindelijk door de twee anderen van het podium gedragen. Exit Shellac of North America, zoals ze zichzelf wel eens noemen. We hebben de term rock-'n-roll al vaak ijdel horen gebruiken, maar níet door deze drie herrieschoppers uit Chicago. Zelfs festivalbaas Chokri Mahassine ging ongeremd uit de bol. En dan weet u dat het goed was.

Unknown Mortal Orchestra: goeie songs, weinig beleving (***)

Unknown Mortal Orchestra © Wouter Van Vaerenbergh

'Marquee, show some multi-love for Unknown Mortal Orchestra!' vroeg gelegenheidsomroepster Linde Merckpoel, die Nieuw-Zeelands meest vooraanstaande psychfunkband mocht komen aankondigen. Maar al te veel liefde gaf u hen niet. De tent stond met moeite halfvol.

Nochtans kwam Unknown Mortal Orchestra, kortweg UMO, beter voor de dag dan afgelopen voorjaar in de AB, toen de band een gevecht tegen de geluidsmuur aanging en dat nog verloor ook. Op Pukkelpop was het in opener From the Sun wel meteen raak. 'Isolation can put a gun in your hand', zong frontman Ruban Nielson, die zijn geluk ging beproeven tussen het publiek en er zijn gitaar een eind weg liet jengelen. Doorstonden evenzeer de test: Major League Chemicals en American Guilt, twee songs uit de dit voorjaar geloste laatste UMO-plaat Sex & Food die verrassend hard naar stonerrock overhelden.

Maar daarna begon de machine wat te stokken. Prijsbeesten als Multi-Love en Can't Keep Checking My Phone ten spijt leek er zich een barrière op te trekken tussen band en publiek. Goeie songs, weinig beleving: het is een syndroom waar ook een band als alt-J weleens mee worstelt. Multi-love? Eerder multi-lauw.

Dua Lipa: de échte headliner van Pukkelpop (***)

Dua Lipa © Wouter Van Vaerenbergh

Mocht de line-up van Pukkelpop gerangschikt worden volgens populariteit - lees: aantal streams -, dan was Dua Lipa met lengtes voorsprong top of the bill op deze editie. En toegegeven, zó gek zou dat nu ook niet geweest zijn. Zelden hebben we op zo'n vroeg tijdstip - 19u05 betekent in festivaltermen tenslotte zoiets als 'kort na de middag' - zo'n grote menigte voor het hoofdpodium van Pukkelpop zien samentroepen. Allemaal kwamen ze voor de hitmachine die Dua Lipa in een kleine twee jaar tijd is geworden. Of ze nu solo haar kans gaat of aan de zijde van de Calvin Harrissen en Martin Garrixen van deze wereld zingt: met elke track die de bijna 23-jarige Brits-Kosovaarse popsensatie naar buiten brengt heeft ze in een mum van tijd goud in handen.

Een schaars geklede Dua Lipa had naar eigen zeggen last van de griep, maar die kreeg haar op Pukkelpop niet klein, ondanks een niet altijd even toonvaste stem. 'Kom niet huilen als je straks ziek in bed ligt', waarschuwde ze, alvorens zich tijdens Be the one, een van haar oudere hits, in de voorste regionen van het publiek te mengen, daar waar pancartes met opschriften als 'Dua, kiss my Lipa', 'I give a fuck about you' en 'Please, give me one kiss' de lucht in gehouden werden. Hysterisch gegil was haar deel.

Terecht? Mwa. Na haar vorige Pukkelpoppassage (en haar recentere concert in de Lotto Arena) heeft Lipa haar live-act in positieve zin bijgespijkerd, dat zeker. In plaats van álles op band te laten lopen, stond er nu vijfkoppige liveband rond haar, inclusief twee achtergrondzangeressen, die voor een vollere sound zorgde. Maar dat betekent niet dat ze alle popclichés wist te omzeilen. No Goodbyes, waarin la Lipa aan het knuffelen sloeg met een van haar achtergrondzangeressen, was een wel heel stroperige powerballad. En ook een EDM-pastiche als Scared To Be Lonely had niet gehoeven.

Het slot was dan weer wel overtuigend. 'WARNING, you are about to experience some explicit language and behaviour', verscheen er op het videoscherm achteraan het podium. 'This is a song for all the fuckboys who have done you wrong. If you would like to participate in the next activity, please put your middle fingers up.' En ja hoor, tientallen duizenden middenvingers gingen de lucht in, en met IDGAF - voluit 'I don't give a fuck' - gaf Dua Lipa haar beste song van de set prijs. New Rules, een setje gedragsregels voor al wie over zijn ex wil geraken, zette kort daarna makkelijk de kroon op het werk. Wedden dat Lipa de volgende keer zal mogen headlinen?

Trixie Whitley © Wouter Van Vaerenbergh

Trixie Whitley ging radicaal voor het avontuur (****)

'Fijn dat jullie wel voor een experiment te vinden zijn', zei Trixie Whitley dankbaar. 'Want ik ben gauw verveeld en probeer graag dingen uit die ik nog nooit eerder heb gedaan'. Haar set op Pukkelpop vormde daar een prima illustratie van. De zangeres liet zich voor de gelegenheid bijstaan door een drummer, die occasioneel ook de klavieren beroerde, en ruilde zelf haar gitaar regelmatig in voor een synth. Zo begon ze het concert met een soort drone en een woordenloze zangpartij die veel weghad van Dead Can Dance en ook haar recente, hypnotische single Heartbeat was overgoten met een elektronisch sausje.

Op haar binnenkort te verschijnen nieuwe cd, opgenomen met de New Yorkse hiphopproducer Torbit Schwarz (u kent hem van zijn werk met Run the Jewels), gebruikt ze voor het eerst het ritme als uitgangspunt. Dat heeft geleid tot een heel ander type songs, waarvan er ook in Kiewit enkele op de setlist prijkten. Whitley fleemde de toeschouwers met de mededeling dat zij de eersten waren die dat verse materiaal te horen kregen, maar dat was een leugentje om bestwil. De meeste nummers werden immers in mei al gespeeld tijdens Les Nuits Botanique.

Passons. Trixie Whitley schrikt er niet voor terug ook haar oudere songs avond na avond in een verrassend kleedje te stoppen. Pieces kwam dit keer tot ons in een synthversie, Breathe You In My Dreams speelde ze op een orgeltje, Need Your Love scheurde twee keer zo snel voorbij als anders en tijdens het intieme Closer, dat door haar gezel begeleid werd op piano, nam de zangeres een duik in het publiek om de betekenis van de titel extra kracht bij te zetten.

Fans van de vroegere Trixie werden echter niet teleurgesteld: grofkorrelige gitaarnummers als Soft Spoken Words of Hotel No Name klonken bevlogen als vanouds.

Van de nieuwe songs onthielden we onder meer het akoestische Fishing For Stars, over het prille moederschap, en het op vervaarlijke bluesriffs geplante Long Time Coming. De fans waren dermate door het dolle heen dat Trixie Whitley, hoewel haar tijd erop zat, nog terug mocht keren voor een toegift: Dandy, waarvoor ze zelfs plaats nam achter het drumstel. Whitley kiest duidelijk steeds vaker voor het avontuur en dat siert haar. Die derde langspeler zou dus wel eens een grote verrassing kunnen worden.