HET CONCERT: An Evening with Sigur Rós in Vorst Nationaal, Brussel op 1/10.
...

Het tijdstip voor de huidige concertreis van de IJslanders lijkt een beetje vreemd gekozen. Kveikur, de jongste langspeler van Sigur Rós, dateert van 2013 en een opvolger lijkt nog niet voor morgen, al postte het gezelschap in februari foto's uit zijn zwembadstudio in Mosfellsbaer die moeten suggereren dat het aan nieuw werk sleutelt. Op het internet circuleert dezer dagen zelfs de werktitel Norðurogniður, maar zoals wel vaker het geval is, hullen Jónsi Birgisson en de zijnen zich in een waas van mysterie.De bandleden hebben sinds Kveikur overigens niet stilgezeten. Twee jaar geleden bundelden bassist Georg Holm, drummer Orri Páll Dýrason en toetsenman Kjartan Holm (die Sigur Rós enkele jaren geleden verliet) hun krachten met componist Hilmar Örn Hilmarsson, met het oog op Circe, de soundtrack bij een BBC-documentaire over circus en vaudeville. Holm zelf schreef intussen een opera en de groep concerteerde in april van dit jaar nog met het Filharmonisch orkest van Los Angeles. De voorbije maanden toerde Sigur Rós door Australië, waar ze actie voerden ten voordele van transgenders en het homohuwelijk, en de VS, waar ze vrijwel uitsluitend euforische recensies oogstte.Tijdens zijn vorige tournees vroeg Sigur Rós doorgaans een aantal gastmuzikanten mee of liet het zich bijstaan door het strijkkwartet Amiina. Vandaag kiest de groep er echter voor als trio op het podium te verschijnen. Een uitdaging, want de muziek van de IJslanders klinkt doorgaans erg gelaagd. Het gezelschap moet binnen die beperkte driemansbezetting dan ook naar inventieve oplossingen op zoek. Zo speelde Dýrason in Vorst Nationaal zowel drums als keyboards, vaak tijdens het zelfde nummer, en kregen vooral de stem en het gitaarspel van Birgisson extra ruimte.De avond bestond uit twee delen, telkens van een uur en gescheiden door een onaangekondigde pauze. Sigur Rós bracht een niet altijd even voor de hand liggend, maar boeiend overzicht van zijn carrière. Met uitzondering van Von kwamen alle platen aan bod, maar er was ook ruimte voor vier nieuwe songs. Opener Á, steunde op een aangehouden drone en donkere roffels, maar bloeide alras open tot een fraaie, orkestrale melodie waarin de zuivere koorknapenstem van Jónsi Birgisson -half falset, half contratenor, al gewagen kwatongen ook wel eens van een 'miauwende castraat'- meteen de hoogste noten opzocht. De statige sound van Sigur Rós, een combinatie van postrock, ambient, elektronica, neoklassiek en liturgische muziek, valt nergens mee te vergelijken. De nummers beginnen behoedzaam en kwetsbaar, zwellen geleidelijk aan om, net wanneer je het niet verwacht, tot noisy uitbarstingen te komen. De groep sleept haar publiek mee van climax naar climax en roept beelden op die bijna niet te decoderen vallen zonder je toevlucht te nemen tot typisch IJslandse clichés. Het ene moment doet ze zo glaciaal aan als een gletsjer, het andere zo heet als kolkende lava. Van Glósóli, waarin de met een strijkstok bewerkte elektrische gitaar van Birgisson zowel mistbanken als bevroren watermassa's suggereerde, kreeg je het als toeschouwer dus afwisselend warm en koud.De songs van Sigur Rós worden gezongen in het IJslands of een zelfverzonnen brabbeltaaltje dat bekend staat als het 'Hooplands'. Voor het internationaal publiek zijn ze dus onverstaanbaar, en toch weet Jónsi Birgisson met zijn jubelende stem de luisteraar emotioneel te raken. Nu eens klonk het driespan omineus rockend (E-Bow), dan weer minimalistisch (Fljótavik), om het eerste deel uiteindelijk af te sluiten met twee nieuwe nummers. Niður had iets van een futuristische mini-opera, met synthetische achtergrondstemmen. Ook het lumineuze Varða nam alle tijd om zich in al zijn glorie te ontvouwen.Na de pauze kwam Sigur Rós met enkele publieksfavorieten op de proppen, maar Hoppípola en Svefn-G-Englar werden vreemd genoeg achterwege gelaten. De intro van Ný Batteri gaf je even de indruk dat de frontman geen gitaar maar een drilboor hanteerde, Festival etaleerde bij momenten een dance-groove en het donkere Kveikur, één van de potigste en het dichtst bij rock-'n-roll aanleunende nummers van het trio, trok diepe remsporen in het auditieve asfalt.Voor de visuele presentatie had Sigur Rós kosten nog moeite gespaard. De horizontale en verticale lichtbalken zorgden in Dauðalagið voor een feeëriek effect. Tijdens het glichy Óveður, dat vorig jaar al als video werd vrijgegeven, leek het alsof de groep een reeks vuurpijlen de zaal in schoot. Halverwege het fantastische Sæglópur zagen we op het scherm spectaculaire beelden verschijnen die herinnerden aan de big bang. Het was alsof je voor je ogen de kosmos zag ontstaan. Tijdens Vaka, één van de vier nummers uit (), de plaat die destijds geen titels vermeldde omdat Sigur Rós de perceptie van de luisteraar niet vooraf wilde beïnvloeden, baadde het podium in een felrode gloed. En dan moest de epische afsluiter Popplagið nog komen, waarmee Sigur Rós nog eens aangaf dat ze het begrip 'popsong' een nieuwe betekenis had gegeven.Er werd geestdriftig om meer geschreeuwd, maar toen op het scherm het woord 'Takk' ('bedankt') verscheen, was duidelijk dat Sigur Rós alles had gegeven. De IJslanders bewezen andermaal dat ze tot de uniekste bands van dit tijdsgewricht behoren. En een volmaakt concert hoef je nu eenmaal niet nodeloos te rekken.