De achteruitkijkspiegel van Rival Sons

Wat is oud en wat is nieuw? Met dat zwaarwichtige filosofische vraagstuk werden we, kort na het middaguur, al opgezadeld door Rival Sons. Hun toetsenist had een baard tot op zijn knieën en iets soortgelijks kon je eigenlijk ook zeggen van hun muziek. De vijf heren uit Long Beach, Californië hadden zich gulzig gelaafd aan de platencollectie van hun (groot)ouders en serveerden een bluesy vorm van hardrock naar een recept dat vooral werd gesmaakt in de vroege seventies.
...

Wat is oud en wat is nieuw? Met dat zwaarwichtige filosofische vraagstuk werden we, kort na het middaguur, al opgezadeld door Rival Sons. Hun toetsenist had een baard tot op zijn knieën en iets soortgelijks kon je eigenlijk ook zeggen van hun muziek. De vijf heren uit Long Beach, Californië hadden zich gulzig gelaafd aan de platencollectie van hun (groot)ouders en serveerden een bluesy vorm van hardrock naar een recept dat vooral werd gesmaakt in de vroege seventies. Vanaf opener Electric Man sloegen Rival Sons ons om de oren met logge, zij het gloeiende gitaarriffs, beukende drums en rauwe, gekartelde zangpartijen die afwisselend herinnerden aan het oeuvre van Bad Company en dat van Led Zeppelin. De vingervlugge snaarverrichtingen van Scott Holiday in Give It Up waren zelfs schatplichtig aan Ritchie Blackmore van Deep Purple. U zal het ons dus wel vergeven dat we het woord 'retro' in de mond nemen. Want hey, het is nog lekker ook.Tied Up was traag en slepend. Torture, begonnen als een onderonsje tussen Holiday en frontman Jay Buchanan, ontwikkelde zich geleidelijk tot een machtige vloedgolf en Open My Eyes botste weldadig tegen ons middenrif aan. Het kleffe Face of Light, opgedragen aan 'al het goede in de wereld', was echter niet waar we onder een loden zon op zaten te wachten. Rival Sons verlieten zich uitsluitend op hun achteruitkijkspiegel, maar als we eerlijk zijn gaapt er tussen hen en, pakweg, Queens of the Stone Age, niet eens zo'n diepe kloof. 'Thanks for spending your money on live music', wilde Buchanan nog kwijt. You're most welcome, Jay. 'Als op 5 juli de zon brandt boven de wei van Werchter, zal dat deels aan Kuli Uchis te danken zijn', schreven we in april dit jaar, toen de Columbiaans-Amerikaanse poulain van Tyler, The Creator en Gorillaz haar prima langspeeldebuut Isolation loste. Já, de zon brandde donderdagmiddag op Rock Werchter. Loeihard zelfs. Maar dat lag toch niet helemaal aan Kali Uchis. Karly-Marina Loaiza, zoals ze bekend staat bij de burgerlijke stand, moest de Klub C-tent openritsen, en dat is natuurlijk nooit een makkelijke opdracht. Zeker niet als de geluidsmixer er dan ook nog eens een boeltje van maakt. Pas toen Uchis - lang geel kleed, hoge hakken, groteske gouden halsketting - na een nummer of drie een mondje Spaans begon te zingen, kwam er een beetje schwung in de set. Wat later, in Just a Stranger en After the Storm, ging het gewiekst van bossa nova over reggae richting jazz en r&b, bracht ze met haar stem Billie Holiday en Amy Winehouse in herinnering en schudde ze gretig met haar heupen. Maar staat la Uchis op plaat bekend om haar popsongs met power, dan was het aan power dat het haar op Rock Werchter al te vaak ontbrak. 'Hips don't lie', zong haar landgenote Shakira ooit. Dat ging donderdag helaas niet helemaal op voor Kali Uchis. Als het op streams aankomt, is Rae Sremmurd - Ear Drummers achterstevoren gespeld - een van dé grote namen van deze Rock Werchter-editie. 16 miljoen luisteraars verzamelen de Amerikaanse broers Aaquil en Khalif Brown, u kent hen misschien als Jxmmi en Swae Lee, maandelijks op Spotify, iets waar de Nick Caves, de Eelsen en de Noel Gallaghers van deze wereld alleen maar van kunnen dromen. 'Sremmlife', de term die te lezen stond op de halsketting van Swae Lee, is bij een groot deel van de jeugd wellicht een groter begrip dan, we noemen maar wat, 'The Bad Seeds'. Maar hiphop en de namiddagzon: het zal nooit een geslaagd huwelijk worden. De black Beatles van Rae Sremmurd stonden als tweede act op de Main Stage geprogrammeerd, en konden niet anders dan vechten tegen de bierkaai (én de halflege wei). Geen wonder dat hun mix van trap en partyhiphop - zie: No Flex, My X, Powerglide en Rock N' Roll Hall of Fame - minder goed uit de verf kwam dan vorig jaar, toen ze hier The Barn nog helemaal aan flarden rapten.'Belgium, you are one of the littest crowds in the world right now', dixit een van de twee broers, in de staart van de set. Sympathiek, maar: nee. It was a hard knock Sremmlife voor de broers Brown, zondag op Rock Werchter. Een nieuwigheidje op Rock Werchter dit jaar: The Slope, een vierde podium op het festivalterrein. Leuk, maar afgaand op het optreden van Otzeki, een elektropopduo uit Cambridge, konden we voorlopig niet gewagen van een onverdeeld succes. De gesprekken van de toeschouwers vielen makkelijker te volgen dan de verrichtingen van de muzikanten. Het geluid was dus zeker voor verbetering vatbaar.De muziek zelf, afkomstig uit Otzeki's onlangs verschenen langspeeldebuut Binary Childhood, was nochtans niet kwaad. Zanger-gitarist Mike Sharp, begiftigd met een hoge falset, en synthspeler Joel Roberts, die ook een drumcomputer bediende, brachten een op loops steunend, clubby geluid voort en kwamen voorzichtig onze dansspieren masseren. Toch waren de twee Britten, getuige een nummer als Already Dead, niet bepaald vrolijke, euh, Fransen. In hun songs hadden ze het onder meer over het contrast tussen echte personen en de manier waarop ze zich profileren op sociale media.Wie geen boodschap had aan die antropologische vaststellingen, kon gelukkig nog een beentje uitslaan of een heup bewegen op het uitgesponnen True Love: tien minuten melancholische trance, waarin Sharp het publiek tot actie aanmaande: 'You've got to wake up, people'. Goed idee, maar dan moet hij voortaan toch met iets prikkelender beats voor de pinnen komen. Toen we brithopster Kate Tempest een paar jaar geleden vroegen wie het raptalent van morgen zou worden, antwoordde ze zonder aarzelen: Little Simz! En kijk: inmiddels kreeg de Londense met Nigeriaans bloed ook al lof toegezwaaid van Jay Z, André 3000 en Kendrick Lamar, liet Damon Albarn haar shinen op een vorig jaar verschenen Gorillaz-single, en scheelde het weinig of ze had een prominente acteerrol gehad in de kaskraker der kaskrakers Black Panther. 'I was made for this shit', rapte Little Simz - geboren als, hou u vast, Simbiatu Abisola Abiola Ajikawo - in Good for What, de flukse opener van haar set in Klub C. En gelijk had ze. Simz is er nog maar 24, maar pakte het podium van Werchter al in met de souplesse en de maturiteit van een doorgewinterd artiest. Een rasrapster, heet dat dan. En ze kon nog een stel uitstekende songs voorleggen ook, die bovendien op geen enkel moment eenvormig werden - niet altijd een sinecure in de hiphop. Shotgun, Marilyn Monroe, Dead Body: het waren stuk voor stuk hiphopsongs met een hart, met dank ook aan de twee livemuzikanten en de turntablist slash gelegenheidsrapper in haar rug. Met Selfish had Little Simz ook een nagelnieuwe, opvallend jazzy track uit haar later dit jaar te verschijnen derde plaat meegebracht. Toen zowat de hele tent het refrein van een lied dat ze nog nooit gehoord hadden begon mee te kwelen, wisten we het zeker: Kate Tempest had het bij het rechte eind. 'I'm no teenage icon / I'm no Frankie Avalon', zong Justin Young van The Vaccines. De vraag is of zijn fans überhaupt weten wie Frankie Avalon is. Maar zelf kent de man wel degelijk zijn klassieken. Enkele jaren geleden werden hij en zijn bandje door de Britse pers nog uitgeroepen tot de ultieme redders van de gitaarmuziek. Nuchter als we zijn zagen wij in Werchter gewoon vijf jongelui die aandachtig naar Phil Spector, The Beach Boys, The Modern Lovers en The Ronnettes hadden geluisterd en kwamen aandragen met een niet altijd even pittige synthese van een halve eeuw popmuziek. Young had 's ochtends voor alle zekerheid nog een bordje krachtvoer naar binnen gewerkt en enkele even veerkrachtige als catchy liedjes in zijn rugzak gestopt, zodat er tijdens Wet Suit, Post Break Up Sex, Your Love Is my Favourite Band en het woest galopperende I Always Knew nog best wat te genieten viel. Helaas, net zo vaak klonken The Vaccines ontstellend doordeweeks. Want hoe trots de zanger ook verklaarde dat All My Friends nog maar vier dagen geleden 'uit de oven' was gekomen, een kakelverse indruk maakte het zeker niet. Dat de laatste song van hun set I Can't Quit heette, sprak boekdelen. Mocht iemand de regel uitvaardigen dat het publiek een popcombo van het podium mag kegelen zodra het niet meer weet te boeien, dan zouden The Vaccines al na een half uurtje worden afgeserveerd. Bij Alice in Chains raakt grungemetallurgie nooit uit de modeOp 24 augustus verschijnt, na vijf jaar stilte, met Rainier Fog nog eens een nieuwe langspeler van Alice in Chains. Het hoogtepunt van de groep, die ruim dertig miljoen platen verkocht, situeert zich ergens in de vroege nineties, de periode waarin Seattle even het middelpunt van de wereld was. Sindsdien vermeldt de biografie van Alice in Chains, behalve pieken, ook diepe dalen. Eén van de songs die in Werchter op de setlist prijkte, heette We Die Young, en minstens één van de leden, de oorspronkelijke frontman Layne Staley, voegde in 2002 de daad bij het woord door te bezwijken aan een overdosis. Opmerkelijk trouwens hoezeer William DuVall, de huidige leadzanger van het gezelschap, in Werchter klonk zoals zijn voorganger.Qua sound bleek Alice in Chains, na al die jaren, nauwelijks veranderd. De band klonk nog steeds als een goed geoliede machine en aan haar raderen ontsprong een melodieuze, tweestemmig gezongen metalvariant, met riffs die meer dan eens naar Black Sabbath verwezen. Gitarist Jerry Cantrell, een halfnaakte pin-up op zijn instrument getatoeëerd, domineerde de set. Naast oude, op nostalgische gevoelens terende classics (Them Bones, Dam That River, Man in the Box, Would?, Rooster, het slepende Hollow) werd ook al de prima nieuwe single The One You Know gelucht. Cantrell vertelde onlangs aan Rolling Stone dat het nummer hem werd ingegeven door de dood van David Bowie. Afwachten of de rest even overtuigend zal klinken. Maar live staat Alice in Chains nog steeds als een huis. Of toch minstens als een goed geëquipeerd s/m-etablissement. Over architectuur gaan we hier niet discussiëren, toch? Een plezierritje in de betonmolen van At the Drive-In'Watch your ass', riep zanger Cedric Bixler-Zavala op een bepaald moment. En reken maar dat we die goede raad ter harte namen. Een concert van At the Drive-In is namelijk als een plezierritje in een betonmolen. Het vijftal veroorzaakte dus een serieuze aardbeving ter hoogte van The Barn, en als toeschouwer werd je dermate door elkaar geschud dat je lever zich, na afloop van de set, ergens ter hoogte van je knieschijven bevond.De Texaanse prog-punks brachten onlangs, voor het eerst in zeventien jaar, eindelijk nog eens een plaat uit. Het licht ontvlambare in•ter a • li•a stond vol dystopische nummers, bestoven door de sciencefictionromans van Philip K. Dick. Maar ook de backdrop op het podium in Werchter, een tekening van een rund met een wolvenkop, liet het verstaan: bij de beeldenstormers van At the Drive-In zijn de dingen niet altijd wat ze lijken. Bixler Zavala snauwde en brieste, maar maakte zich tegelijk sympathiek bij het publiek door te beloven dat hij tijdens de WK-wedstrijd van morgen niet voor Brazilië maar voor de Rode Duivels zal supporteren. Intussen schopten zijn bandgenoten tyfusherrie van het meest opwindende soort en luidde gitarist Omar Rodríguez-López een auditieve blitzkrieg in die met geen tank meer te stoppen viel. Hij liet zijn instrument knarsen, piepen, zigzaggen en vervaarlijk uit de bocht vliegen alsof hij nooit wat anders had gedaan. Bijgevolg werd de plek vóór het podium, zeker tijdens One Armed Scissor, herschapen in een strijdperk waar zich apocalyptisch aandoende taferelen afspeelden. Niet voor doetjes dus, deze hardcoreshow. Welke spijkerbommen At the Drive-In nog méér liet afgaan? Wat maakt het uit? Neil Young zei het al: 'It's all one song'. 'My name is Vince Staples, I'm from California and I came here to have a good time'. Moederziel alleen beklom de hiphopheiland uit Long Beach het podium van Klub C. En hij vulde het. Met niet meer dan een rookmachine, een videoscherm met surveillance-achtige CCTV-beelden en een batterij aan op UK rave geënte beats zette hij de tjokvolle tent naar zijn hand. Vince Staples is geen man van excessen. Hij vergrijpt zich niet aan overdadige producties en laat elke vorm van blingbling achterwege. 'Da Vinci' laat de muziek voor zich spreken. En die klonk in Werchter meer dan behoorlijk. Een piano-intro luidde Get the fuck off my dick in, Staples' uitstekende jongste single, die hij lanceerde via een trollende crowdfundingcampagne - volg hem op Snapchat en u zult eens te meer merken hoe graag hij onze socialemediacultuur in de zeik zet. Daarna ging het van late nite ballin' in Big Fish, werden de loomste bassen aangerukt in Lift Me Up en verklaarde hij zijn liefde voor snelle wagens in 745. Tussendoor passeerden ook nog enkele van zijn samenwerkingen met anderen de revue, zoals de house-stomper Little Bit of This van GTA, het door Major Lazer door de EDM-mangel gehaalde Ghost van With You, en de meest pompende der Gorillaz-songs Ascension. Meer dan behoorlijk allemaal, maar zo verpulverend als het op Best Kept Secret geweest moet zijn, was dit raverapfeestje niet. Daarvoor kwam Staples, immer voorovergebogen rappend, ons iets te afstandelijk over, soms zelfs op het ongeïnteresseerde af. Helemáál Staple-gek werden we er bijgevolg niet van.