Na een beperkt avondprogramma was de twaalfde editie van Sonic City festival zaterdag aan zijn eerste volledige dag toe. Het concept is inmiddels genoegzaam bekend: concertorganisatie Wilde Westen geeft goed muzikaal volk de controle over de programmatie, met als resultaat een line-up die een hoek of twee ontbreekt. Dit jaar mochten alternatieve popprinses Cate Le Bon en de kwajongens van Shame de teugels in handen houden. Het resultaat? Een gevarieerde meute artiesten en bands die zo'n uiteenlopende genres brachten, dat we er bipolair van werden. Het enige dat de artiesten verbond, was hartzeer en eigenzinnigheid.

'Thank you for waking up early.' Marisa Dabice had haar ochtendhumeur nog niet van zich afgeschud toen ze het publiek met kattige blik aansprak. Met haar haren wild over haar gezicht en een slordig gedrapeerd buiktopje, had de frontvrouw van punkband Mannequin Pussy (***) wat weg van een tiener die recht uit de goot naar Kortrijk was gekomen gna een zware nacht. Het viertal uit Philadelphia bracht geen haute couture, wel ruige punk die even onverzorgd was als hun podiumprésence.

De spontaniteit waarmee de bandleden over het podium raasden, maakten die slordigheid voor een stuk goed. Openen deed het viertal met Patience, de song van het gelijknamige album dat ze in juni uitbrachten. Het uptempo drum- en gitarenwerk werd op het publiek afgevuurd als een mitrailleur, voor houvast in die kolkende agressie moesten we bij de sterk zingende Dabice zijn.

De grilligheid en agressie mochten even gaan liggen toen het viertal het breekbare High Horse inzette, waarbij we Dabice binnensmonds hoorden sputteren over een van haar verfrommelde relaties. De zangeres beklom met veel moeite de sporten van de toonladder om uiteindelijk los te barsten in een glasheldere hoge noot. We moesten toch even slikken van al dat verdriet zoals het ons in zijn meest kwetsbare vorm werd getoond.

In de clubzaal stond multitalent Eiko Ishibashi (*****) klaar om onze wonden te helen. Niet dat er geen verdriet schuilgaat in de muziek van de jonge Japanse vrouw, die begin dit jaar een album opnam na de dood van haar vader. Op The Dream My Bones Dream gaat Ishibashi op zoek naar antwoorden, maar ze stelt vooral veel vragen. Het is een album over rouw, maar ook over verbinding en hoop.

Dat wist Ishibashi op meesterlijke manier te vertalen voor een bescheiden publiek. Ze bediende zichzelf van dwarsfluit, piano, een microfoon en een looppedaal. Geflankeerd door twee drummers zette ze A Ghost In a Train, Thinking in, een nummer dat nu eens onrustig klotste en dan weer rustig stroomde. Een eenvoudige melodie en synchroon ritme deden vermoeden dat het om een popnummer zou gaan. Maar wie goed oplette merkte dat de muzikanten hun tijd namen om beetje bij beetje te schuiven met klanken en ritmes, waardoor het nummer zich ontpopte tot een geheel zo complex als de duizenden miniscule vochtdruppeltjes in de lucht wanneer je water verstuift.

Eiko Ishibashi op Sonic City © Kay Lacombe

De kwetsbare zeepbel werd met veel bombarie kapotgeprikt door Vivien Goldman (**), die zich met voorsprong kroonde tot de meest excentrieke figuur van de avond. 't Is een vree madam ze', horen we iemand achter ons zeggen. Net op het moment dat we ons afvroegen wat ze daarmee bedoelde, hoorden we de woorden 'Wie geht es' door de versterkers schallen. Daar stond ze dan: een hyperenthousiaste Goldman in knalroze jumpsuit en met een zwarte lederen baret.

We werden met nog meer verstomming geslagen toen de 65-jarige Britse muziekjournaliste de microfoon vastpakte om Launderette te zingen. Denk aan het gevoel dat je zou hebben als je oma auditie deed voor de lokale schoolmusical, maar ze eigenlijk helemaal niet kan zingen.

Met open mond keken we naar Goldman, die zoveel toonvastheid miste dat we dachten dat het een grapje was. Maar het was geen grap. Ook tijdens Her Story - een song van de experimentele rockgroep The Flying Lizards die actief was in de jaren 80 en waar Goldman lid van was - miste Goldman alle hoogtes en laagtes die ze ook maar leek te zoeken.

Ondanks die vreselijke zangpartijen, was het optreden van Goldman bij uitstek het meest sfeervolle van de dag. Raar maar waar: haar enthousiasme werkte zo aanstekelijk, dat onze open monden doorheen de set weer waren dichtgegaan en we vol overgave meedansten op de grooves van Goldman. De protestspeeches die door de micro galmden tijdens Private Armies maakten van een Goldman een leidersfiguur die haar luid klappende en bemoedigend joelende aanhangers op Sonic City wel gevonden had.

Die uitbundigheid liet Cate Le Bon (****) achterwege. De artieste uit Wales bracht gevoelige, minimalistische popmuziek met een ijskoud randje. Dat laatste mag u letterlijk nemen, want bij Le Bon kon er geen lach van af. De statische zangeres, die dit jaar twee albums uitbracht, presenteerde zich als mysterieus en onberekenbaar.

Dat deed geen afbraak aan haar performance, integendeel. Een onverwachte stop tijdens Home To You toonde ons hoe goed zij en haar muzikanten - waar ze af en toe wel naar lachte - op elkaar zijn ingespeeld. De song, gestileerd met marimba en die heerlijk karaktervolle stem van Le Bon, rolde als een schuimende golf door de zaal. Stilletjes deinden we mee op de eb en vloed van Le Bons turbulente liefdesleven, dat een centrale rol speelt in haar nummers.

Le Bon ontpopte zich naast mysterieuze vrouw ook als doorwinterde muzikant tijdens het opgewekte What's not mine, waarin een eenvoudige gitaarmelodie aanzwelde tot een scheurende solo die niemand onberoerd liet. Het had iets komisch hoe ze op haar ijzige manier boven het publiek uitstaarde terwijl ze haar Telecaster genadeloos liet kreunen.

Thurston Moore Group op Sonic City © Kay Lacombe

Een uur later was het podium van Thurston Moore Group. De band rond de legendarische Sonic Youth-frontman bracht eerder dit jaar Spirit Counsel uit, een klepper die tweeënhalf uur aan instrumentale uitspattingen bevat. Gisteren bracht Moore een selectie van een uur. Het werd een avant-gardistische trip naar hogere sferen, al liet hij ons maar tot op beperkte hoogte opstijgen.

Niets dat op een song leek, er stond zelfs geen zangmicrofoon klaar. Het werd een intens samenspel van acties en reacties tussen de muzikanten, die zo gefocust waren dat ze amper tijd hadden om het publiek aan te kijken. Het leek wel alsof ze een kristallen bol aan het maken waren: een verkeerde beweging en hun werk zou in duizend stukjes versplinteren. Om ervoor te zorgen dat dat niet zou gebeuren, volgden drummer Steve Shelley, bassist Debbie Googe en gitarist James Sedwards getrouw de tekens van gitaargoeroe Thurston Moore, die uitgedost was met glitterhemd en parelketting.

Moore was klaar voor zijn inwijdingsritueel toen hij tegen het einde van de set zijn gitaar horizontaal boven de hoofden van het publiek hield, de snaren uitzinnig trillend en ronkend. Jammer dat een groot deel van zijn volgelingen op dat moment de zaal al hadden verlaten, stonden te praten of hun Facebook stonden te checken. Het eerste halfuur was iedereen nochtans wel enthousiast en de fans van Moore kunnen zijn experimenten wel smaken. Maar misschien is een uur aan experimenten zelfs voor de echte fans wat lang.