DA GIG: Ólafur Arnalds in Koninklijk Circus, Brussel op 24/2.

IN EEN ZIN: Arnalds en zijn begeleiders creëerden 'schilderijen van geluid' die, net als de werken van Edward Hopper, steunden op suggestie en understatement.

HOOGTEPUNTEN: 33:26, Unfold, Beth's Theme, Nyepi, Lag fyrir ömmu...

DIEPTEPUNTEN: geen

QUOTE: 'Ik had grootse ambities toen ik aan mijn jongste plaat begon, maar al snel kwam ik muurvast te zitten. De inspiratie was op. Geen wonder: ik zat al vier maanden in een donkere studio, zonder ramen, dus waar schrijf je dan over? Dus pakte ik mijn spullen en vertrok op wereldreis. Een goeie beslissing: de beste ideeën overvallen je immers wanneer je met andere dingen bezig bent.'

Elf jaar geleden zag ik Ólafur Arnalds voor het eerst live aan het werk tijdens een instore-optreden voor veertig toeschouwers in een platenzaak in Reykjavik. Een decennium later behoort de 32-jarige IJslander tot de meest gereputeerde componisten uit de neoklassieke hoek en speelt hij overal ter wereld voor uitverkochte theaters. Hoewel hij onmiskenbaar over een eigen stijl en persoonlijkheid beschikt, is Arnalds een muzikale erfgenaam van Jóhann Jóhannsson. Net als zijn vorig jaar overleden landgenoot koppelt de klavierspeler elektronica en invloeden uit ambient en postrock aan minimalistische, ietwat repetitieve kamermuziek, zonder te verloochenen dat zijn wortels in de punk liggen.

Ólafur Arnalds begon zijn carrière als drummer in een hardcoreband en ging pas compositie studeren nadat hij zijn langspeeldebuut, Eulogy For Evolution uit 2007, al had ingeblikt. Sindsdien schreef hij soundtracks voor films (Another Happy Day), televisieseries (Broadchurch) en balletten (Dyad 1009), werkte hij samen met Nils Frahm en veegde hij de dansvloer aan met het technoduo Kiasmos. Op zijn jongste plaat, het vorige zomer verschenen Re:member, experimenteerde hij dan weer volop met nieuwe opnametechnieken.

Arnalds speelde op een subtiele manier met verschuivingen, volume en dynamiek en bracht op die manier reliëf in zijn composities.

Ook op het podium maakt hij dezer dagen gebruik van de door Halldor Eldjarn ontwikkelde Stratus-software, die hem in staat stelt via zijn eigen klavier twee andere piano's aan te sturen. Voor iedere noot die Arnalds speelt, genereert Stratus twee alternatieve noten, waardoor onverwachte harmonieën of melodieuze sequenties ontstaan. Op Re:member doet de artiest, met andere woorden, een beroep op artificiële intelligentie, zodat zijn composities berusten op een combinatie van menselijke en geprogrammeerde activiteit.

Songs die niet worden gezongen

Arnalds is niet het soort pianist dat hoog zou scoren tijdens de Koningin Elizabethwedstrijd. In zijn werk zitten geen spectaculaire of virtuoze hoogstandjes. De componist bedient zich doorgaans van traag evoluerende, eenvoudige en vaak herhaalde motiefjes waarbij sfeer en emotie doorslaggevend zijn. Hij creëert 'schilderijen van geluid' die, net als de werken van Edward Hopper, steunen op suggestie en understatement. Zijn lyrische, in melancholie gedrenkte stukken worden tot leven gebracht door keyboards, een laptop en een strijkkwartet, een ensemble waar voor de huidige tournee ook een drummer aan werd toegevoegd.

De muziek van Ólafur Arnalds mag dan een hoop klassieke ingrediënten bevatten, ze appelleert aan het zelfde poppubliek dat ook Sigur Rós of Sufjan Stevens weet te smaken. Arnalds houdt zijn stukken compact en omschrijft ze steevast als 'songs', ook al wordt er zelden in gezongen. Bovendien getuigt hij van een speelsheid die je nooit in academische middens aantreft. Zo sampelde hij het publiek, dat verzocht werd de noot 'do' te zingen, en integreerde hij die vocale bijdrage prompt in één van zijn nummers.

Het is maar de vraag of Arnalds met zijn herrieclubje Fighting Shit ooit de magie zou hebben bereikt waarmee hij het publiek in het Koninklijk Circus eensgezind in vervoering bracht.

Het meeste materiaal uit zijn negentig minuten durende set was afkomstig uit Re:member. Het varieerde van klein gehouden melodieën, die hij solo aan de piano speelde, tot stukken waarin de strijkers geleidelijk de dramatiek mochten opdrijven. In Saman klonk het toetsenspel zo vederlicht dat de noten haast dreigden weg te waaien. Unfold moest het deze keer zonder de etherische stem van Sohn stellen, Ypsilon baadde in een mistbank van synths en violen, terwijl Undir en Ekki Hugsa werden voortgedreven door tintelende beats die weggelopen leken bij Four Tet of Aphex Twin en de set naar een hogere versnelling deden schakelen. Nyepi schreef de IJslander op een nieuwjaarsdag in Indonesië, waar de stilte hem hielp een hardnekkige writers' block te overwinnen

Pannenkoeken en Chopin

Arnalds speelde op een subtiele manier met verschuivingen, volume en dynamiek en bracht op die manier reliëf in zijn composities. Die gingen in Brussel naadloos in elkaar over, waardoor niet altijd duidelijk was waar het ene nummer eindigde en het andere begon. Uiteraard greep de componist af en toe ook terug op ouder werk uit For Now I am Winter, Broadchurch, Island Songs en Living Room Songs, maar het absolute hoogtepunt was voor ons toch 33:26, een solostuk voor viool uit Eulogy For Evolution dat zoveel ongebreidelde passie en emotie uitstraalde, dat je er nog steeds een punkattitude in kon herkennen.

Zoals gewoonlijk beëindigde Ólafur Arnalds zijn concert met Lag fyrir ömmu, een ingetogen ode aan zijn overleden grootmoeder die hem als tiener brainwashte met een combinatie van pannenkoeken en Chopin. 'Zonder haar had ik hier vandaag niet gestaan', vertelde hij. We mogen de dame dus dankbaar zijn, want het is maar de vraag of Arnalds met zijn herrieclubje Fighting Shit ooit de magie zou hebben bereikt waarmee hij het publiek in het Koninklijk Circus eensgezind in vervoering bracht. Een even overrompelend als meeslepend concert.