Wie de Belgische jazz op de voet volgt, weet dat rietblazer Toine Thys garant staat voor kwaliteit. De Brusselaar is een bruggenbouwer die voortdurend op zoek is naar nieuwe samenwerkingen, en met OVERSEAS <<TAMAM MORNING>> feat. Harmen Fraanje (***) heeft hij een internationaal project te pakken waarin hij klanken en temperamenten uit verschillende windhoeken bij elkaar brengt. Thys vormt de centrale as met de Egyptische oedspeler Ihab Radwan, de Braziliaanse percussionist Zé Luis Nascimento kleurt daar behendig rond en de Luxemburgse celliste Annemie Osborne zorgt voor het kamermuziekelement. Net als op album Tamam Morning was ook de Nederlandse pianist Harmen Fraanje van de partij, en dan weet je dat de muziek ver wegblijft van epateren en bruuskeren.
...

Wie de Belgische jazz op de voet volgt, weet dat rietblazer Toine Thys garant staat voor kwaliteit. De Brusselaar is een bruggenbouwer die voortdurend op zoek is naar nieuwe samenwerkingen, en met OVERSEAS <> feat. Harmen Fraanje (***) heeft hij een internationaal project te pakken waarin hij klanken en temperamenten uit verschillende windhoeken bij elkaar brengt. Thys vormt de centrale as met de Egyptische oedspeler Ihab Radwan, de Braziliaanse percussionist Zé Luis Nascimento kleurt daar behendig rond en de Luxemburgse celliste Annemie Osborne zorgt voor het kamermuziekelement. Net als op album Tamam Morning was ook de Nederlandse pianist Harmen Fraanje van de partij, en dan weet je dat de muziek ver wegblijft van epateren en bruuskeren. Het was de ideale opener voor een luie zondagmiddag, met een afwisseling van lyrische dromerijen en een heupwiegende stuwing die je gracieus van de Nijlvallei naar de Bosporus voerde. Muziek die op z'n mooist was in de driedelige suite Istanbul Kidz vooraan in de set. Op sopraansax klonk de leider soms een tikkeltje spiritueel, terwijl de droney effecten op basklarinet mee bepalend waren voor een contemplatieve sfeer. De contrasten tussen duisternis en licht waren wat minder uitgesproken dan Thys suggereerde in z'n wat harkerige uitleg, maar de coherente gloed van de muziek, eerder weldadig dan echt vernieuwend, was het ideale voorgerecht voor dit copieuze vijfgangenmenu.Het Franse jazzicoon Martial Solal gooide niet zo lang geleden de handdoek in de ring, maar stoppen lijkt voorlopig geen optie voor de intussen 85-jarige Michel Portal (****). Meer nog, uit de titel van zijn recentste album - MP85 - spreekt eerder de vastberadenheid van een eeuwige zoeker dan de melancholische terugblik van een veteraan die het allemaal gezien heeft. Met zijn kwintet tekende Portal dan ook voor dé verrassing van de dag. Of misschien had je het kunnen zien aankomen, want de klarinettist had een stel kleppers rond zich verzameld waartussen hij zich duidelijk in z'n sas voelde: toetsenman Bojan Z. is een frequente strijdmakker, bassist Bruno Chevillon danst net als de leider voortdurend op het slappe koord tussen traditie en experiment, trombonist Nils Wogram is Europese top op zijn instrument en drummer Lander Gyselinck vormde het sluitstuk.De muziek klonk ongeforceerd hedendaags: zwierig, potent, groovy en gehuld in verrassende kleuren. Bojan Z. dook in de pianobuik en kon zich regelmatig laten gaan met bont en spacey klankklodders, Chevillon speelde een uitvoerige bassolo die geen seconde verveelde, Wogram gaf de muziek eigenhandig een orkestrale feel en Gyselinck demonstreerde de lessen die hij kreeg van Tony Williams & co.: dienend met zuurstof, regelmatig lekker jagend en hier en daar met een onweerstaanbare swing. En de leider? Die liet zich gewillig meedrijven op die kruisbestuiving, maar tekende zelf ook voor een paar prachtig kronkelende en slingerende solo's, manoeuvreerde behendig langs de soms complexe wendingen en maakte van Armenia, No Hay en Wograms Split The Difference enkele van de hoogtepunten van de dag. Europese jazz met stijl, panache en een knoert van een hart. Klasse!Het eerste nummer van de Zuid-Koreaanse zangeres Youn Sun Nah (**) en haar Zweedse sidekick, gitarist Ulf Wakenius, doet even vrezen dat dit de verkeerde plaats en het verkeerde moment zijn voor de fragiele, onderkoelde interactie van het duo. Maar dan trekt de zangeres de registers open met de excentrieke stemeffecten van Calypso Blues, waarin ze zich plots ontpopt tot sardonische blues mama. Nogal een contrast met het verlegen gegiechel en gefluister tussen de nummers. Het lijkt even goed te gaan: je hoort de verwantschap tussen de twee in de vloeiende unisono stukken, met Wakenius die een ritmische stijl hanteert vol denderende tremolo-effecten. Tot het een-tweetje Sans Toi/God's Gonna Cut You Down, chanson en folk traditional in een wulpse paringsdans, meteen een bewijs van haar veelzijdigheid, loopt het goed. Maar dan komt een zoveelste overbodige versie van Leonard Cohens Hallelujah, die beweegt van ingetogenheid naar geaffecteerde kitsch en iets dat maximaal zou renderen als pauzemuziek voor de Super Bowl. Vervolgens is het hek van de dam: om een versie van Metallica's Enter Sandman toch een aura van evilness te geven, het moet zoiets zijn, vindt ze er niets beters op dan een schreeuwerige versie te brengen van James Hetfields 'yeah yeaaahs'. En dan ga je letten op die aangezette truukjes, het goedkoop scoren met steeds dezelfde ideetjes en flauwe verwijzingen (Summertime). De zangeres wordt tot tranen toe bewogen door een overdonderende ovatie en vindt er niets beters op dan het publiek te bedanken met haar versie van Tom Waits' Jockey Full Of Bourbon. Wakenius doet wijselijk geen poging om Marc Ribots allermooiste solo ooit te imiteren, de zangeres doet helaas iets met een rioolgrunt, waarmee ze belandt in Sesamstraat in plaats van Waits' achterafstraatje. Als bis kiest ze - erg toepasselijk - voor George Harrisons Isn't It A Pity. De vraag stellen is ze beantwoorden.De in 2020 overleden Ennio Morricone was een monster van de moderne muziek en werd al regelmatig bedankt met uiteenlopende hommages. Een van de meest memorabele en uitdagende was John Zorns The Big Gundown (1986), omdat het zoveel facetten van de meester bij elkaar bracht: jazz, musique concrète, spectaculaire geluidseffecten, collagekunst, kerfgitaren en kitsch. Bij Stefano di Battista Morricone Stories (*) is de focus nauwer: enkel kitsch. Di Battista is een technisch sterk saxofonist die vooral in het hoge register zorgt voor stuntwerk en in een vingerknip kan omslaan van sappige lijnen naar vinnige bop, maar wat hij hier laat horen overstijgt zelden de Love Boat-muzak.Klein lichtpunt: de eerste paar minuten van Peur Sur La Ville, gedomineerd door die obsessieve pianolinkerhand, een van de sterkste motiefjes uit het Morricone-oeuvre. Het verzandt echter al snel in de muzikale equivalent van Andy Garcia's pomadekop in die overbodige Godfather: glad, gladder, gladst. De band beweegt als een onwrikbaar balzaalblok door stukken uit o.m. Novecento, Once Upon A Time in America, Veruschka en Il Buono, Il Brutto, Il Cattivo. Doe daar nog di Battista's flauwe stand-up act (een karikatuur van het Italiaanse typetje) en eindeloos uitgerekte anekdote over hoe hij een compositie (Flora) van de meester kreeg bij, en je zit met een sof van formaat. Jazz definiëren, dat is nooit een goed idee, want vastleggen betekent meteen ook uitsluiten. Anderzijds: jazz zonder scheurtjes, verrassingen, om- en sluipwegen, fantasie en dat gevoel het laatste trapje te missen in het donker, dat kan echt niet de bedoeling zijn, toch? Gewijde stilte. Het viel Toots Thielemans elke keer opnieuw te beurt en het publiek brengt dat respect nu ook op voor Anouar Brahem The Astounding Eyes of Rita (***). En dat is terecht. Brahem is, samen met o.m. Rabih Abou-Khalil en Dhafer Youssef, de voorbije decennia uitgegroeid tot hét gezicht van de oed, een snaarinstrument uit het Midden-Oosten. Met zijn recentste album Blue Maqams (2017), dat net als zijn vorige releases verscheen bij het gerenommeerde ECM-label, bereikte hij een publiek dat hem headliner-status bezorgde. Dit concert stond echter in het teken van 's mans album uit 2009, dat hij uitvoerde met de muzikanten die er toen ook bij waren: basklarinettist Klaus Gesing, elektrisch bassist Björn Meyer en percussionist Khaled Yassine.Alles stond hier in het teken van ingetogenheid, ademruimte en organische flow, met dromerige baslijnen, golvende basklarinet, afwisselend sobere en virtuoze oed-figuren en subtiel toegevoegde accenten op bendir en darbouka, handtrommels die nu eens een statige maat aangaven en dan weer zorgden voor pulserende opsmuk. Brahem liet het ongehaaste samenspel voor zich spreken. Toen hij na bijna veertig minuten het publiek toch even toesprak was dat voor een droog, kort bedankje. Sommige stukken flirtten met koortsigheid, dreigden even te gaan exploderen, maar dat deden ze nooit. Dit was geen opruiende 'wereldjazz', geen flauwe gimmick of krampachtige versmelting van stijlen, maar muziek zo evident als ademen of het zoekende vloeien van water. Muziek die teert op instinct, beweegt als een dans in de intimiteit van het alleen zijn en zich onbewust lijkt van een publiek. De enige bedenking die je kon maken was dat een set van tachtig minuten misschien wat veel was. Een occasionele prik zou de impact van de rust nog vergroot hebben, een ademhaling die soms struikelt en zich weer herpakt is immers de mooiste. Maar dat is spijkers op laag water zoeken, want voor deze dag was de cirkel ineens rond.