...

Met zijn langspeeldebuut Bright Green Field wierp het Engelse Squid zich begin mei al op als één van de absolute revelaties van het jaar. Het vijftal, dat dezer dagen vanuit Londen opereert, maar een jaar of zes geleden werd opgericht aan de universteit van Brighton, weigert zichzelf regels op te leggen. Squid, wat inktvis betekent, beschikt, volgens een bevriende zielenknijper, over een meervoudige identiteit en blijkt het experiment niet te schuwen. Zijn hoekige songs zijn zo onvoorspelbaar, gelaagd en desoriënterend dat ze voortdurend van kleur en toon veranderen. Als je de groep op het podium bezig ziet, zou je dan ook zweren dat de leden geen muzikanten zijn, maar stuntpiloten die, met een ware doodsverachting, in een auto met vierkante wielen en zonder remmen richting finish razen. De manische zang van drummer Ollie Judge houdt het midden tussen de toonloze snauw van wijlen Mark E. Smith van The Fall en het gepiep en gekerm van David Byrne bij de jonge Talking Heads. Voor het overige bestaat er bij Squid geen vaste rolverdeling. Zo spelen gitaristen Louis Borlase en Anton Pearson, occasioneel ook bas, percussie en keyboards en treken ze regelmatig een zangpartij naar zich toe, terwijl bassist Laurie Nankivell zich net zo goed roert op trompet en allerlei elektronische apparatuur. Het vijftal heeft duidelijk geen gebrek aan ideeën, waagt zich in de jungle zonder kompas en puurt zijn nerveuze sound uit punkfunk, jazz, Krautrock, dub, noise en elektronica. Het resultaat is gecontroleerde chaos die door New Musical Express al is omschreven als crank wave.Splinterbommen Squid wordt in één adem genoemd met andere jonge Britse bands die de grens tussen melodie en atonaliteit opzoeken, zoals Black Midi en Black Country, New Road. Maar zijn verfrissende, avontuurlijke geluid zou wellicht ondenkbaar zijn geweest zonder illustere voorgangers als Captain Beefheart, het no wave-gezelschap DNA, de avant-progformatie This Heat, de groepen die tijdens de eighties verbonden waren aan het Engelse Ron Johnson-label (The Shrubs, A Witness, Stump, The Noseflutes), LCD Sound System of de jonge Foals. Squid leent dus wel een vertrouwde vocabulaire, maar hanteert zijn eigen strakke grammatica.Zodra in de Botanique de lichten uitgingen, was de spanning te snijden. De muziek van Squid klonk rusteloos en verontrustend, onorthodox en bevreemdend. Als toeschouwer kreeg je het gevoel dat de groep geen songs maar splinterbommen in de zaal dropte. Maar misschien had dat gewoon met de tijdgeest te maken? Want na enkele ep's (LINO, Town Centre) en speelse singles zoals Houseplants hebben de nummers van Squid op Bright Green Field meer diepgang gekregen. De focus ligt nu minder op de personages dan op een imaginair stedelijk landschap met dystopische trekjes, iets waar de recente pandemie wel niet vreemd aan zal zijn. In het universum van Squid staat álles op losse schroeven. De scheidslijn tussen fictie en werkelijkheid valt in de teksten niet altijd makkelijk te trekken, ook al omdat er veel ongezegd blijft. Wie goed luistert, hoort niettemin verwijzingen naar ongelijkheid, machtsmisbruik, decadente consumptiewoede, extreemrechtse propaganda en het gevaar van grote corporaties, waaronder Big Pharmabedrijven als ClaxoSmithKline. Tegelijk goochelt Squid met subversieve humor en bevatten hun songs catchy oneliners die zich als harpoenen in je geheugen boren. Dat verklaart meteen waarom de toeschouwers in Brussel de teksten als één man konden meebrullen. PsychotischDe fans van het eerste uur werden bediend met kubistisch aandoende oude singles als Sludge en The Cleaner. De nieuwe nummers (Fugue, Zolo en Sevens) deden dan weer het beste vermoeden voor de nabije toekomst, en bevatten ook subtiele, verstilde passages waarin de twee gitaristen mooi tegen elkaar op speelden. Maar de geestdriftigste reacties kwamen tijdens de nummers uit Bright Green Field, die in de oren van sommigen duidelijk al een klassieke status hadden verworven: het stuiterende 'G.S.K.', waarin de trompettist een jazzy vibe opwekte, het pychotische 'Peel St.', met percussief leftfield-gitaarspel, geïnspireerd door Arto Lindsay, en een weirde structuur waarin Squid moeiteloos stilistische tegenstellingen wist te overbruggen. Toen in de Botanique halverwege Boy Racers het dak eraf dreigde te vliegen, stapte de groep treiterig op het rempedaal en veranderde het nummer in een langgerekte instrumentale ambient drone. De drummer, die plots niets meer om handen had, ijsbeerde dan maar wat rond zijn drumstel, af en toe een tik op een cymbaal uitdelend en onderwijl enkele gekke dansjes uitproberend. Het tempo versnelde aanzienlijk in Paddling (over de deporabele situatie van de arbeidersklasse), het van rare tunings voorziene Narrator en de energieke uitsmijter Pamphlets. Het publiek was door het dolle heen, maar onder het motto Always leave them wanting more liet Squid het bissen achterwege. Niet dat er lang werd gekniesd: wie er was, had net een prikkelend en meeslepend concert meegemaakt, dat velen zich zullen herinneren als een Gebeurtenis. Of hoe experimenteel en toegankelijk geen begrippen zijn die elkaar per se hoeven uit te sluiten.