Primavera, dat is lekker lang de siësta rekken, een portie sardienen verorberen met een cava erbij, een metrorit van twintig minuten uitzitten, en vervolgens aan het eerste concertje beginnen.
...

Primavera, dat is lekker lang de siësta rekken, een portie sardienen verorberen met een cava erbij, een metrorit van twintig minuten uitzitten, en vervolgens aan het eerste concertje beginnen. Zo wandelen we rond 19 uur het Auditori Rockdelux binnen, een auditorium in het Forum, een conventiecentrum aan de ingang van het festivalterrein, ontworpen door het Zwitserse architectenduo Herzog en DeMeuron. Het zijn de jazzveteranen van Art Ensemble of Chicago, eind jaren 60 strijders in de voorlinie van de avant-garde, die ons uit de zon lokken. Bandleider Roscoe Mitchell mag dan reeds de gezegende leeftijd van 77 bereikt hebben, samen met enkele overgebleven, originele leden - zoals drummer/percussionist Don Moye - houdt hij het oude vuur levend. Het oeuvre van de groep is enorm veelzijdig, maar in Barcelona bleven de swingende nummers als Theme De Yoyo (1970, met zangeres Fontella Bass, uit de soundtrack van de Franse film Les Stances a Sophie) achterwege. In plaats daarvan improviseerden de heren er rustig op los, met veel ruimte voor solo's en duels. Opvallend: een groot deel van de 3000 zitjes was gevuld, en dat terwijl buiten gelijktijdig publiekslieveling Lee Fields en indiefenomeen Ezra Furman speelden. Behalve beleefd applaus na de solo's zaten al die toeschouwers de band ook opvallend aandachtig gade te slaan - enkele taterende Spanjaarden niet te na gesproken, maar die werden na enkele minuten sissend het zwijgen opgelegd. Yep, op Primavera Sound zijn de Catalanen toerist in eigen stad.***Ook op het Apple Music-podium telden we zeven man, maar daar houdt de vergelijking tussen Art Ensemble of Chicago en Sparks op. De broers Ron en Russell Mael vormen op hun albums al sinds de jaren 70 een duo, maar worden live versterkt door vijf jonge muzikanten, net zoals de broers (respectievelijk 72 en 69 jaar jong) netjes uitgedost in het zalmroze. Lang heeft de groep uit Los Angeles nooit op zijn lauweren gerust, waardoor ze anno 2018 kan putten uit een oeuvre dat van synthpop en glamrock tot disco en operetteachtige barokpop reikt. Vorig verscheen hun 23ste album, Hippopotamus, waaruit we onder meer de titeltrack, Edith Piaf (Said It Better Than Me), en een potig Missionary Position herkenden, een ode aan de missionarispositie - 'There are pros and cons to each different pose / But we don't see any need to get to those / 'cause we're feeling great, a heightened state, the missionary position'.De rolverdeling van de Maels is al die jaren onveranderd gebleven: Russell is de zanger en het podiumbeest, zijn broer zit stoïcijs achter zijn keyboards. Eén dansje kon eraf, maar het zijn sowieso de theatrale, excentrieke songs die de show droegen. Aan het eind kreeg het enthousiaste publiek waar het voor gekomen was: de hits Number One Song In Heaven (in 1979 geproducet door Giorgio Moroder) en de Queen-achtige glamrockhymne This Town Ain't Big Enough For The Both Of Us, uit 1974. Een dikke duim voor de vocale acrobatiek van een erg vitale Russell Mael, die 44 jaar na datum nog steeds die torenhoge noten weet te bereiken. Dat ze nooit aan het Eurovisiesongfestival hebben deelgenomen is enkel omdat Amerika, nu ja, in Amerika ligt. Met Sparks stond er kortom een cultgroep op het podium die haar feestje gerust later op de avond kon bouwen. De oudjes beten dus de spits af op Primavera Sound, tijd voor wat jong bloed. Kelela debuteerde vorig jaar met het album Take Me Apart, een plaat vol broeierige, sensuele r&b. Een groep bracht ze niet mee naar Barcelona, wel twee bevallige, in witte kokerrokken gestoken achtergrondzangeressen. De muziek kwam uit een doosje, en dat vonden we best jammer, zeker omdat de songs van Kelela sowieso al niet overlopen van dynamiek en zij het vooral van de sfeer en haar confronterende teksten moet hebben. De bassen gingen diep, de vocale toonladders gingen hoog, en wanneer de drie stemmen zich innig met elkaar verstrengelden, leek het even alsof we naar een alternatieve, minder geborstelde versie van Destiny's Child stonden te kijken. We hebben dan ook al slechtere r&b-shows gezien, maar ook wel betere.***Maakt Björk festivalmuziek? Die vraag konden we enkel hoofdschuddend beantwoorden in 2012, na haar veelbesproken maar dunbevolkte passage - de wei stond niet eens halfvol - als headliner op Pukkelpop. Dat haar eind vorig jaar verschenen album Utopia opgebouwd is rond samples van vogelgezangen en een dertienkoppig fluitensemble, deed ons vermoeden dat ook deze tournee geen hapklare brok zou worden. Maar kijk, we hebben haar gezien, en eigenlijk willen we niet te veel verklappen. Laten we zeggen dat iedereen op 11 juli de kans krijgt om met eigen ogen te aanschouwen in welke gedaante de IJslandse zich tegenwoordig aan de buitenwereld toont, en dat u die kans maar beter met beide handen grijpt. Vraag: wat is minder cool dan een dwarsfluit? Antwoord: zeven dwarsfluiten. En een harp. Zeven dwarsfluiten, een harp, percussionist Manu Delago en een anonieme klankentapper vullen het podium bij Björk. Eigenlijk zou je ze menselijke decorstukken kunnen noemen. Of spelers in een schouwspel dat het midden houdt tussen een schilderij van Caravaggio, een documentaire van Richard Attenborough, een film van Guillermo Del Toro, en kabuki, oftewel de edele kunst van de Japanse opera.Nogmaals, we willen écht niet te veel verklappen, maar weet dat we nooit zo geboeid naar fluitisten hebben staan kijken als gisteren. Weet dat Björk veel songs uit haar meest recente plaat plukt, maar ook uit haar debuut (Human Behavior), uit Post (Isobel), uit Volta (Wanderlust) en uit het a capella-album Medúlla (Pleasure Is All Mine). Als rattenvangers uit Reykjavik brachten Björk en haar dwarsfluit-elfjes ons in vervoering. Weet dat Primavera Sound anderhalf uur lang niet meer in Barcelona lag, maar in een parallel universum, waar bloemen zingen, sterren schitteren in de kleuren van de regenboog, en vogels kunnen praten. 53 is ze intussen, maar Björk heeft ons verrast, verrukt, en met een brede glimlach de nacht in gestuurd. Slimme zet van Primavera om ze niet als headliner te programmeren, maar rond 22u, wanneer de hersenen en oren nog helder genoeg zijn.Eigenlijk is er maar één reden om op 11 juli niet op het Sint-Pietersplein te Gent te staan: als u het stemgeluid van mevrouw Guðmundsdóttir écht niet te harden vindt, blijf dan thuis. Anders gaat u kijken, zo simpel is het. En neem uw kinderen mee. Primavera, dat is ook: twee Britse lads in T-shirts van Slayer die braaf in kleermakerszit wachten tot Nils Frahm aan zijn set begint. De voorbije jaren zag het Duitse toetsenwonder zijn populariteit in stijgende lijn gaan. En daar hebben zijn liveshows heel veel mee te maken. Tip voor onze vrienden van Dour en het Cactusfestival, waar Frahm op respectievelijk 14 en 15 juli neerstrijkt: hang een camera boven het podium, gericht op zijn vingers. Want het is waanzinnig om te zien hoe hij zijn handen over de vele keyboards - we telden er minstens elf - laat glijden, hoe hij goochelt met effecten en akkoorden. Frahm tokkelde ons van jazzy ambient naar sacrale techno, naar minimaal klassiek, naar dub en weer terug, met niks in de handen, niks in de mouwen. We bedenken ons dat we Nils Frahm de Jean-Michel Jarre voor mensen die boeken van Haruki Murakami lezen kunnen noemen. Zonder de lasers. Jammer, eigenlijk. Iemand in ons gezelschap liet optekenen: 'Wie hem bezig ziet heeft geen goesting meer om zelf muziek te maken.' Oké, het is een drummer, maar dan nog.Zagen we tussendoor: Om 4 uur begon de Duitse househarlekijn DJ Koze aan de laatste dj-set van de nacht. Tijd voor ons om naar een taxi te zoeken en ons een weg naar dag twee te slapen, met onder meer Father John Misty, Ty Segall, Shellac, The Internet, The Breeders en Jorja Smith op het programma. Hasta mañana!