HET CONCERT: Devendra Banhart in AB, Brussel op 28/1.
...

Banhart werd in het begin van deze eeuw uit de anonimiteit opgevist door Michael Gira van Swans, die hem prompt een plekje op zijn eigen Young God-label aanbood. Van de weeromstuit gold de excentrieke singer-songwriter in 2002 als één van de vaandeldragers van de freak-folk (of New Weird Americana), een strekking waar ook Joanna Newsom en CocoRosie toe behoren. Met Ma, dat vorig jaar in september het licht zag, staan we nu tien langspelers verder. In het voorbije decennium wist Devendra Banhart zich te ontwikkelen tot een veelzijdige, vaak speelse songwriter wiens werk afwisselend herinnert aan de luie, lethargische pop van Kevin Ayers, de uitgekiende easy listening van Burt Bacharach en de sound van de Laurel Canyongeneratie uit de seventies, maar ook aan tropicália en andere vormen van Latijns-Amerikaanse muziek. Ma is een plaat over het moederschap en, bij uitbreiding, culturele afkomst. Banhart verwijst regelmatig naar Venezuela, het land van zijn moeder waar al sinds geruime tijd een politieke en humanitaire crisis woedt. Cate le Bon en de legendarische Britse folknimf Vashti Bunyan werkten mee, grote voorgangers als John Lennon, Harry Nilsson en Leonard Cohen kregen een verwijzing.Dat de avond in de AB werd ingeleid door Vetiver, het muzikale vehikel van zanger en liedjesschrijver Andy Cabic uit San Francisco, was geen toeval. Hij en Devendra Banhart komen uit dezelfde scene, hebben in het verleden al vaker de creatieve krachten gebundeld en bestieren samen een platenlabel. Ooit was Vetiver een echte band, maar in Brussel werd de Californiër enkel ondersteund door de sierlijk uitwaaierende gitaar van Jeremy Harris, een man die ook bij Banhart de snaren en klavieren zou beroeren. Cabic, onlangs bevallen van zijn zevende lp Up On High, grossierde in prachtige folksongs met een poppy inslag als Swaying, You May Be Blue of het van swamprocker Bobby Charles geleende I Must Be In A Good Place Now. Met zijn combinatie van harverwarmende samenzang en naar Johnny Marr verwijzende solo's was Vetiver zoveel méér dan een pittig aperitief.Banhart zelf is al lang niet meer de langharige hippie van achttien jaar geleden. Hij heeft zich getransformeerd in een baardige bard die wordt bijgestaan door een patente band, maar zingt nog altijd met een trillend vibrato dat herinnert aan Donovan ten tijde van Hurdy Gurdy Man of Tommy James van The Shondells, de eendagsvlieg achter Crimson and Clover. Het zelfgeschilderde bloemetjesdecor was niet van die aard dat we ooit een schilderij van Devendra Banhart in huis zouden halen, maar uiteraard ging het om de muziek. Die werd voornamelijk geput uit platen als Smokey Runs Down Thunder Canyon, Mala en Ma. De zanger trapte af met Is This Nice?, een slaaplied voor een kind dat zijn moeder is verloren, geplant op een onderhuids knagend ritme. In het van bossanova doordesemde Theme From a Taiwanese Woman in Lime Green en het sensueel wiegende Love Song toonde Banhart zich al even zoetgevooisd als zijn grote voorbeeld, de Braziliaan Caetano Veloso. Kantori Ongaku (Japans voor 'countrymuziek') was een ode aan Haruomi Hosono van Yellow Magic Orchestra, een man die met zijn uiterst gevarieerde muzikale patchwork voor Banhart een vruchtbare inspiratiebron is geweest. 's Mans hang naar het absurdisme kwam dan weer tot uiting in het zacht stuiterende Taking A Page, waarin hij citeerde uit het oeuvre van Carole King. Boven de softfunk Fancy Man - elastische bas, Afrikaans aandoende gitaarriedeltjes- hing zowaar de geest van Al Green. Ook Golden Girls was onweerstaanbaar: het klonk allemaal behoorlijk ontspannen en wat Devendra Banhart ook deed, de vele hardcorefans in de zaal onthaalden het op herkenningsapplaus of euforische kreetjes. Zelfs Spaanstalige nummers als Hey Negrita en Carolina werden massaal meegezongen. Een zekere theatraliteit was de artiest overigens niet vreemd: zo werd Daniel geïllustreerd met weidse armgebaren, maar na het eerste halfuur ging de set almaar rommeliger klinken. Vaak had je de indruk dat Banhart en zijn begeleiders niet goed wisten hoe ze hun songs moesten beëindigen, waardoor ze meer dan eens net vóór de eindmeet in elkaar stuikten. Of er verzoekjes waren, wilde de zanger weten. Die wáren er. Het lang uitgesponnen Seahorse werd versierd met hoogst expressieve gitaaruitweidingen en groeide uit tot een hoogtepunt, maar toen Banhart overging op een kort solo-akoestisch interludium verzandde het concert steeds dieper in chaos en gelummel. Gelukkig was er ook het fraaie At the Hop, geestig en intimistisch tegelijk. Soms, zoals in The World is Wasted, ging de band richtingloos improviseren. Tijdens Figs in Leather ging Devendra Banhart even de discotoer op. Alleen jammer dat de zwiepende strijkers (denk aan Curus Mayfield of Isaac Hayes) uit een doosje bleken te komen. Het even lijzige als frivole Für Hildegard Von Bingen verwees naar een middeleeuwse mystica en met de aanstekelijke latin-pop van Carmensita werd uiteindelijk een streep onder de avond getrokken. We zagen een amusant, bij momenten uitstekend, maar af en toe hopeloos wegzakkend concert van een man die, qua nonchalance, iets teveel met Mac DeMarco tracht te wedijveren. Soms verwerd Banhart tot een matige comedy-act, wat de toeschouwers blijkbaar weinig kon schelen. Maar het tandengeknars van bovengetekende klonk zo nu en dan luider dan de muziek. En dat kon toch écht niet de bedoeling zijn?