Het concert dat we in 2016 zagen tijdens het Jazz & Heritage Festival in zijn thuisstad New Orleans, liet een wrange nasmaak achter. Een ongeïnspireerde trompettist die continu het werk overliet aan zijn muzikanten en slechts af en toe een mini-intermezzo bracht. Dit scenario lukte indertijd bij Miles, maar niet bij deze Scott.
...

Het concert dat we in 2016 zagen tijdens het Jazz & Heritage Festival in zijn thuisstad New Orleans, liet een wrange nasmaak achter. Een ongeïnspireerde trompettist die continu het werk overliet aan zijn muzikanten en slechts af en toe een mini-intermezzo bracht. Dit scenario lukte indertijd bij Miles, maar niet bij deze Scott. Anno 2017 stond in Gent een totaal ander personage op het podium. Gehuld in hipsterkledij met dito kapsel maar vooral met een aanstekelijk enthousiasme en omringd door een gedreven kwintet, bewees Scott zijn terecht hoog gequoteerde marktwaarde als een van de toonaangevende visionairs uit de huidige lichting. De setlist was hoofdzakelijk opgebouwd rond de trilogie die hij uitbrengt naar aanleiding van de eerste jazzopname honderd jaar geleden. Hij wil met deze releases bewijzen dat de volgende eeuw even boeiend en revolutionair zal worden. Hoog gegrepen? Zeker en vast maar wel uiterst geloofwaardig, te oordelen naar wat we hier hoorden. Zijn gumbo van jazz, blues, funk en hiphop, opgepimpt met wat second line ontleend aan de Afro-Amerikaanse traditie van de indianenclans uit New Orleans (waar hij zelf deel van uitmaakt), heeft duidelijk toekomst. De sociale boodschap die Scott meegaf, sluit bovendien aan bij het engagement van de revolutionaire jazz uit de jaren zestig. Niet toevallig kregen de nieuwe cd's titels als 'Diaspora', 'Ruler Rebel' en 'The Emancipation Procrastination'. Jazz als het geweten en de weerspiegeling van een continu evoluerende maatschappij, gehuld in de juiste streetart verpakking. Dit lusten we wel. De bomvolle tent trouwens ook, gezien de staande ovatie. Een eerste hoogtepunt van dag 2.Met dergelijke groepsnaam leek het erop dat na het concert van Christian Scott aTunde Adjuah de trip naar New Orleans verdergezet zou worden. French Quarter is namelijk de originele wijk in de "crescent city" waar de jazz ooit ontstond. Neen dus. Het ging hier om een gelegenheidsgroep van vijf muzikanten uit de Franse jazzscene, die momenteel volop in de kijker staat bij onze zuiderburen. Voor wie regelmatig het toonaangevende Jazz Magazine leest, klinken namen als Airelle Besson, Baptiste Herbin, Thomas Enhco, Anne Paceo en Sylvain Romano zeker al vertrouwd in de oren. Een aantal onder hen hebben zelfs gezamenlijke projecten. Over technische vakkundigheid en componeertalent viel niet te discussiëren. Ook de inzet, zeker van de hard meppende drumster Paceo, stond buiten kijf. Het duet van pianist Enhco en trompettist Besson was zelfs een sterrenquotering waard. Het potentieel is er dus, maar wat we misten, was een eigen profiel. Het academische haalde de bovenhand. Hun koorddansen tussen Europese en Amerikaanse traditie vergt duidelijk verdere oefening. En dan was er gastzanger Hugh Coltman. Als volbloed crooner liet hij vorig jaar een overtuigende indruk na met zijn tribute aan Nat King Cole. Wat hij hier kwam doen, vragen we ons nog steeds af. Misplaatst en overbodig. Het afsluitingsnummer, opgebouwd als een heuse toboganrit, maakte wel een en ander goed, maar een echt plan en een goede jazz-gps misten ze. Misschien moeten ze toch maar eens naar het echte French Quarter afzakken. A suivre.De warme, houten toon van Christian McBrides contrabas vult de tent. Virtuoos, vingervlug, maar helder gearticuleerd en moeiteloos. De man lijkt voor het instrument geboren en hij houdt er zichtbaar van - om zijn hals draagt hij een medallion in de vorm van een hart. Wie goed kijkt, herkent er de kam van een contrabas in.McBride is een van de meest gesolliciteerde sidemen in jazz vandaag, met meer dan 300 albums achter zijn naam. Zijn laatste passage op Gent Jazz dateerde van 2010, toen hij als lid van de Chick Corea Freedom Band deelnam aan een losgeslagen Sex Machine-jamsessie, een van de meest memorabele momenten uit de geschiedenis van het festival. 'Een partijtje zoals toen zit er dit keer niet in', bekende een guitige McBride aan het publiek, dat meteen luid teleurstelling veinsde, 'dat laat ik aan Herbie over, straks.'De samenstelling van de band, zonder piano of gitaar, doet onwillekeurig denken aan de beroemde kwartetten van Gerry Mulligan of Ornette Coleman, maar daar eindigt ook zowat de vergelijking. De afwezigheid van een akkoordinstrument laat McBride toe het verloop te besturen vanuit de basis. Hij bepaalde tempi en dirigeerde de intense onderlinge communicatie tussen het viertal met bliksemsnelle, impressionistische glissandi, plotse tempowissels of met rotsvaste walking bass. Een diepe kennis van en respect voor de geschiedenis van het genre ademde door de hele set, die een eerbetoon werd aan de helden van de contrabassist. In Larry Youngs Obsequious speelde het viertal elastische en energetische post-bop in de geest van het tweede Miles Davis-kwintet. Met Tony Williams' Mr. Biko demonstreerde de verfijnd, maar vurig spelende Nasheet Waits de ingrijpende invloed van de te jong gestorven meesterdrummer. Trompettist Josh Evans bracht met het wondermooie Ballad For Ernie Washington een aangrijpend eerbetoon aan deze vergeten jazzpianist. Het kon concurreren met het beroemde I Remember Clifford. Naarmate de set vorderde, raakte het kwartet steeds meer op dreef. Helemaal feest werd het met Take it to the Ozone van Freddie Hubbard, een aanstekelijke tour de force van stop-and-goritmes. In het slotstukThe Good Life van Ornette Coleman, jongleerde saxofonist Marcus Strickland met zonnige calypsoritmes en stapelde de riffs als een volleerde Sonny Rollins. Pure jazz mikt steeds naar de benen, ook al dans je in het hoofd. Zo werd het toch nog een leuk partijtje.Opvallend veel pensioengerechtigden bij de headliners van Gent Jazz dit jaar - donderdag nog Grace Jones en vandaag is het de beurt aan McCoy Tyner en Wayne Shorter. Maar leeftijd heeft bijlange nog geen greep gekregen op Herbie Hancock. Als kranige 77-jarige blijft hij een eeuwig jeugdige, breed lachende spring-in-het-veld. 'We're really gonna have a great time here tonight!' juichte hij het talrijk opgekomen publiek huppelend toe. Wie kwam voor de hits, werd op de wenken bediend. Maar tussendoor smokkelde de pianist ook een aantal nieuwe stukken de set in. Ze doen uitkijken naar een album dat al een tijdje op stapel staat.Herbie Hancock is een rolmodel voor een hedendaagse generatie jazzmuzikanten. Ze spiegelen zich aan diens niet aflatende zoektocht naar nieuwe sonoriteiten, interesse voor state-of-the-arttechnologieën en zijn bereidheid om complexe avant-garde met breed verteerbare popmuziek te combineren. Destijds een absolute no-no voor zichzelf respecterende jazzmusici, vandaag is deze 'Hancock-spagaat' veeleer norm dan uitzondering. Op zijn beurt omringt de levende legende zich graag met nét dit slag muzikanten: keyboardspeler en saxofonist Terrace Martin, bijvoorbeeld, die tevens de producer is van Kendrick Lamars meesterwerk To Pimp a Butterfly; gitarist/zanger Lionel Loueke ('It looks like a guitar he's playing, but I still haven't figured out what he's doing'), bassist James Genus en de er stevig op los meppende Vinnie Colaiuta. Dit is een blits gechromeerde en naar de toekomst getrokken versie van de klassieke Headhunters - onder hoogspanning.De set trok zich traag op gang met een wolk van futuristische synthesizerklanken vooraleer de band in een stevige groove haakte en die voor het komende dik uur niet meer losliet. Terrace sputterde met een scherpsnijdende sax, Loueke zong melodieën vol ritmische Khosa tongkliks, vervormd door vocoder. Tussendoor wisselde Hancock voortdurend tussen akoestische vleugelpiano en keyboards. Een en ander mondde uit in een geüpdatete klassiekers die zich vaak slechts als flarden doorheen de gechargeerde ritmes aanboden. Actual Proof van het Thrust album uit 1974, bijvoorbeeld. Het stuk klonk agressiever, logger en meer dreigend dan ooit, maar daarom niet minder funky. Runnning To Me uit het crossover-album Sunlight werd door Hancock zelf door vocoder heen gezongen en in een medley aan een nieuw stuk The Secret Sauce geregen. De zaal veerde pas echt recht bij de allereerste zweem van herkenning van de evergreen Canteloupe Island. Hancock liet zijn sidemen breeduit de ruimte om te soleren, maar voor de hoogtepunten zorgde hij zelf. Als een meesterverteller weet hij zijn tussenkomsten perfect te doseren. Hij heeft steeds een extra versnelling achter de hand. In dit geval was dat het bisnummer Chameleon, waarvoor hij de keytar omgorde en zich de onbetwiste meester op het instrument toonde.Wie vreesde dat dit wel eens de laatste keer kon zijn dat we de man nog in goeden doen konden meemaken, gaf Hancock lik op stuk. Hij heeft nog sap genoeg in dat vege lijf van hem voor de komende decennia.