...

Greg Dulli en de zijnen vallen nog het best als pyromanen te omschrijven: ze slingeren hun songs als brandbommen de zaal in en veroorzaken zo een reeks moordende steekvlammen die je als toeschouwer steevast zwartgeblakerd achterlaten. Dulli is het soort frontman voor wie routine een scheldwoord is. Hij mag in de loop der jaren dan wel een beetje ronder zijn geworden, op het podium geeft hij zich altijd voor honderdtwintig procent, als een ridder die in zijn eentje een draak moet zien te verslaan. Afghan Whigs, oorspronkelijk uit Cincinatti, staat bekend als de archetypische soulgrungeband. Zijn muziek, een organische mix van gitaarrock en aan Motown en Stax schatplichtige r&b, klinkt uniek én sexy. Dulli's songs zitten vol duisternis en onderhuidse dreiging, maar zijn tegelijk een viering van het leven. De zanger ziet zijn rol als die van een filmregisseur: zijn werk steunt doorgaans op indringende beelden en ongewone gezichtshoeken en het onlangs verschenen In Spades vormt op die regel geen uitzondering.De achtste plaat van The Whigs, en de tweede sinds ze, na een onderbreking van dertien jaar, in 2004 met Do To The Beast een spectaculaire comeback inluidden, is verrijkt met strijkers en blazers en staat vooral in het teken van het geheugen en de herinnering. De steeds abstracter wordende teksten verwijzen naar Greg Dulli's jeugdjaren, die inmiddels getransformeerd zijn in een soort droomwereld. Zo te horen waren daar nog altijd spoken rond: het is geen toeval dat de afbeelding op de hoes er één is van de duivel. In het universum van Afghan Whigs is de grens tussen romantiek en rancune altijd aan de smalle kant. Maar ook al neemt de zanger vaak de rol van klootzak op zich, op de één of andere manier slaagt hij er altijd in de sympathie van de luisteraar te wekken.Je kunt je natuurlijk afvragen hoeveel de groep, die anno 2017 de podia afschuimt, nog te maken heeft met de échte Afghan Whigs, want behalve Dulli is enkel bassist John Curley afkomstig uit de oorspronkelijke line-up. Het gezelschap lijkt veeleer een voortzetting van The Twilight Singers, het gezelschap waar Greg Dulli zich tussen 2003 en 2011 onledig mee hield. Een feit is dat het vijftal, occasioneel op gitaar en toetsen aangevuld door Ed Harcourt, de flamboyante Brit die tijdens de huidige tournee het voorprogramma verzorgt, zich niet onderdompelde in nostalgie. Meer dan de helft van de songs uit de set waren afkomstig uit zijn jongste twee langspelers en die klonken net zo trefzeker als het oudere materiaal.Dulli begon de avond in zijn eentje met een backingtrack, maar na de faux-doowop van Birdland werden, met het oog op Arabian Heights, niet minder dan vier gitaren in stelling gebracht en deelde de groep de ene uppercut na de andere uit. Het tempo lag hoog, de onderbrekingen waren minimaal en in de AB stak alras een storm op waar Frank De Boosere ons niet voor had gewaarschuwd. Tijdens Matamoros hoorden we een stel uithongerde pitbulls nijdig aan hun ketting rukken. Het expressieve slidespel van Jon Skibic illustreerde perfect de paranoia van de zanger, die in het stotterende Honky's Ladder zijn stembanden aan flarden schreeuwde. Heel wat nummers, waaronder Light As A Feather en het ronduit verpletterende Debonair, steunden op koortsige blaxploitation-funk en hadden op het publiek het effect van een blikseminslag.Wie er dit keer niet bij was, was gitarist Dave Rosser, bij wie een poosje geleden terminale darmkanker werd vastgesteld. 'Hij vecht momenteel in New Orleans voor zijn leven', vertelde Dulli. Hij droeg You Want Love, een cover van James Halls Pleasure Club op aan zijn onfortuinlijke strijdmakker, 'omdat we vaak samen naar die groep zijn gaan kijken'. Wat later wond de zanger zich op omdat iemand vanaf de balkons stond te filmen: 'We are HERE, man. So why won't you be here, too?' Om dat te bewijzen werd met het messcherpe Toy Automatic, over de ruïnes van een relatie, een ware blitzkrieg ingezet.Tijdens de tweede helft van de set nam de groep even wat gas terug en kwam ze op de proppen met wat meer ingehouden songs zoals Can Rova, het nachtmerrie-achtige It Kills, waarvoor Greg Dulli plaatsnam aan de piano, de vertraagde 'slight return'-versie van Going To Town en een beklemmend Fountain and Fairfax, allemaal nummers die door multi-instrumentalist Rick Nelson werden bijgekleurd op viool of cello. Algiers baadde in een Phil Spector-sfeertje maar, net voor John the Baptist en het logge Somethin' Hot werden afgevuurd, gooide Afghan Whigs weer een volle doos spijkers op het wegdek.The Whigs staan erom bekend dat ze vaak citaten uit andermans songs of onverwachte covers hun set binnen smokkelen en tijdens de bissen was het al meteen prijs met Ooh La La, een oude folkrocker van The Faces. In de majestueuze, door een trieste piano ingeleide finale Faded, verwees Greg Dulli dan weer naar het van Bonnie Raitt bekende I Can't Make You Love Me. Maar het publiek raakte vooral door het dolle heen tijdens het iets eerder gespeelde Summer's Kiss: euforie alom. Onnodig te zeggen dat we in de AB flink door elkaar werden geschud en dat, na afloop, geen van onze botten nog op de juiste plaats zaten. Slechts één minpuntje: de gitaar van (de overigens geweldige) Jon Skibic stond de hele avond zo luid dat ze vaak de overige instrumenten én de stem van Dulli overstemde. De mix had dus beter gekund. Voor de rest manifesteerde Afghan Whigs zich als een turbine in overdrive. Als de heren erin slagen deze prestatie te evenaren op Pukkelpop, voorspellen wij nu al een joekel van een hoogtepunt. (D.J.M.)