'Ik ben nogal een gewoontedier', sprak Bert Dockx ooit in dit blad, over de keer dat hij door zijn manager met zachte dwang voor het eerst werd gekoppeld aan een 'echte' producer, in de gedaante van Koen Gisen. Tien zelden minder dan uitstekende platen lang, over alle projecten heen, zouden Dockx en Gisen elkaar trouw zweren aan het altaar van La Patrie, de studio waar Flying Horseman vier keer op stal ging. Maar zelfs bij een gevleugeld paardmens doet verandering van spijs ...

'Ik ben nogal een gewoontedier', sprak Bert Dockx ooit in dit blad, over de keer dat hij door zijn manager met zachte dwang voor het eerst werd gekoppeld aan een 'echte' producer, in de gedaante van Koen Gisen. Tien zelden minder dan uitstekende platen lang, over alle projecten heen, zouden Dockx en Gisen elkaar trouw zweren aan het altaar van La Patrie, de studio waar Flying Horseman vier keer op stal ging. Maar zelfs bij een gevleugeld paardmens doet verandering van spijs eten. Dus gaan Dockx, ritmetandem Mattias Cré en Alfredo Bravo en Martha en Loesje Maieu (op zang, toetsen, en gitaar) voor het eerst sinds 2012 in zee met een andere geluidsgoeroe: Jasper Maekelberg van Faces On TV, Warhaus en vele muzikale karweien links en rechts. 'Set, reset!', jubelt Dockx over een snedig funkriffje in de gelijknamige song, met zijn gebalde 2 minuten 58 seconden de kortste in hun geschiedenis. Van een dramatische ommezwaai blijkt echter geen sprake. De futuristische afrobeat van Citizen die de loper richting moederschip uitrolt herinnert aan de spielereien van David Byrne met Brian Eno, maar hun cultklassieker My Life in the Bush of Ghosts (1981) drukt al langer zijn stempel op het eindeloze canvas waar Flying Horseman over beschikt. Flare voegt een nieuwe, minimalistische grootstadsblues toe aan het repertoire, op een ontspannen drafje van drumroffels en een speelse baspartij. 'Blue shoes, red eyes/ Let's go out, before the room starts sinking', croont de kopman, alsof alles nog hetzelfde is. Maekelberg hanteert dan wel een strakker geteugeld, meer punchy geluid dan zijn voorganger, Flying Horseman blijft een beest dat zich niet makkelijk laat temmen. Voor Hotel reizen ze af naar het New York van de postpunk, toen jazz, funk en noise samensmolten in zweterige souterrains. Benieuwd of de koebel mee in de handbagage mocht. Let ook op het moment dat er vanuit al het koortsachtige gewriemel plots een bijna springsteeniaanse apotheose ontstaat. Met Where Do You Live zet het kwintet nog eens koers richting Japan - de in elegante postrocknevelen gehulde groep rond David Sylvian, niet het land van de rijzende zon. Tien jaar na het debuutalbum Wild Eyes heeft Flying Horseman niets aan dynamiek, koppigheid en honger naar avontuur ingeboet. Geen radicale reset, dus, wel een vliegende doorstart.