STEVE GUNN - Eyes on the Lines *****
...

Voor oude en jonge punks valt hier niks te rapen. Vernieuwing, breken met gevestigde normen en waarden, is hier niet aan de orde. Steve Gunn is een traditionalist (en daar hoogstwaarschijnlijk nog trots op ook), zo eentje die zingt over de gloed van de volle maan, over oneindig wijde rivieren die even ver door de wildernis snijden, en over het cosmic plan. Maar voor de teksten hoeft u Eyes On The Lines, de opvolger van het uitstekende Way Out Weather uit 2014, geen verplichte kost te vinden. 'Beetje briljant', luidde ons eindoordeel over die langspeler. Deze keer durven we een beetje verder te gaan. Niet vanwege de teksten dus, waarin Gunn zich out als een groene jongen, het sjofele type dat met een versleten exemplaar van Jon Krakauers Into the Wild antwoorden zoekt en vindt in de wonderen der natuur. Ook niet vanwege de stem - die is tamelijk onopvallend maar zeker nooit storend. Steve vertelt zoals hij wandelt, maar boy, can he play guitar! Melodieus, sprankelend, hypnotiserend en vol zwier, zonder een omhooggevallen air van 'hohoho, zie mij hier nu eens gitaar spelen! Zie!', maar recht uit de buik. Gunn is een aanhanger van snarendrijvers als John Fahey en Michael Chapman, in de blues en folk gepokt en gemazelde muzikanten die traditie niet als een struikelblok richting avant-garde ervoeren en met eenzelfde wereldse knip in de vingers. Gunn splitste zich ooit af van Kurt Viles Violators, maar timmert al sinds 2007 parallel aan het solopad. Niet op het midden van de baan, maar in de marge. Met Way Out Weather verliet hij de veilige haven van de obscuriteit, met Eyes on the Lines gaat hij definitief voor anker aan de samenloop van kosmische folkrock en hedendaagse americana. Hij diept er negen songs op, negen songs die eigenlijk nooit verrassen, maar in al hun eenvoud toch briljant zijn, en verdomd verslavend. We geven geen voorbeelden of referenties, foert. Steve Gunn is een blijver. Wie twee jaar geleden als een blok voor The War on Drugs viel en nog eens van majestueuze, zich naar de hemel richtende en tegelijk diep in de geschiedenis wroetende gitaarmuziek wil proeven, weet waarheen. Briljant. Of hadden we dat al gezegd? (JB)Zo jong en al zo nostalgisch! Ondanks hun geringe aantal levensjaren voelen de prille twintigers Max Kakacek en Julien Ehrlich zich veteranen in het slagveld van de muziek en dat van de liefde. Kakacek was de gitaarslingerende schoolverlater bij Smith Westerns, Ehrlich vulde er parttime de vacature van slagwerker in en sleet zijn shorts ook bij Unknown Mortal Orchestra. Light upon the Lake is hun eerste date met Whitney. Er stroomt soul door de leidingen van Chicago, de thuisstad die dit duo deelt met Curtis Mayfield, The Staple Singers en Sam Cooke. Het ritme en de blues kregen ze met de paplepel binnen, madelieflijke folkmelodieën en een groot hart voor powerpop à la Big Star maken dit fietstochtje richting golden days van de seventies compleet. Picknickmand en polkadotdekentje niet inbegrepen. (JB)Alison Mosshart en Jamie Hince doen het met deze vijfde plaat weer samen, na jarenlang gescharrel met The Dead Weather (zij) en Kate Moss (hij). Maar hoewel de gitarist van zijn modevlam aan het scheiden is en het gebruik van zijn linkermiddelvinger is kwijtgeraakt - hou mogelijke oorzakelijke verbanden alstublieft voor uzelf - is er in het Kills-huishouden niet veel veranderd. Het guerrilla-effect van weleer is pleite: Hince' bluespunkleuzes sneren veeleer stemmig dan smerig, de kale ritmebox gaat op in een geraffineerde productie, en zelfs Mossharts fameuze présence als zangeres kan enig gekabbel niet voorkomen. Niettemin: lang geleden dat we nog een song over de homo-erotische fantasieën van Vladimir Poetin hadden gehoord. (KB)Beth Orton goes tribal. Of toch ergens anders dan op Sugaring Season (2012), de comebackplaat waaruit zo veel akoestische nestwarmte sprak. Voor Kidsticks trok de Britse folkchanteuse met Andrew Hung van Fuck Buttons de wondere wereld van de electronica in, op zo'n breedvoerige wijze dat het haar vroegere werk met William Orbit, Andrew Weatherall en Chemical Brothers in de schaduw stelt. Mediteren over de vergankelijkheid van de dingen doet Orton op diepe junglebassen, dwingende EDM-dreunen en speelse technoriedels. Goed, wie zich daarnaast ook een beetje met ambient inlaat, parkeert inhoud om er met sfeer vandoor te gaan. Maar ondanks enkele flauwiteiten is dit nog steeds Beth Orton, alleen anders. Geef haar een kans. (KB)