Paul McCartney is een crowdpleaser, kon u vorige week nog in dit blad lezen. Dat is nobel zolang hij niet te zeer zijn best doet. Zo behaagziek en ostentatief commercieel waren brokken van Egypt Station (2018) dat die het ene oor in gleden en godzijdank het andere weer uit.
...

Paul McCartney is een crowdpleaser, kon u vorige week nog in dit blad lezen. Dat is nobel zolang hij niet te zeer zijn best doet. Zo behaagziek en ostentatief commercieel waren brokken van Egypt Station (2018) dat die het ene oor in gleden en godzijdank het andere weer uit. Van een iets ander allooi zijn de platen die hij eigenhandig in elkaar knutselde, in de eerste plaats ter eigen vermaak. Al waren ook McCartney (1970) en McCartney II (1980) niet onberispelijk, je was tenminste blij dat hij als artiest het avontuur en de probeersels opzocht, liever dan de volgende Ob-La-Di, Ob-La-Da te bekokstoven. Wat zeggen we: die huisvlijt resulteerde met Maybe I'm Amazed en Coming Up zelfs in twee van de allerbeste deunen die hij in de afgelopen vijftig jaar (!) met ons heeft gedeeld. Het is nog te vroeg om op McCartney III nu al een klepper van dat formaat aan te duiden, maar er zijn in ieder geval kanshebbers. De bijna instrumentale, fraai tussen blues en folk hinkende openingszet Long Tailed Winter Bird hoort daar nog niet bij. Maar met het afsluitende Winter Bird/ When Winter Comes vormt het wel de boeksteunen voor de soms van de hak op de tak springende werkjes ertussen. De opgeruimde powerpop van Find My Way fungeert als deel voor het geheel: een song over de lockdown waaruit deze hele plaat is ontsproten, over hoe bezorgdheid in goede moed omslaat, en waarin een aanvankelijk als te simpel ervaren refrein ingekapseld blijkt in verbazend veel instrumentale en compositorische details. En jawel, ook in Seize the Day toont McCartney zich toch weer de eeuwige optimistische goeierd. Na het clever geschreven Pretty Boys (over het dolle leven in een populaire jongensgroep) volgt de eerste ware blijver: het met robuuste stem en wijze woorden gedebiteerde Women and Wives, al net zo aangrijpend als Johnny Cash diep in de winter van zijn carrière. Het acht minuten inpalmende Deep Deep Feeling resumeert de vloek en de zegen van de liefde en is zelfs nog beter, met wonderlijk in elkaar verweven zangpartijen en een ragfijne ontplooiing. Het contrast met de rest klettert. Lavatory Lil is een bluesrockend niemendal over een in het hooi rollende del. Ook over de tekst van Deep Down (insteek: ' a party every night') was beter langer dan vijf minuten nagedacht. Maar dan nog blijft McCartney III aanstekelijk en joviaal, zelfs als het gaat over klusjes rond het huis opknappen, en de gitaarversterker voor Slidin' even op negen mag. De ene egoïst is niet de andere.