Het Brussels Jazz Orchestra, nog altijd een van Belgiës beste muzikale exportproducten, staat voor een stevig weekend. Op 12 januari, tijdens het Brussels Jazz Festival in Flagey, speelt het de composities van de finalisten van de International Composition Contest. Diezelfde dag presenteert regisseur Guy Fellemans (48) zijn documentaire Bring It to the People: The Film about the Brussels Jazz Orchestra. Drie jaar lang volgde hij het orkest op de voet, van Brussel tot New York en terug, en liet hij toppers als Bert Joris, Maria Schneider, Joe Lovano en Kenny Werner vertellen waarom die rare Belgen zowat de beste bigband ter wereld zijn. Maar Fellemans toont ook de schaduwzijde: hoe hou je in 2020 in hemelsnaam een jazzorkest van zeventien man on the road?

Wanneer heb je het BJO voor het eerst gehoord?

Guy Fellemans: In 2005 had Gent Jazz, dat toen nog Blue Note Festival heette, een extra luik in De Haan. Het hele weekend was gewijd aan bigbands, van het ICP Orchestra tot de Mingus Big Band. En daartussen ook het BJO, met percussionist Chris Joris. Dat was een eyeopener voor me. Ik kende wel een paar bigbands, zoals die van Duke Ellington, Count Basie, Glenn Miller en recenter Peter Herbolzheimer. Maar bigband betekende voor mij ofwel dansmuziek, ofwel een bom energie. En plots stond daar het BJO. Ik stond paf van de finesse, het atmosferische, het filmische. Toen al vroeg ik me af: waar kom die klank vandaan, wat voor muziek is dit, wie zijn die mannen? Wist ik veel dat een deel van hen al legendes waren. In 2015 zag ik dat hun 25e verjaardag eraan stond te komen en ben ik in actie geschoten.

Wanneer kreeg je het gevoel: hier zit een film in?

Fellemans: Het was me niet om een chronologisch verhaal te doen. Het is geen Belpop geworden - hoe fijn ik die format ook vind. Bigbands zijn behoorlijk schaars geworden. Het is niet simpel om zo veel mensen samen te krijgen, en financieel is het natuurlijk bijzonder moeilijk. Naarmate ik de leden van het orkest beter leerde kennen, begon dat zich als een rode draad te ontwikkelen: de motivatie van deze muzikanten om dit toch te blijven proberen, zoveel jaren lang. En het spanningsveld dat zoiets soms oplevert.

'Bigband betekende voor mij ofwel dansmuziek, ofwel een bom energie. En plots stond daar het BJO. Zo atmosferisch, zo filmisch.'

Guy Fellemans

Sommigen zijn jazzmuzikanten pur sang, terwijl je anderen ook ziet opduiken in de blazerssecties van Clouseau en Nathalia. Wanneer er dan gepraat wordt over mogelijke projecten, bijvoorbeeld samenwerking met het muziekcabaret De Frivole Framboos of het pop- en soulproject We Have a Dream, ontstaan er al eens discussies: moeten we dit wel doen? Gaandeweg kwamen de dilemma's steeds meer naar boven. Dát trof mij, en dat inspireerde ook de titel, Bring It to the People. De vraag: wat brengen we naar de mensen, en hoe dan we dat het best? Het mooie is: als de knoop eenmaal wordt doorgehakt, haalt de muziek haar klassieke niveau en zie je het speelplezier op de gezichten.

Wat heb je geleerd van werken met jazzmuzikanten?

Fellemans: Dat hun positie echt uniek is. Dit is niet bepaald een nine-to-five-leven. De muzikanten van het BJO zitten daar omdat ze daar wíllen zitten en omdat ze dat de tofste job ter wereld vinden. Ze hebben me enorm geïnspireerd en leerden me dat je moet blijven zoeken naar het werk dat je het liefste doet.

En dat zag ik elke avond gebeuren. Je kent het wel: popbands die net voor ze het podium opgaan een groepsknuffel doen. Bij het BJO doen ze dat níét - dat is wat moeilijk met zeventien. Nee, zij staan op hun gemak te keuvelen, één minuut voor het concert zit iedereen relaxed op zijn stoel en dan slaat het plots om in opperste concentratie én plezier. Ik heb er telkens weer met verbazing naar staan kijken.

De film gaat zondag in première op het Brussels Jazz Festival. En daarna?

Fellemans: Hij zit tien dagen in de reguliere programmatie van Flagey, en daarna zijn er voorstellingen in culturele centra. Ik kan de mensen aanraden om dit in een bioscoop te zien. Een bigband op een laptop, dat klopt toch niet? (lacht)

Het Brussels Jazz Orchestra, nog altijd een van Belgiës beste muzikale exportproducten, staat voor een stevig weekend. Op 12 januari, tijdens het Brussels Jazz Festival in Flagey, speelt het de composities van de finalisten van de International Composition Contest. Diezelfde dag presenteert regisseur Guy Fellemans (48) zijn documentaire Bring It to the People: The Film about the Brussels Jazz Orchestra. Drie jaar lang volgde hij het orkest op de voet, van Brussel tot New York en terug, en liet hij toppers als Bert Joris, Maria Schneider, Joe Lovano en Kenny Werner vertellen waarom die rare Belgen zowat de beste bigband ter wereld zijn. Maar Fellemans toont ook de schaduwzijde: hoe hou je in 2020 in hemelsnaam een jazzorkest van zeventien man on the road? Wanneer heb je het BJO voor het eerst gehoord? Guy Fellemans: In 2005 had Gent Jazz, dat toen nog Blue Note Festival heette, een extra luik in De Haan. Het hele weekend was gewijd aan bigbands, van het ICP Orchestra tot de Mingus Big Band. En daartussen ook het BJO, met percussionist Chris Joris. Dat was een eyeopener voor me. Ik kende wel een paar bigbands, zoals die van Duke Ellington, Count Basie, Glenn Miller en recenter Peter Herbolzheimer. Maar bigband betekende voor mij ofwel dansmuziek, ofwel een bom energie. En plots stond daar het BJO. Ik stond paf van de finesse, het atmosferische, het filmische. Toen al vroeg ik me af: waar kom die klank vandaan, wat voor muziek is dit, wie zijn die mannen? Wist ik veel dat een deel van hen al legendes waren. In 2015 zag ik dat hun 25e verjaardag eraan stond te komen en ben ik in actie geschoten.Wanneer kreeg je het gevoel: hier zit een film in? Fellemans: Het was me niet om een chronologisch verhaal te doen. Het is geen Belpop geworden - hoe fijn ik die format ook vind. Bigbands zijn behoorlijk schaars geworden. Het is niet simpel om zo veel mensen samen te krijgen, en financieel is het natuurlijk bijzonder moeilijk. Naarmate ik de leden van het orkest beter leerde kennen, begon dat zich als een rode draad te ontwikkelen: de motivatie van deze muzikanten om dit toch te blijven proberen, zoveel jaren lang. En het spanningsveld dat zoiets soms oplevert. Sommigen zijn jazzmuzikanten pur sang, terwijl je anderen ook ziet opduiken in de blazerssecties van Clouseau en Nathalia. Wanneer er dan gepraat wordt over mogelijke projecten, bijvoorbeeld samenwerking met het muziekcabaret De Frivole Framboos of het pop- en soulproject We Have a Dream, ontstaan er al eens discussies: moeten we dit wel doen? Gaandeweg kwamen de dilemma's steeds meer naar boven. Dát trof mij, en dat inspireerde ook de titel, Bring It to the People. De vraag: wat brengen we naar de mensen, en hoe dan we dat het best? Het mooie is: als de knoop eenmaal wordt doorgehakt, haalt de muziek haar klassieke niveau en zie je het speelplezier op de gezichten. Wat heb je geleerd van werken met jazzmuzikanten? Fellemans: Dat hun positie echt uniek is. Dit is niet bepaald een nine-to-five-leven. De muzikanten van het BJO zitten daar omdat ze daar wíllen zitten en omdat ze dat de tofste job ter wereld vinden. Ze hebben me enorm geïnspireerd en leerden me dat je moet blijven zoeken naar het werk dat je het liefste doet. En dat zag ik elke avond gebeuren. Je kent het wel: popbands die net voor ze het podium opgaan een groepsknuffel doen. Bij het BJO doen ze dat níét - dat is wat moeilijk met zeventien. Nee, zij staan op hun gemak te keuvelen, één minuut voor het concert zit iedereen relaxed op zijn stoel en dan slaat het plots om in opperste concentratie én plezier. Ik heb er telkens weer met verbazing naar staan kijken. De film gaat zondag in première op het Brussels Jazz Festival. En daarna? Fellemans: Hij zit tien dagen in de reguliere programmatie van Flagey, en daarna zijn er voorstellingen in culturele centra. Ik kan de mensen aanraden om dit in een bioscoop te zien. Een bigband op een laptop, dat klopt toch niet? (lacht)