Beide muzikanten groeiden op aan de kust: Arno Hintjens in Oostende, Paul Decoutere in Zeebrugge. Ze kwamen elkaar al eens tegen in het Oostendse nachtleven en in 1972 speelden ze voor het eerst samen in Freckleface, een groep die een vreemde mix van prog en blues serveerde. De enige lp van het gezelschap vond slechts driehonderd afnemers, tot hij in 2013 werd heruitgebracht door het Antwerpse Starman-label. Couter speelde gitaar, Hintjes harmonica, al mocht de laatstgenoemde in twee van de vijf nummers ook schoorvoetend zijn keel openzetten. De meest gehoorde reactie was dat de man niet kon zingen, maar Paul was wél van zijn talent overtuigd: 'Zeker, Arno is een speciaal geval, maar hij hééft het', vertelde hij aan al wie het horen wilde.
...

Beide muzikanten groeiden op aan de kust: Arno Hintjens in Oostende, Paul Decoutere in Zeebrugge. Ze kwamen elkaar al eens tegen in het Oostendse nachtleven en in 1972 speelden ze voor het eerst samen in Freckleface, een groep die een vreemde mix van prog en blues serveerde. De enige lp van het gezelschap vond slechts driehonderd afnemers, tot hij in 2013 werd heruitgebracht door het Antwerpse Starman-label. Couter speelde gitaar, Hintjes harmonica, al mocht de laatstgenoemde in twee van de vijf nummers ook schoorvoetend zijn keel openzetten. De meest gehoorde reactie was dat de man niet kon zingen, maar Paul was wél van zijn talent overtuigd: 'Zeker, Arno is een speciaal geval, maar hij hééft het', vertelde hij aan al wie het horen wilde. Hintjens en Decoutere deelden een voorliefde voor de rhythm-and-blues van The Kinks en The Animals, maar ook voor de deltablues van zwarte Amerikanen als Lightnin' Hopkins en Willie Dixon. Na de teloorgang van Freckleface besloten ze dus samen door te gaan als Tjens Couter. Behalve met bluesclassics deed het duo zich ook opmerken met volkse tango's en burleske kermiswalsjes. Daarbij wisten vooral de snerpende, naar Kevin Coyne verwijzende stem en het merkwaardige cockney-accent van Arno de aandacht te trekken. In '74 won het duo al meteen een rockwedstrijd in Parijs. Het zegt iets over hun nonchalance dat de heren het platencontract, dat aan hun bekroning verbonden was, domweg vergaten op te pikken. De Aalsterse bluesman Karel Bogard lijfde hen vervolgens in bij zijn kersverse Dwarf-label en bracht in '76 hun debuut-lp Who Cares? uit. De twee spilfiguren hadden intussen ook een ritmesectie aangezocht, waardoor hun sound aanzienlijk steviger en onstuimiger werd. Vooral de messcherpe Stonesriffs van Decoutere in Asking Myself All Day maakten indruk. Op Plat du Jour zou Tjens Couter zelfs nog een tikje rauwer en nerveuzer klinken. De band bouwde een benijdenswaardige livereputatie op en grossierde nu in energieke rock-'n-roll, bestoven door het werk van The Faces, de Sex Pistols of Dr Feelgood. Eén van zijn singles, Gimme What I Need, vond zelfs zijn weg naar de jukebox van de beruchte CBGB's-Club in New York. Tjens Couter toerde ook in Groot-Brittannië, maar het verhoopte commerciële succes bleef uit. Toen Arno een nieuwe muzikale richting uit wilde, en het gezelschap zich transformeerde in het baanbrekende T.C. Matic, hield zijn compagnon de route het voor bekeken. Paul Couter was van mening dat de groep te ver afdreef van zijn roots en liet zich vervangen door streekgenoot Jean-Marie Aerts. Zonder hard feelings weliswaar: 'Het was een scheiding zonder ruzie', aldus de gitarist. Hintjens en De Coutere zouden gezworen kameraden blijven. Ze waren bereid voor elkaar door het vuur te gaan. Terwijl de eerste met zijn band en later solo internationale successen scoorde, verdween de tweede in de relatieve anonimiteit. Voor Couter wogen geld of roem niet op tegen de vrijheid. 'Ik ben van nature lui', liet hij optekenen. 'Verplichtingen zijn dus wel het laatste wat ik wil. Ik vind het veel belangrijker mijn eigen weg te gaan en zoveel mogelijk van het leven te genieten'. Voortaan zou Paul Decoutere alleen nog opduiken op de podia van kleine zaaltjes en cafés waar hij het publiek recht in de ogen kon kijken. Hij vestigde zich in Gent waar hij de Leie de rol van de Mississippi toedichtte en vooral solo optrad. In 1988 richtte hij, samen met Ferre Baelen, de gewezen bassist van TC Matic, wel nog de groep Partisan op, maar ook die werd nauwelijks opgemerkt. Rockfotograaf Alex Vanhee, die onder meer beelden schoot voor de binnenhoes van de in 2016 verschenen lp Paspeur, was al vijftien jaar goed bevriend met Paul Couter en diens vriendin Sabine. 'We gingen vaak naar concerten samen en kwamen regelmatig bij elkaar over de vloer', vertelt hij. 'Paul was een typisch product van de jaren '60: een vrijbuiter die zich nergens wat van aantrok. Hij had volstrekt geen discipline: als er ergens een opreden van hem gepland stond en hij er die avond toevallig geen zin in had, dan stuurde hij gewoon zijn kat. Hij wilde zich amuseren, maar de druk van het succes zou hij nooit hebben aangekund'. 'Hoewel weinigen het weten was Paul eigenlijk kleermaker van opleiding. Hij had zelfs een tijd lang een klerenboetiek in Oostende, The London Tuf Tuf Club. Het is daar dat hij Arno destijds voor het eerst tegen het lijf liep. 'Of hij van zijn muziek kon leven? Pff, Paul had niet veel nodig, hé? Als bohémien pur sang was hij met weinig tevreden. Vrijwel alles wat hij bezat, kocht hij tweedehands. Hij was aan niets gehecht, behalve dan aan zijn gitaren en versterkers. De man leefde haast uitsluitend voor zijn muziek. Zijn gitaar was zijn voornaamste maîtresse. Ze week geen moment van zijn zijde. Hij speelde ook op ieder moment van de dag: terwijl hij naar de televisie keek of zelfs tijdens gesprekken wanneer je bij hem op bezoek ging'. Volgens intimi was Decoutere tegelijk een oude hippie, een beatnik en een goedmoedige anarchist. 'Hij was altijd relaxed en altijd in voor een grapje', herinnert Alex Vanhee zich. 'Hij had dezelfde surrealistische humor als Arno en was een begenadigd verhalenverteller met een voorliefde voor het absurde. Weet je, figuren als Arno, Paul of Roland worden vandaag niet meer gemaakt. Het zijn aparte individuen met een uniek soort uitstraling. No nonsense-levenskunstenaars, zeg maar. Telkens wanneer ik één van hen heb ontmoet, voel ik me bevrijd'. Paul Couter identificeerde zich vooral met bluesveteranen als John Mayall of Alexis Korner, die altijd voor honderd procent hun zin deden en enkel hun muze gehoorzaamden. 'Hij vertrouwde op zijn gevoel', vertelt Vanhee. 'Hij speelde een nummer ook nooit twee keer op dezelfde manier. Voor wie met hem musiceerde, was het een uitdaging hem te volgen. Met Paul repeteren was zinloos, want op het podium kwam hij toch steevast met iets onverwachts op de proppen. Hij had ook nooit een setlist. Muziek was in zijn handen iets dat lééfde.' Wat bij de gitarist echter nooit veranderde, was zijn affectie voor oude vrienden. Vorig jaar, toen Arno vlak voor zijn operatie drie avonden na elkaar in de Brusselse AB speelde, stond niemand ervan te kijken dat die hij zijn oude gabber als voorprogramma optrommelde. In Charlatan, de recente documentaire van Dominique Deruddere, noemt le plus beau Decoutere dan ook onomwonden 'mijn broer'. Tijdens de laatste jaren van zijn leven werkte Paul Couter aan een muzikaal drieluik, dat hij meteen ook als zijn testament beschouwde. In 2015 verscheen de lp A Yellow Tape Recording, een jaar later gevolgd door Paspeur. Intussen was hij echter ten prooi gevallen aan kanker, net zoals zijn maat Arno. Die laatste is vandaag aan de beterhand, maar bij Decoutere luidde de diagnose helaas 'terminaal'. Terwijl hij werd verzorgd op de palliatieve afdeling van het Gentse AZ was hij niettemin vastbesloten zijn muzikale memoires tijdig af te ronden. Dat lukte nog net: zijn afscheidsgroet, Domisoldo, verscheen op 9 april onder de naam PCNW. Het is een introspectieve plaat waarop de schemering al is ingetreden, maar de artiest iedere vorm van dramatiek uit de weg gaat: 'Je n'ai pas peur d'attendre / Mon amour est plus fort que la mort'. Kort voor zijn overlijden kreeg hij op zijn ziekenkamer nog bezoek van Arno. Het werd een afscheid van weinig woorden: zoals altijd werd er gecommuniceerd via de muziek. Paul nam zijn gitaar, Arno zijn harmonica, en voor de laatste keer speelden ze samen You Gotta Move van Mississippi Fred McDowell. Dat de song, gezien de omstandigheden, dit keer een bijzondere lading kreeg, zal wellicht geen van beiden zijn ontgaan. Paul Decoutere is gestorven zoals hij heeft geleefd: met zijn laarzen aan en zijn gitaar binnen handbereik. Zonder grootspraak, maar begeleid door een soundtrack die uit slechts drie simpele noten bestaat. Do mi sol do. You may be high You may be low You may be rich You may be poor But when the Lord says get ready You gotta move