Het is misschien wel hét mysterie van de popgeschiedenis: waarom zien de hitlijsten van de jaren negentig er als complete waanzin uit? Dan hebben we het niet eens over de Macarena of Las Ketchup. Ga door de Ultratop van dat decennium en het regent random hits. 1991 was het jaar van James Brown Is Dead van L.A. Style én James Brown Is Still Alive!! van Holy Noise. In 1992 stond er met Song of Ocarina zes weken een instrumentale panfluithit op één in ons land. In 1994 ging Eins zwei Polizei nét Cotton Eye Joe vooraf in de jaarlijst - het eerste nummer is een Italiaanse dancetrack in faux-Duits, het tweede is een pastiche van een negentiende-eeuwse countrytraditional door vier Zweden die zich als rednecks verkleedden. 1995 was het jaar van Chérie (Is in Da House), I Wanna Be a Hippy, Alice, Who the X Is Alice, Het busje komt zo, twee hits van Scatman John, eentje van Kamiel Spiessens én eentje van Jimmy B in de finale top 30. En dan vergeten we nog de bizarre opeenvolging van hyperspecifieke microgenres, van houseparodieën (Kaplaarzen) over hakbare kinderhits (Irene Moors & de smurfen) tot cartoonpop ( Barbie Girl, Captain Jack).
...

Het is misschien wel hét mysterie van de popgeschiedenis: waarom zien de hitlijsten van de jaren negentig er als complete waanzin uit? Dan hebben we het niet eens over de Macarena of Las Ketchup. Ga door de Ultratop van dat decennium en het regent random hits. 1991 was het jaar van James Brown Is Dead van L.A. Style én James Brown Is Still Alive!! van Holy Noise. In 1992 stond er met Song of Ocarina zes weken een instrumentale panfluithit op één in ons land. In 1994 ging Eins zwei Polizei nét Cotton Eye Joe vooraf in de jaarlijst - het eerste nummer is een Italiaanse dancetrack in faux-Duits, het tweede is een pastiche van een negentiende-eeuwse countrytraditional door vier Zweden die zich als rednecks verkleedden. 1995 was het jaar van Chérie (Is in Da House), I Wanna Be a Hippy, Alice, Who the X Is Alice, Het busje komt zo, twee hits van Scatman John, eentje van Kamiel Spiessens én eentje van Jimmy B in de finale top 30. En dan vergeten we nog de bizarre opeenvolging van hyperspecifieke microgenres, van houseparodieën (Kaplaarzen) over hakbare kinderhits (Irene Moors & de smurfen) tot cartoonpop ( Barbie Girl, Captain Jack). De nineties waren bonkers. Precies dat is het universum waar Atze de Vrieze, muziekjournalist bij het Nederlandse 3voor12, vol in duikt. In de podcastreeks Weird Hit Wonder, waarvan het tweede seizoen net is afgelopen, vertelt hij in een halfuurtje de achtergrond bij een reeks bizarre noveltyhits uit de Nederlandse charts en spreekt hij met de makers. Sommige zijn enkel bij onze noorderburen bekend, maar met The Second Waltz van André Rieu, Barbie Girl van Aqua en Plops Kabouterdans zitten er genoeg nummers tussen waarvan u zou willen dat u ze nooit gekend had. Het fijne: Weird Hit Wonder is meer dan nostalgie. Achter elke vreemde hit blijkt namelijk een even vreemd verhaal schuil te gaan. Hoe André Rieu zijn eerste radiosucces scoorde met een remix featuring de kanariepiet van Jos Ghysen, bijvoorbeeld. Waarom Barbie Girl níét het nummer was dat u zich denkt te herinneren. En hoe het komt dat niemand nog weet hoe Schnappi, das kleine Krokodil een wereldwijde hit is geworden. Het kost dan ook niet veel moeite om er een radicaal poptimistisch pleidooi in te zien: ook de meest verguisde pophits verdienen serieuze aandacht. Zelfs De kabouterdans. Vanwaar kwam het idee voor Weird Hit Wonder? Atze de Vrieze: Het was iets waar ik al jaren mee rondliep. Het leek me leuk om iets te doen met rare pophits: nummers die iedereen kent, meestal ook haat, maar waarvan je nooit het verhaal erachter leest of hoort. Het was me al opgevallen dat er achter dat soort noveltyhits meer schuilde dan je op het eerste gezicht dacht of dan je je van toen herinnerde. Doorgaans wordt die Classic Albums-benadering voorbehouden voor belangrijke platen van grote artiesten. Is Weird Hit Wonder ook een reactie daarop? De Vrieze: Een beetje wel, ja. Die Classic Albums zijn heel mooi, natuurlijk. Ik had perfect een podcast kunnen wijden aan de albums van Blur, Nirvana en Radiohead, die in dezelfde periode het muzikale landschap bepaalden. Maar het feit is dat er over dat soort bands al heel veel artikels, documentaires en podcasts gemaakt zijn. Niks op tegen, maar ik wilde een keer iets ánders doen. Wat ook is: er hangt altijd een zeker ontzag rond die Classic Albums. Als je naar zo'n docu kijkt, ga je er op voorhand al van uit dat het een ultiem, geslaagd album is. Het is namelijk de canon. Ik vond het leuk om de luisteraars met een heel ander gevoel eraan te laten beginnen: 'O nee, toch niet dát lied.' (lacht) Maar als je weird hit wonders serieus neemt, blijkt al snel dat er meer achter zit. Het zijn gewoon stuk voor stuk goede verhalen. Je voelt ook dat er de laatste jaren een zekere goodwill hangt rond de hits die buiten de muzikale canon vallen. Let Go van Avril Lavigne kan na bijna twintig jaar op meer aandacht rekenen dan pakweg Heathen Chemistry van Oasis, beide uit 2002. De Vrieze: Ik merk dat ook bij mezelf. Het is een merkwaardige omkering: hoe hard je sommige hits uit je tienerjaren ook haatte, het zijn net die nummers die zoveel jaren later nostalgische gevoelens oproepen. In 1992 luisterde ik naar Pearl Jam, niet naar Dingetje. Maar dertig jaar later voel ik om de een of andere reden toch meer plezier bij dat idiote, wanstaltige Kaplaarzen dan bij Ten. En blijkbaar is dat iets universeels. Barbie Girl van Aqua werd destijds beschouwd als het irritantste liedje ooit - het heeft er zelfs een award voor gewonnen. Maar toen het nummer na achttien jaar een roze-vinylrelease kreeg voor Record Store Day, zag ik dat heel veel mensen die normaal gesproken enkel op zoek gaan naar de verzamelde rarities van Radiohead allemaal dat ene singeltje wilden hebben. Gewoon omdat het geinig was. Om de een of andere reden word je blij van terug te denken aan nummers die je destijds verschrikkelijk vond. Blijkbaar herinnerde ik me Barbie Girl ook verkeerd, zo blijkt uit Weird Hit Wonder. In mijn herinneringen was het nummer een symptoom van de plastic cultuur. Maar als je de band er nu over hoort praten, was het er net een commentaar op. Bijna avant-gardistisch, zelfs. De Vrieze: En dat is niet eens een interpretatie achteraf. Als je foto's van Aqua nu terugziet, valt het op dat Lene Nystrøm, de zangeres, helemaal geen typische Barbie was. Ze was zelfs niet blond. Eigenlijk had ze veel meer van Gwen Stefani ten tijde van No Doubt. Dat was ook het type band dat ze wilden zijn: beetje pop, beetje punk. Dat liedje was natuurlijk pure bubblegum, maar het idee erachter was echt een commentaar op de Pamela Anderson-cultuur van toen. Het is niet toevallig geschreven na een museumbezoek aan een expo over Barbie als cultureel artefact. Rednex, de band achter het even gehate Cotton Eye Joe, is ook zo'n verkeerd begrepen band. Het was een stel Zweden, met op een bepaald moment 27 bandleden, die uit de popschool van Abba kwamen, een strooien hoed hadden opgezet en country met eurodance mixten. Tegenwoordig kun je op hun website voor 2 miljoen dollar een franchise van Rednex kopen, waarbij je de rechten op alle nummers krijgt en onder hun naam kunt touren: een soort popartstatement over het belang van authenticiteit en het individu in de pop. Dat was bewust een heel rare act. Maar dat was niet wat mensen in 1995 dachten te zien. Destijds kon je dat ook niet zien, simpelweg omdat het muzikale landschap dat niet toeliet. Na het succes van Nirvana was er een strikte scheiding tussen alternatieve muziek en pop ontstaan. Een artiest was het ene of het andere. Vandaag kan Pitchfork in hetzelfde jaar Beach House de plaat en Call Me Maybe de single van het jaar noemen. Dat was in de jaren negentig ondenkbaar. En net doordat die grenzen wegvallen, ga je ook anders naar de muziek van toen luisteren. Dat is ook waarom ik die weird hit wonders zo leuk vind: ze vertellen altijd een groter verhaal. Nog een constante doorheen de reeks: de bizarre ontstaansgeschiedenis van de nummers. Kaplaarzen van Dingetje bijvoorbeeld, een nummer waar ik al dertig jaar niet meer aan gedacht had, was een inderhaast in elkaar geflanste parodie op de housetrack Rode schoentjes. Wat dan weer een track was die in een halfuur gemaakt was op basis van een Efteling-cd die iemand in zijn auto had gevonden. De Vrieze: Destijds vond ik dat al een van de raarste hits ooit. Een man met snor en rode zuidwester die over een dancetrack staat te wauwelen over een type laarzen. En als je er nu naar luistert, is het nog veel raarder. Tijdens de liveshows stond het hele nummer lang een vrouw naast hem in de micro te hijgen: geen idee hoe ik dat in 1992 gemist had. Er zaten ook domme woordgrapjes over lieslaarzen in die ik als twaalfjarige compleet niet door had. 'Ik kom in de winkel en vraag: hebben jullie lieslaarzen? En dan zegt die man: nee, ik verkoop alleen laarzen.' Wacht. Wat is de grap? De Vrieze: Valt-ie niet? Ah. Leaselaarzen. De Vrieze: Ja. Daar heb ik dus ook bijna dertig jaar over gedaan. (lacht)Kaplaarzen was een ellendig lied, maar het was dus ook bedoeld als ellendig lied. Het was een haatreactie op de house, zoals de prille elektronische muziek toen genoemd werd. Dat waren de toenmalige boomers die het lachen vonden om dat nieuwe genre in de zeik te zetten. Het leek wel alsof alles in de jaren negentig een hit kon worden. The Second Waltz van André Rieu, eigenlijk een nummer van Sjostakovitsj, werd een hit met dank aan de kanarie van Jos Ghysen en een goal van Ronald de Boer in Ajax-Bayern München. De weg naar succes liep in 1995 net iets minder voorspelbaar dan nu. De Vrieze: Van sommige nummers weten zelfs de makers niet hoe het hits geworden zijn. Schnappi, das kleine Krokodil, bijvoorbeeld: dat nummer is nooit als single uitgebracht. Het stond al vijf jaar op een verzamel-cd van de tante van het vierjarige meisje dat het had ingezongen, toen ze plots ontdekten dat het een wereldhit was, tot in China toe. Het is echt een mysterie hoe dat gebeurd is. Ze denken zelf dat iemand in 2004 het nummer op de Duitse radio had aangevraagd, waarna de bal aan het rollen is gegaan, maar dat is niet meer te achterhalen. Het was ook de beginperiode van de muziekpiraterij. Iemand moet dat nummer geript hebben, waarna mensen het als mp3 naar elkaar begonnen te mailen. Maar wie, wat of hoe, dat weet niemand. Fascinerend, toch? Het is sowieso een van de raarste subgenres van de onehitwonders: de kinderhits. Elke vijf jaar duikt er wel een nieuw op. De Vrieze: En dat gaat terug tot de jaren zestig. Ik heb het in de podcast over Schnappi, das kleine Krokodil en De kabouterdans, maar ik had het even goed over Baby Shark of Lief klein konijntje kunnen hebben. Een heel bijzonder fenomeen, waar niet echt een verklaring voor bestaat. Ik denk dat het iets met verzet te maken heeft. In 1997 had je in Engeland Teletubbies say 'Eh-oh!', waar schijnbaar uit het niets een hele campagne rond ontstond om er de Christmas number one van te maken. 'Zou het niet leuk zijn als de Teletubbies op één staan en niet de Spice Girls?' leek iedereen te denken. Een soort tegenreactie op het serieuze muzieklandschap en de machinisatie van de muziekindustrie. En evenmin onbelangrijk: dat soort nummers werkt héél goed in de kroeg met een meter bier in je kraag. Drank speelt een opvallende rol in Weird Hit Wonder. Je vraagt je af hoeveel van die nummers hits zouden zijn geworden zónder ambiancecafés. De Vrieze: (lacht) Zeker bij die kinderliedjes levert dat rare taferelen op. Kabouter Plop - of liever: Walter De Donder - vertelde me daar een fantastisch verhaal over. Hij had het over een optreden in het Sportpaleis, kort voor de lockdown, waar hij om twee uur 's nachts voor een volwassen publiek moest spelen dat net enkele vrachtwagens bier had uitgezopen. Op een bepaald moment moest hij, in Kabouter Plop-pak, over een brug stappen om in het midden van de zaal De kabouterdans te doen. Onder hem zag hij die lallende menigte met in twee handen een biertje en hij dacht: wat doe ik hier? (lacht) Vond ik een gouden beeld. Heel veel artiesten die ik voor Weird Hit Wonder heb geïnterviewd hebben daar mee geworsteld. Ook al omdat zoveel van die nummers nooit zo bedoeld waren. Is Het busje komt zo van Höllenboer bij jullie een hit geweest? O ja. De Vrieze: Wel, dat liedje is dus geschreven voor een congres in de verslavingszorg. De makers werkten in die sector en hadden een nummer geschreven over de beste manier om methadon te verstrekken. Doorgaans gebeurde dat in vaste centra, maar door budgettaire besparingen werd er geëxperimenteerd met een rondrijdende methadonbus. Echt? De Vrieze: Echt, ja. Het busje komt zo gaat dus over de groepen heroïneverslaafden die langs de weg staan te wachten op de methadonbus en waarom dat een recept voor ellende is. Maar vervolgens is dat nummer een hit geworden, verloor het al zijn betekenis en werd Höllenboer uitgenodigd in discotheken en voetbalstadia voor een dronken publiek dat niet bepaald een boodschap heeft aan de impact van de budgettaire besparingen op de methadonverstrekking. Héle rare hit. Dé vraag waar ik na het tweede seizoen mee bleef zitten: waarom waren de jaren negentig zo'n geschifte popperiode? Geen enkel decennium komt qua waanzin in de buurt van het tijdperk dat ons Blue (Da Ba Dee), Crazy Frog, Scatman John en Max Don't Have Sex with Your Ex schonk. De Vrieze: Dat heb ik dus ook vastgesteld tijdens het maken van de podcast. Het lijkt echt iets specifieks voor de jaren negentig en de vroege zero's. De jaren tachtig waren ook niet vies van wat kitsch, maar dat soort hits vind je nauwelijks. En vanaf de late jaren negentig lijkt het fenomeen af te nemen: dan nemen de boybands, de r&b-hits en dancenummers het over. Ik heb er ook niet één verklaring voor. Ik vermoed dat het voor een belangrijk deel voortkomt uit de luchtigheid van de nieuwe housescene in de vroege jaren negentig, met noveltyhits als Poing en Alles naar de kl##te. Iedereen stak elkaar wat aan met gekkigheid. De gabberremix van Irene Moors & de smurfen leidde tot hakversies van Peppi en Kokki en Jan, de mosselman. Barbie Girl werd dan weer opgevolgd door Captain Jack en Tarzan & Jane van Toy-Box. Dat heeft een soort tijdgeest voortgebracht die je bijna een soort punk van de pretentieloosheid zou kunnen noemen. Hoe onzinniger en hoe raarder, hoe meer het omarmd werd. Je ziet dat ook terug in de rebelse radiocultuur van toen: grote radio-dj's maakten er een punt van om elke dag dezelfde afgrijselijke nummers te draaien als grap. Je ziet ook dat die rare hits nog altijd bestaan, maar dat het muzikale landschap errond, de muziekindustrie en de radio's, afgehaakt is. Baby Shark is met bijna tien miljard views veruit de meest bekeken video op YouTube. Alleen is het geen radiohit geworden. Het is geen nummer waar Studio Brussel niet omheen kan. Dat was in de nineties wel anders. De geest van de random nineties lijkt vandaag verder te leven in de memecultuur en op TikTok, waar panfluitnummers, countryparodieën en eeuwenoude zeemansliederen opnieuw viraal gaan. De Vrieze: Afgelopen zomer hadden we in Nederland Ik ga zwemmen van Mart Hoogkamer, een idioot nummer dat er volledig over ging en dat 'Ik ga zwemmen' liet rijmen op 'Bacardi lemon'. Waarna het de hele zomer op één stond. Dus ja: we zien opnieuw rare hits in de charts verschijnen. (lacht)Het zou een podcast op zich kunnen zijn: hoe TikTok de muziek aan het veranderen is. In TikTok gaat het niet puur over het liedje, maar over wat je er in een filmpje van dertig seconden mee kunt doen. Je ziet dat liedjes daarop geproducet worden: vreemde tekstflarden, genrewissels, een rare drop. Nu de traditionele muziekindustrie en de radio's het moeten afleggen tegen het internet, keert die sfeer van gekkigheid opnieuw terug. Je merkt ook dat net die rare hits van de jaren negentig omarmd worden door een jonge generatie. Drake samplet I'm Too Sexy, terwijl een rapper als Joost dweept met Scatman John. Niet meteen de nummers die destijds een lang leven beschoren leek. De Vrieze: Dat vind ik zelf heel interessant om te zien: hoe een nieuwe generatie met een volledig andere blik naar de muziekgeschiedenis kijkt. Dat had je vroeger ook al. Ik denk dat het in 1975 totaal niet cool was om Abba serieus te nemen. Terwijl ik vandaag gerust durf te stellen dat Abba voor mensen van mijn leeftijd een belangrijker groep is dan de Rolling Stones. Op Abba kun je namelijk wél dansen. Doe Maar werd in de jaren tachtig verguisd door de muziekpers, terwijl het vandaag dé belangrijkste popband van Nederland wordt genoemd, die zich in popliedjes waagde aan thema's als de Koude Oorlog, de drugsproblematiek en het generatieconflict. Nieuwe generaties geven hun eigen draai aan de muziekgeschiedenis. En om de een of andere reden is het dan vooral de popmuziek, hoe idioot ook, die komt bovendrijven. Staat er al een nieuw seizoen van Weird Hit Wonder in de steigers? De Vrieze: Dat hangt af van wat de omroep beslist, maar het ziet er goed uit. Ik heb ook al een lijstje klaar staan. Ik zou het graag eens over Liefde voor muziek van Raymond van het Groenewoud hebben, dat ook bij ons een hit was in 1991. Héél rare hit. Een gospelnummer over de onderkant van Tina Turner dat op het einde helemaal uit de hand loopt: als je het nu hoort, denk je: wat zegt die allemaal? En verder heb ik al enige tijd een fascinatie voor Wij zijn de jongens van den bouw, een old-school hiphophit met boorgeluiden uit 1992 van een groep die zichzelf Bertus Staigerpaip noemde. Daar móét een verhaal in zitten. Kan niet anders. (lacht)