Samen met The Beatles, The Rolling Stones en The Kinks vormden The Who op de drempel van de jaren 1970 het ultieme klavertjevier van de Britse popmuziek. Het kwartet was halverwege de sixties ontstaan als exponent van de Mod-beweging, een subcultuur rondom modebewuste jongeren die gekleed gingen in scherp gesneden pakken, op scooters rond tuften en dol waren op Motown-soul. Met rauwe, gebalde nummers als My Generation en I Can't Explain speelden The Who in wezen punk avant-la-lettre, maar zelf omschreven ze hun muziek bij voorkeur als 'Maximum R&B'.
...

Samen met The Beatles, The Rolling Stones en The Kinks vormden The Who op de drempel van de jaren 1970 het ultieme klavertjevier van de Britse popmuziek. Het kwartet was halverwege de sixties ontstaan als exponent van de Mod-beweging, een subcultuur rondom modebewuste jongeren die gekleed gingen in scherp gesneden pakken, op scooters rond tuften en dol waren op Motown-soul. Met rauwe, gebalde nummers als My Generation en I Can't Explain speelden The Who in wezen punk avant-la-lettre, maar zelf omschreven ze hun muziek bij voorkeur als 'Maximum R&B'. Optredens van de groep hadden vaak iets gewelddadigs en destructiefs. Vooral Pete Townshend, de molenwiekende gitarist die als auteur verantwoordelijk was voor de meeste songs, deed niets liever dan het publiek te brutaliseren en gebruikte zijn instrument als aanvalswapen. Hij grossierde in powerakkoorden, gedrenkt in noise en feedback, en maakte er een gewoonte van tegen het einde van iedere show zijn gitaar tot spaanders te slaan. Maar wat voor hem aanvankelijk een daad van bevrijding was, dreigde op den duur een keurslijf te worden. Critici spraken van goedkoop effectbejag, terwijl de fans een Who-concert pas geslaagd noemden als een deel van de apparatuur was gesneuveld.Tegen het einde van de sixties waren de leden van The Who hun Mod-roots echter ontgroeid. Ze wilden als artiesten ernstig worden genomen en begonnen hun muzikale horizon dus te verbreden. Dankzij de door pers en publiek bewierookte rockopera Tommy, over een doofstomme en blinde flipperkastkampioen, werden ze in 1969 ingehaald als één van de creatiefste fenomenen uit de rockmuziek. En dank zij hun spectaculaire passage op het Woodstockfestival, in datzelfde jaar, schopten The Who het tot ware supersterren.Eén en ander zwengelde de ambitie van Pete Townshend nog verder aan. Voor het volgende project van zijn band, dat de werktitel Lifehouse kreeg, wilde hij de lat nog hoger leggen dan voor Tommy. Het moest een multimediagebeuren worden, inclusief een speelfilm, met een verhaallijn die het midden hield tussen een utopische roman en een sciencefictionverhaal. Townshend broedde op een futuristische parabel over een samenleving waarin muziek verboden was en de meeste burgers een pak droegen dan hen verbond met Het Rooster ('The Grid'), een surveillancesysteem gecontroleerd door een dictatoriaal regime. Anno 1971 speelde de songwriter al met een begrip als 'virtual reality'. Alleen kreeg hij, in die pre-internettijden, zijn bedoelingen moeilijk uitgelegd. Zelfs de overige bandleden hoorden het donderen in Keulen.Daarbij kwam nog de vertroebelde relatie met Who-manager Kit Lambert. Townshend was altijd aangewezen geweest op diens morele steun, maar toen bleek dat Lambert het idee achter Lifehouse maar niets vond, wegens te complex, voelde de gitarist zich verloren en in de steek gelaten. Hij werd geplaagd door een writer's block, de opnamesessies in New York liepen niet zoals verhoopt en uit pure frustratie verzette de gitarist ontiegelijke hoeveelheden alcohol, waardoor hij hallucinaties kreeg. Op een bepaald moment stond hij zelfs op het punt vanaf de tiende verdieping uit het raam te springen, een wanhoopsdaad die slechts op het nippertje werd verhinderd door Lamberts assistente. Townshend slaagde er niet in de puzzelstukjes van Lifehouse op hun plaats te leggen, wat binnen de groep voor de nodige wrijvingen zorgde. Volgens zanger Roger Daltrey scheelde het geen haar of The Who hield het definitief voor bekeken. Uiteindelijk kreeg de gitarist een zenuwinzinking en werd een time-out ingelast.De redding kwam van geluidsingenieur Glyn Johns, met wie het viertal enkele maanden later in een Londense studio de werkzaamheden hervatte. De man wist de groep ervan te overtuigen het geplande concept te laten vallen en gewoon een plaat te maken zonder thematische samenhang. Een geniale ingreep, want Who's Next, waarvoor acht van de twintig voor Lifehouse bedoelde songs werden gerecycleerd en heropgenomen, gold als een trefzeker artistiek statement dat Tommy in kwalitatief opzicht nog zou overtreffen. Het werkstuk blonk uit door vitaliteit en kinetische energie, maar getuigde tegelijk van stilistische veelzijdigheid en bevatte, naast knallende, zelfverzekerde rockers, ook een reeks ingetogen nummers waarin Townshend zijn ziel volledig blootlegde. Johns haalde in alle muzikanten het beste naar boven, koos de nummers, bepaalde de volgorde en slaagde er, met zijn no-nonsenseaanpak, als geen ander in de essentie van The Who aan de oppervlakte te brengen. Op Who's Next, dat vandaag tot de mijlpalen van de classic rock wordt gerekend, hoor je een band op het topje van zijn kunnen, die de perfecte balans heeft gevonden tussen elektrisch en akoestisch.De vier muzikanten waren, elk op hun eigen terrein, pioniers met een niet te stuiten exploratiedrang. Pete Townshend, die explosieve riffs afwisselde met een aan flamenco schatplichtige slaggitaartechniek, bewees dat hij nog altijd onverwoestbare rock anthems in de vingers had, maar kwam net zo goed met gevoelige pianoballads op de proppen. Frontman Roger Daltrey zong de nummers die hij door zijn kompaan kreeg aangereikt met de bravoure van een straatvechter en het gevoel voor drama van een operazanger. De op het podium immer bewegingloze John Entwistle onderscheidde zich dan weer door zijn ingewikkelde maar melodieuze baslijnen en hield zich ver van de traditionele bluespatronen die in rock-'n-roll doorgaans schering en inslag waren. De losgeslagen Keith Moon zorgde op zijn drums steevast voor onweer, maar bewees tegelijkertijd dat hij tot evenveel elegantie en precisie in staat was als, pakweg, jazzcat Elvin Jones. Een andere troef was dat The Who over twee leadzangers beschikte. Daltreys indringende oerschreeuw en Townshends ingehouden voordracht wisselden elkaar af, vaak binnen de grenzen van één enkele song. En net het contrast tussen beide gaf de songs extra diepgang. Angst, wanhoop, woede, rebellie en, vooral, passie vormden de voedingsbodem voor de negen tracks op Who's Next. Maar er was zeker ook sprake van humor. Dat was bijvoorbeeld het geval in het luchtige, door John Entwistle aangeleverde en gezongen My Wife, dat pas te elfder ure aan de lp werd toegevoegd en oorspronkelijk bedoeld was voor een soloplaat van de bassist. Het met blazers opgetuigde nummer was ook het enige dat niet zijn oorsprong vond in Lifehouse. Entwistle liet zich inspireren door de uitzinnige reactie van zijn vrouw, nadat hij thuis was gekomen van een drie dagen durende slemppartij: 'My Life's in jeopardy / Murdered in cold blood is what I'm gonna be / I ain't been home since friday night / And now my wife is coming after me'. Voor u het vraagt: Entwistle overleefde de furie van zijn eega. Pas dertig jaar later zou hij bezwijken aan een hartaanval en zijn iets te gulzige gebruik van cocaïne.Als Who's Next bij zijn release, op 14 augustus 1971, als een radicaal vernieuwende langspeler werd beschouwd, lag dat vooral aan de veelvuldige aanwezigheid van synthesizers, die toen nog vrij nieuw waren. Pete Townshend was gefascineerd door hun mogelijkheden, experimenteerde er duchtig op los en wist het geluid van de ARP en VCS3 op een even intelligente als organische manier in het bandgeluid te integreren. Dat deed hij vooral - maar zeker niet uitsluitend - in de opener en de afsluiter van de plaat.Baba O'Riley, genoemd naar Townshends spirituele goeroe Meher Baba en zijn toenmalige muzikale held, de Amerikaanse minimalistische componist Terry Riley, was al meteen een technisch huzarenstukje. Zeker omdat de gitarist hier een vorm van sequencing toepaste, nog voor de sequencer was uitgevonden. Het bevreemdende maar hypnotische geluid van de intro werd gecreëerd met een Lowrey-orgel dat door een synth werd gejaagd en bewerkt met een computer. Het nummer, dat ook bekend staat als Teenage Wasteland, werd ingegeven door de Woodstockgeneratie, die lsd-tabletten consumeerde alsof het snoepjes waren en er vaak hersenschade aan over hield. Baba O'Riley eindigde met een wervelende vioolsolo, gespeeld door Dave Arbus van East of Eden.Een ander piekmoment op Who's Next is het lang uitgesponnen maar opzwepende Won't Get Fooled Again, waarin Townshend, enkele maanden na John Lennons Power to the People, beschrijft hoe zijn generatie de morele waarden van de vorige verwerpt: 'I'll tip my hat to the new constitution / Take a bow for the new revolution'. Maar misschien is die bevrijding wel een vorm van zelfbedrog, want 'The world looks just the same / And history ain't changed'. Volgens de gitarist hebben revoluties een onzekere uitkomst, zeker als ze worden doorgevoerd door lieden die van oordeel zijn dat 'elk willekeurig ideaal beter is dan geen ideaal'. Een sociale strijd begint nu eenmaal met verwachtingen die zelden worden ingelost. Zo was Townshend er zich van bewust dat de Russische revolutie, die het volk moest bevrijden van een onderdrukker, uiteindelijk had geleid tot een nieuw totalitair systeem. Zijn weinig opbeurende conclusie: 'Meet the new boss / Same as the old boss'. De BBC omschreef Won't Get Fooled Again als 'het bloedende hart van de protestpop', maar al te vaak werd de song verkeerd begrepen. Niettemin zou hij vanaf '71 voor de climax zorgen waarmee bijna ieder concert van The Who eindigde.Met Bargain schreef Pete Townshend een verrassend kwetsbare lovesong en ook Love Ain't For Keeping , Getting in Tune en Going Mobile, een poppy antwoord op Canned Heat's Going Up The Country, waren melodieuze rocknummers, gespeend van iedere vorm van pretentie.Maar in het departement 'Ingehouden & Aangrijpend' kwamen The Who met nog twee extra verrassingen aanzetten. Het elegische, op behoedzaam toetsenwerk steunende The Song is Over kan gezien worden als een afscheid van de sixties en als afsluiting van een levensfase, al sluit Townshend een rooskleurige toekomst niet helemaal uit. En het akoestisch aangezette Behind Blue Eyes bevat zowat de fraaiste vocale harmonieën die ooit in een song van The Who zijn geslopen. De passief-agressieve tekst roept zowel teleurstelling als strijdlust op ('My dreams / They aren't as empty/As my conscience seems to be') en suggereert dat liefde ook een vorm van wraak kan zijn.De iconische hoesfoto van Ethan Russell, die refereert aan de monolieten uit Stanley Kubricks filmklassieker 2001, A Space Odyssey, werd genomen op een mijnterril. De leden van The Who staan met hun rug naar een grauw betonblok waar ze, zo te zien, net tegenaan hebben geplast. Het was een beeld dat beter paste bij de losbandige dagen uit de Mod-periode van de groep dan bij de volwassen muziek uit Who's Next, maar het gaf wel aan dat de heren nog lang geen doetjes waren geworden.Na de euforisch ontvangen vijfde lp van The Who waagde Townshend zich met Quadrophenia alsnog aan een nieuwe rockopera. Maar het onafgewerkt gebleven Lifehouse bleef hem obsederen. Hij zou er nog jaren aan schaven en zowel op latere platen van The Who als op zijn solo-lp Psychoderelict werden regelmatig songs uit het project gesignaleerd. Inmiddels hebben Keith Moon en John Entwistle dit ondermaanse verlaten, maar Daltrey en Townshend houden, geholpen door sessiemuzikanten, het moederschip stug op de golven. Vijftig jaar na haar oorspronkelijke release blijft Who's Next echter de plaat van The Who die je absoluut gehoord moet hebben. Bands als Pearl Jam, Van Halen en Green Day hebben er uitgebreid hun voordeel mee gedaan. 'I don't need to fight / To prove I'm right', schreef Pete Townhend destijds. Wij zijn wel de laatsten om hem tegen te spreken.