Een kentering, een epifanie, een goddelijk inzicht - hoe omschrijf je de geniale vonk die in 1992 oplichtte in het brein van Robert Diggs? Misschien herken je het licht pas als de duisternis lonkt, want het zag er even niet goed uit voor de jonge rapper.
...

Een kentering, een epifanie, een goddelijk inzicht - hoe omschrijf je de geniale vonk die in 1992 oplichtte in het brein van Robert Diggs? Misschien herken je het licht pas als de duisternis lonkt, want het zag er even niet goed uit voor de jonge rapper. Diggs - aka Prince Rakeem, aka RZA - is net vrijgesproken van poging tot moord. Terwijl hij in Steubenville, Ohio crack dealde, raakte hij betrokken bij een conflict met een concurrerende bende over een meisje met wie zijn kompaan Ghostface Killah uitging. Er werden schoten gelost, iemand werd geraakt en hoewel Diggs beweert dat hij uit wettige zelfverdediging handelde, eist de openbare aanklager acht jaar. De jury volgt de aanklager niet en Diggs keert als een vrij man terug naar zijn thuisfront Staten Island. Zijn moeder noemt het 'een tweede kans' en hij besluit lange, meditatieve wandelingen te maken - om zijn oude buurt opnieuw te leren kennen, om het probleem op te lossen waar hij al een tijdje over piekert. RZA wil maar liefst negen rappers op één plaat samenbrengen, geen sinecure als je weet dat sommigen onder hen tot rivaliserende facties behoren en conflicten in de getto's geregeld met vuurwapens worden beslecht. Drie maanden lang dwaalt hij door de straten, tot hij plots de oplossing vindt. Hij maakt van zijn flat een neutrale zone - wapens en vendetta's blijven aan de deur, binnen heerst enkel de hiphop - en hij bedingt een uniek contract bij een kleine platenmaatschappij. Negen rappers zullen de Wu-Tang Clan vormen en gelijk delen in de royalty's, maar elke artiest krijgt de vrijheid om bij een ander label voor een solocarrière te tekenen. Dat is ongezien in de muziekbusiness. GZA, Ol' Dirty Bastard, Method Man, Raekwon, Ghostface Killah, Inspectah Deck, U-God en Masta Killa zullen allemaal onafhankelijk doorbreken, maar op dat moment zweren ze trouw aan RZA. Bovendien hebben alle betrokken platenmaatschappijen er baat bij dat Wu-Tang Clan een succesproject wordt. Dát is de geniale zet van RZA: concurrenten verenigen voor een gemeenschappelijk doel, eenheid in verscheidenheid scheppen. Het resultaat, Enter the Wu-Tang (36 Chambers), verschijnt op 9 november 1993, midden in een tijd die de hoogrenaissance van de hiphop gedoopt zal worden. De plaat komt uit op dezelfde dag als Midnight Marauders van A Tribe Called Quest en twee weken voor Snoop Doggs Doggystyle. Het debuutalbum van Wu-Tang Clan zal uitgroeien tot een genreveranderende klassieker, een ruw album vol gruizige beats en grimmige raps dat fel afsteekt tegen de gelikte bassen en de heupwiegende r&b-koortjes waar Snoops producer Dr. Dre bij zweert. Terwijl Snoop rapt over zijn verlangen naar kilo's weed en ongebreidelde fellatio, kotsen de Wu-Tangers hun demonen uit hun lijf: geweld, drugs en doodsangst, gebald in verbale mokerslagen en venijnige rapbattles. Een kwarteeuw baanbrekende hiphop, dat verdient een laudatio. De Britse schrijver Will Ashon kwijt zich met Chamber Music nauwgezet van die taak. Zijn boek is een buitenbeentje in de muziekjournalistiek. Wie een klassieke albumbiografie verwacht - u weet wel, interviews met bandleden en producers, aangevuld met smeuïge backstageverhalen - is eraan voor de moeite. Ashon heeft van Chamber Music een eclectische essaybundel gemaakt waarin hij dieper ingaat op de sociologische omstandigheden waarin Enter the Wu-Tang tot stand kwam. In 36 essays - kamers - onderzoekt hij de maatschappelijke achtergrond en impact van de Wu-Tang Clan. Hoe was het om op te groeien in getto's? Hoe diep zit het racisme geworteld in de Amerikaanse maatschappij, meer bepaald het juridische apparaat? Hoe past hiphop in de traditie van de Afro-Amerikaanse muziek? Waarom wordt het bezit van crack zwaarder bestraft dan het dealen van coke? Ashon analyseert het allemaal, soms tot in verbijsterende details. Zo wijdt hij een volledige 'kamer' aan de ademhaling van de negen rappers, enkel om het vage begrip 'flow' te duiden. Of hij verbindt de kunst van het samplen met postmoderne stromingen in de literatuur. *** We ontmoeten Ashon op een vroege namiddag tijdens het Amsterdam Dance Event, het grootschalige elektronicafestival waarover weleens smalend wordt beweerd dat er meer dj's dan dansers aanwezig zijn. Hij heeft net een panelgesprek over zijn boek achter de rug: 'Het was nog vroeg voor de gemiddelde ADE'er. Veel bleke gezichten, veel loopneuzen.' Ashon mag dan wel een blanke Brit zijn die eruitziet als een grijzende bankdirecteur, hiphop zit hem in het bloed. Naast zijn schrijverscarrière runde hij jarenlang Big Dada, een sublabel van Ninja Tune, waar onder meer Roots Manuva, Diplo, Hype Williams en Kate Tempest hun eerste albums op uitbrachten. Hoe maak je de sprong van papier naar vinyl? Lef en een beetje geluk, zo blijkt. Will Ashon: Begin jaren negentig schreef ik voor Muzik, een magazine dat zich toespitste op dance en techno en rapporteerde over de opkomende Britse hiphopscene. De lezers begonnen na een tijdje gefrustreerde brieven te sturen: "Allemaal goed en wel, maar we kunnen die fantastische muziek nergens krijgen. Wat voor zin heeft het dan dat je erover schrijft?" Dat bracht me op het vermetele idee om zelf een labeltje op te starten. Omdat ik de nodige expertise daarvoor miste, ben ik naar Peter Quicke gestapt, de medeoprichter van Ninja Tune, en heb hem om steun gevraagd. Ik kende twee meevallers: mijn vriend Luke Vibert sprong mee op de kar én ik kende Rodney Smith, alias Roots Manuva, zeer goed. Met die twee azen kon ik Quicke wel tot een spelletje blufpoker verleiden. Ik heb geluk gehad dat het debuut van Roots, Brand New Second Hand, het niet onaardig deed, anders zou Big Dada na een half jaar failliet geweest zijn. Je runde Big Dada zeventien jaar lang. Waarom ben je gestopt? Will Ashon: Het werd saai. Als je voor de dertigste keer een groepje ontdekt en groot probeert te maken, sluipt er routine in en dat is niet fair tegenover de muzikanten. Daarnaast werd de emotionele druk te groot. Die jonge gasten pompen al hun spaargeld in dat ene debuut, er rotsvast van overtuigd dat hen dat van de straat, van de armoede, van het geweld zal redden, maar het mislukt vaker wel dan niet. Geen probleem voor mij, dat hoort erbij, maar zij kunnen dan hun huishuur niet meer ophoesten, soms met schrijnende gevolgen. Het verdienmodel is ook helemaal veranderd. Vroeger had je drie maanden om een album te pushen, nu heb je Spotify. Daar heb je niet die sterke verkooppiek bij de release van een album, maar als een van je nummers in zo'n populair lijstje terechtkomt, kun je jarenlang royalty's bij elkaar harken. Alleen is het concept 'album' volledig verdwenen - niemand luistert nog naar een volledige plaat, zelfs al is die zo geconcipieerd. Dat vind ik jammer. En ik miste ook het schrijven. Vanwaar überhaupt die interesse in hiphop? Ashon: Mijn ouders waren jazzliefhebbers en aanvankelijk volgde ik gedwee hun smaak. Op een avond stond ik met hen in een rokerige kelder naar een avant-gardejazzcombo te luisteren en merkte ik dat ik omringd was door oude mensen - nou ja, mensen die zo oud waren als ik nu ben. (lacht) Ik dacht bij mezelf: ik moet mijn eigen muzieksmaak ontwikkelen. Het was geen rebelse puberdaad, eerder een weloverwogen beslissing om andere wegen te verkennen. En de sprong van jazz naar hiphop is niet zo radicaal, want de helft van de hiphopplaten zit volgestouwd met jazzsamples. Wat maakt Enter the Wu-Tang zo'n uniek album dat je er een volledige essaybundel aan wijdt? Ashon: Na zeventien jaar in de muziekbusiness was het plezier er helemaal uitgeperst. Als je van je hobby je beroep maakt, verlies je je hobby. Ik wilde terug naar mijn onbevangen beginjaren als muziekliefhebber en Enter the Wu-Tang sprong er meteen uit. Iedereen heeft wel een lievelingsplaat, eentje die klinkt als een openbaring, die zich meteen in je hart nestelt, een deel van jezelf wordt. Bij het herbeluisteren viel me op hoe weinig gedateerd die plaat klinkt. Dat komt omdat Wu-Tang de bakens heeft verzet en omdat hun sound zoveel navolging heeft gekregen. De vijfentwintigste verjaardag leek me een mooie aanleiding, maar ik dacht niet dat mijn uitgever erin zou trappen. Een schrijver van romans en een non-fictieboek over bossen die zich plots gaat toeleggen op de Amerikaanse rapgeschiedenis, hoe krijg je dat verkocht? Wat bleek? Mijn uitgever was zelf Wu-Tang-fan. Ook hij werd indertijd weggeblazen door hun debuut. Pure mazzel dus. Hoe verklaar je dat gouden tijdperk van de hiphop waarin Wu-Tang Clan debuteerde? Ashon: Technologische vooruitgang. In het begin was samplen letterlijk nattevingerwerk: je moest live twee vinylplaten manipuleren om dat ene stukje muziek in het andere te mixen. Of het was een heel gedoe met tapes en spoelen. Met de opkomst van goedkope samplers werd dat een stuk eenvoudiger. Plots werd die techniek voor iedereen bereikbaar en dat resulteerde een paar jaar later in een opstoot van briljante hiphopplaten. Nu kan iedereen met een laptop een beat in elkaar knutselen en grappig genoeg neigt men weer naar dat gruizige geluid en de lome bassen. In de tijd van RZA kon het gewoon niet anders: hij puurde het maximum uit de technische beperkingen. Hebben de leden van Wu-Tang Clan je boek al gelezen? Ashon: Geen idee. Ik heb RZA vroeger een paar keer geïnterviewd en aanvankelijk wilde ik ze allemaal spreken, maar dat bleek onbegonnen werk. Dat was ook niet de opzet van mijn boek. Ik wilde de omstandigheden rond de plaat uitspitten, de context van het album duiden. Mijn subjectieve mening over Enter the Wu-Tang is te triviaal, ik wil een breder verhaal brengen. Misschien maar goed ook dat de Wu-Tangers niet aan het woord komen, al is het maar om processen te vermijden. Want daar zijn ze goed in. Als ze elkaar niet bestoken met processen over auteursrechten vinden ze wel een ander slachtoffer. Vorig jaar procedeerde RZA nog tegen een New Yorks hondenuitlaatbedrijfje dat het aangedurfd had zichzelf de Woof-Tang Clan te noemen. RZA heeft gelijk dat hij zijn merk beschermt, maar dit grenst aan het onnozele. Hm, nu ik erover nadenk: ken jij hier een goede advocaat? Je weet maar nooit. (lacht)