First Testament was really great
...

In het New York van 2001 zijn alle ogen gericht op The Strokes. Luttele weken voor de aanslagen op de Twin Towers heeft de groep haar debuut en instantklassieker Is This It uitgebracht. Het is ook het jaar waarin Yeah Yeah Yeahs zijn eerste ep releaset en Interpol de laatste hand legt aan Turn on the Bright Lights, de plaat die hen het jaar erna in één keer naar de grote podia zal schieten, ver weg van het hok in Brooklyn waar de groep repeteert. In de kamer ernaast debuteert dat jaar ook The National, maar hun album breekt veel minder potten. Nochtans is de combinatie op papier interessant. Zanger Matt Berninger en bassist Scott Devendorf zijn grote fans van Pavement, Devendorfs broer Bryan wil drummen zoals Stephen Morris van New Order. Het is Bryan die er nog een broederpaar bijhaalt: Aaron en Bryce Dessner, de eerste een songsmid pur sang, de andere een klassiek geschoolde componist die op de eerste plaat officieel nog als gastmuzikant meespeelt. Jammer genoeg is de som van die delen ongevaarlijke indiefolk. Of zoals Pitchfork het beschrijft: het soort muziek waarmee Tom Petty op zijn platen de ruimte tussen de hits vult. Songs over het gewone leven, ingegeven door hun thuisbasis Cincinnati, Ohio. Het Midwesten van de VS dus, de bodem waarin Jonathan Franzen en Toni Morrison hun great American novels lieten kiemen. Overdag zijn de jongens redacteur of grafisch ontwerper, in het weekend proberen ze het te maken, gaan ze naar The Strokes kijken of lopen ze per ongeluk door de eerste persfotoshoot van Interpol. Wie oude livefilmpjes van de groep ziet, snapt waarom Matt Berninger en co. de boot van The Strokes-kapitein Casablancas hebben gemist: alles aan The National anno 2002 is gruwelijk gewoon. Live is het kwintet een amalgaam van ziekenfondsbrillen en oversized blazers, met Berninger in het absoluut niet stralende middelpunt, de microfoon zo hard vastklemmend dat zijn knokkels er wit van zien. Geen hit, geen sound, geen présence en geen frontman die naam waardig: The National dreigt een vogel voor de kat te worden. Niet dat ze het doen voor het succes. Hebben ze nooit gedaan trouwens. Dat Berninger 27 is wanneer hij The National opricht, zeven jaar ouder dan Julian Casablancas van The Strokes of Paul Banks van Interpol, helpt: als je de leeftijd hebt bereikt waarop zoveel rocksterren zijn gestorven, hoef je je niet langer te haasten om er nog een te worden.'De luie leerlingen van de Class of 2001', noemde Berninger zijn groep ooit, maar dat is schromelijk overdreven. Twee jaar na The National ligt er opnieuw een album klaar, Sad Songs for Dirty Lovers (2003), opgenomen boven het kantoor waar Berninger werkt en uitgebracht op Brassland, het label van de Dessners. Vandaag blijven daar enkel wat fanfavorieten van over. De tussenstand na vijf jaar nationalisme? Twee platen die geen deuk in een pakje boter hebben geslagen, vijf bandleden die nog altijd aan hun job zitten vastgeklonken en een platenindustrie die op imploderen staat onder druk van al dan niet legale downloads. Raar genoeg was dat achteraf gezien de ideale situatie voor de band, vertelde Berninger in 2010 in The New York Times: er was geen platenfirma die onrealistische eisen kon stellen en dus groeide de band op zijn eigen tempo. In Knack Focus vatte hij het datzelfde jaar als volgt samen: 'Geen van onze platen is al zo succesvol geweest dat we ze moesten evenaren. Die druk van een tweede album hebben we nooit gekend.' De ep Cherry Tree brengt The National in 2004 voor het eerst naar België. Voor dertig man spelen ze in 't Poorthuys in Peer een volstrekt onmemorabel concert, maar in de Hasseltse tuin van concertpromotor Steven Thomassen schrijft Berninger, die drie dagen op Thomassens zetel slaapt, volgens de legende wel aan Alligator. Op die plaat omarmt de groep haar voorliefde voor (post)punk en kneedt ze voor het eerst iets dat op een eigen geluid lijkt, wat rauwer dan voorheen. Op nummers als Abel en Mr. November, ook vandaag nog vaste waarden op de setlist, gaat Berninger in het rood en meet hij zichzelf al schreeuwend een smoel als frontman aan. Ook op het podium laat Berninger zich eindelijk gaan, niet zonder de hulp van zijn geliefde fles rode wijn. Een reactie op de vele shows in smerige clubs waar niemand naar hem wilde luisteren, verklaarde Bryce Dessner ooit aan muziekplatform AV Club: 'Matt brulde om te worden gehóórd.' De bandleden geven hun jobs op en slapen tijdens tournees nog steeds regelmatig op de vloer. Hun tweede Belgische passage brengt hen naar de Botanique, als voorprogramma van I Am Kloot. 'Meer dan zeventig man stond daar niet', zegt Jan De Mars, promoman van The National in België en dichte vriend van de band. 'Elke andere groep die na drie platen niet is doorgebroken, zou stoppen. The National niet: die mannen kunnen niet anders.' Met een platencontract bij Beggars Banquet op zak, de thuishaven van St. Vincent en Tindersticks, beginnen de vijf aan de opnames van Boxer. De titel verenigt alle strijdende personages in Berningers teksten, maar staat ook symbool voor de opnames, die getekend zijn door de druk die de band zichzelf oplegde en de vermoeidheid van het toeren. Na maanden ploeteren verlaten ze de studio's van producer Pete Katis zonder plaat, waarop ze zich verschansen op Aaron Dessners zolder. Die zit midden in zijn scheiding en krijgt van de andere bandleden te horen dat zijn muzikale schetsen klinken als liftmuziek. Boxer verleidt de indiekids en de laatavondshows, maar de radiostations werken tegen. Tot Hope Hall, videomaker voor presidentskandidaat Barack Obama en vriend van Berninger, hem vraagt of hij Fake Empire in een filmpje mag gebruiken. Op papier een veel te moeilijk vier- tellen-over-drie-pianopatroon, achteraf gezien de eerste keer dat The National in de buurt van een hit komt. In die periode speelt de band ook het voorprogramma van R.E.M., nog zo'n band van trage groeiers. 'Waarom schrijven jullie niet eens een popsong? Waar zijn jullie bang van?' vraagt Michael Stipe aan de heren uit Ohio. Twee jaar later komt de band met High Violet. Luister er eens naar en als u een popsong hoort, mag u hem aanwijzen. Na High Violet (2010), met het radiohitje Bloodbuzz Ohio, en Trouble Will Find Me (2013) is de groep aan herbronning toe. Matt Berninger bewijst met zijn project El Vy dat hij wel degelijk kan lachen. De broers Devendorf beginnen een nieuwe groep met de tourtrombonist van The National, Ben Lanz van Beirut. Bryce Dessner cureert en componeert, onder meer voor het New York City Ballet en Steve Reich. Zijn broer Aaron sticht met Justin Vernon het festival Eaux Claires en produceert een plaat van Lisa Hannigan. Samen zetten de Dessners ook nog een eerbetoon aan The Grateful Dead op poten, waar onder meer Wilco, The War On Drugs, The Flaming Lips en Bruce Hornsby graag aan meewerken. Het laat zich allemaal voelen in Sleep Well Beast (2017). Waar The National de muren van het fake empire daarvoor stukje bij beetje verschoof, gaan de indierockers nu voluit voor open grenzen. Mathrockgitaren, drumcomputers: allemaal krijgen ze een verblijfsvergunning. Und The National schafft das: voor het eerst mag de band een Grammy Award ophalen. De band is opnieuw aan een pauze toe, maar dat is buiten filmmaker en fan Mike Mills gerekend - níét de R.E.M.- bassist, voor de duidelijkheid. Samen met de groep bracht hij dit voorjaar Easy to Find uit, zowel een plaat van ruim een uur als een kortfilm met Alicia Vikander. Op de nieuwe songs dwingen vrouwenstemmen Berningers bariton naar de achtergrond. Die van huisvriendin Sharon Van Etten bijvoorbeeld, maar ook die van Gail Ann Dorsey, bassiste van David Bowie. 'Na een optreden in Frankfurt enkele weken geleden begon ze te vertellen over Bowie', herinnert Jan De Mars zich. 'Dat hij altijd artiest is geweest, dat het hem om de kunst gin. Waarop ze tegen Aaron zei: "Bij jullie is dat ook zo, voelde ik toen je me belde. Daarom heb ik ja gezegd."' Niemand gaf in 1999 een cent om die vijf nerds uit Cincinnati, maar twintig jaar later maken ze minder ruzie dan The Strokes en moeten ze minder nostalgisch uit de hoek komen dan Interpol om hun fans te behagen. Niemand die weet waar The National zal uitkomen, ook De Mars niet. 'Niet dat ze ernaar streven, maar ik denk dat ze die ene grote hit nog in zich hebben, die ultieme popsong.'Laat iemand dat dan wel even weten aan Michael Stipe?