take them on, on your own
...

take them on, on your own Uit op 25/8 (Virgin)it is waar het voor mij begint. Right on this road', zegt Marlon Brando in de openingsscène van The Wild One (1953). De band ontleende niet alleen hun bloedmooie naam aan Brando's rebelse motorbende (ze lieten enkel de 's' uit Rebels achterwege), maar blijkbaar ook hun voorliefde voor the road. Want sinds hun ontstaan in 1998 is de Black Rebel Motorcycle Club bijna onafgebroken de baan op geweest. San Francisco, eind jaren negentig. Zanger-gitarist Peter Hayes en bassist Robert Turner, twee vrienden van de middelbare school, componeren geregeld samen en na een zes uur durende jamsessie vinden de twee een partner in de Britse drummer Nick Jago. Het kersverse Black Rebel Motorcycle Club verdient zijn sporen in het lokale alternatieve circuit en de leden stoppen daarna al hun spaargeld in een demo, die bijna onmiddellijk door platenfirma's in Los Angeles wordt opgepikt. De band verkast naar de city of light en werkt er aan een briljant debuutalbum, dat in 2001 op luid applaus wordt onthaald door pers en collega-muzikanten als de Dandy Warhols en The White Stripes. Noel Gallagher wordt een fan. De combinatie van gitaarnoise, diepe bassen, repetitieve dreunen en verrassend Brits klinkende melodieën, roept langs beide kanten van de Atlantische oceaan vergelijkingen op met (onder meer) The Jesus and Mary Chain, Primal Scream, The Stone Roses, The Velvet Underground en Joy Division. Het publiek groeit zienderogen. Met hun tweede album Take Them On, On Your Own, een plaat die voorbijraast als een Harley op kerosine, wil Black Rebel Motorcycle Club haar cultstatus afschudden en maakt ze zich op voor een (verdiende) plaats in het pantheon van de grote rock-'n-rollrevival. Up-tempo nummers als Stop, Six Barrel Shotgun of Rise or Fall zijn gierende rushes naar de onderbuik, vol vuur, feedback en furie. Het narcoleptische Ha Ha High Babe staat tegenover een popdeun als Were All In love en zelfs de Britpop krijgt een kortstondige verrijzenis in een song als In like the Rose. 'De Black Rebel Motorcycle Club is één en al mysterie. Een raadsel.' Dat lees ik althans tijdens de voorbereiding van dit gesprek. En: 'De groep die de vaagste antwoorden weet te formuleren op de simpelste vragen.' 'Het lijkt alsof Black Rebel Motorcycle Club de Lou Reed Gids voor humeurigheid, mysterie en stilzwijgen volledig uit het hoofd kent.' Toegegeven, Robert Turner (23, bassist, ontplofte krullenbos) heeft wel iets van een jonge Lou Reed als ik hem de hand schud, en de zwartleren jas, motorrijlaarzen en de brede grijns onder een donkere zonnebril doen het ergste vermoeden. Maar Turner ontpopt zich in geen tijd tot een schuchtere maar geanimeerde gesprekspartner, die getuigt van een duidelijke visie op de band. De eerste vraag ligt dan ook voor de hand. Robert Turner: Oh God (lacht). Ik weet wel dat zulke dingen verkopen, maar ze zitten mijlenver van de waarheid. Het is heel simpel: we zijn geobsedeerd door muziek. Tot zover het mysterie (grijnst). Dat cliché is jammer want mensen missen zo een groot deel van wat we zijn en waar we voor staan. Aan de andere kant trekken we ons geen moer aan van dat imago, onze taak bestaat erin zo goed mogelijk muziek te maken. Zolang we een vonk overbrengen op het publiek en zolang het nieuwe album iets betekent voor iemand, ben ik al tevreden. Turner: Tja, de eerste paar weken ben je geflatteerd, want je wordt in één adem vernoemd met de beste bands die er zijn. En het is natuurlijk ook het 'eerste-albumsyndroom': waarmee moesten journalisten vergelijken? Gelukkig voor ons werden we met goede groepen vergeleken. En je moet ook nuanceren: wij zien al die dingen wel passeren, maar een kerel in een dorp ergens in de Midwest zal hooguit een paar artikels lezen voor hij naar een concert komt. Turner: Ach, onze standaarden zijn hoger dan die van wie dan ook. Onze drang naar perfectie... daar moeten we pas bang voor zijn (lacht). Turner: We zijn er alledrie van overtuigd dat voor zoveel mogelijk mensen spelen, de beste manier is om te groeien. De enige manier. Twee jaar lang hebben we avond na avond shows gespeeld, soms onder de moeilijkste omstandigheden. We hebben de Verenigde Staten vijf keer doorkruist. En we sprongen elke keer weer in een zwart gat. Er was geen steun van de pers, er was geen single, geen enkele video. Enkel wij op dat podium. Turner: We leerden ervan: niets is zo belangrijk als live te experimenteren om te weten wat werkt en wat niet. Je moet weten wat het publiek wil om het hen zeker niet te geven (lacht). We konden dus in zekere zin elke avond repeteren. Daarnaast voelden we ons enorm gesteund door een solide fanbasis die stukje bij beetje aangroeide. Telkens als we opnieuw op een locatie speelden, daagden er nieuwe mensen op. Eerst twintig, daarna tweehonderd en uiteindelijk duizend. Dat was een big deal voor ons. Het is altijd onze bedoeling geweest om zoveel mogelijk muziekliefhebbers te bereiken. We zijn geen groep met twee hitjes waar je drie maanden later niets meer van hoort. Turner: Dit album zou compleet anders klinken als we door het toeren niet geworden waren wie we nu zijn. We spelen nu strakker en sterker dan ooit tevoren. Ik heb dit waarschijnlijk nog nooit verteld, maar ik denk dat we met dit album qua muzikantschap ons beste niveau hebben bereikt. Dat klinkt grotesk, ik weet het, maar ik zie eerlijk gezegd weinig concurrentie. Het album benadert onze livesound vrij dicht, zonder dat het een echte liveplaat is geworden. We wilden oorspronkelijk klinken alsof we gewoon ergens in een kamer staan te spelen, maar dat is technisch blijkbaar onmogelijk. Ach, ik wou dat de geluidsingenieurs, technici en freaks die het nieuwe effectenpedaaltje uitvinden, eerst eens zouden achterhalen hoe je 120 decibel mooi op een cd krijgt. Eerder dat dan de nieuwe Linkin Park als een actiefilm te laten klinken. Techheads kijken altijd naar de verkeerde dingen (lacht). Turner: Exactly. Het is eerder het gebrek aan goede producers dan onze wil om alles zelf te doen, dat ons aanzet om het heft in eigen handen te nemen. We willen het groepsgeluid niet zomaar veranderen. Ik krijg nu het basgeluid dat ik wil, Peter krijgt zijn gitaren zoals hij dat wilt en Nick speelt drums zoals hij dat wilt. Oké, het is een klein beetje complexer dan dat misschien, maar niet veel. Kijk, we krijgen vaak een Do It Yourself-etiket opgekleefd, alsof we opzettelijk niemand bij onze muziek willen betrekken. Maar we willen onze passie voor de muziek overdragen op een authentieke manier. We willen niet klinken alsof we door een machine zijn gehaald. Op dit ogenblik is er niemand die ons doet klinken zoals we willen. Dat betekent niet dat we nooit iemand zullen vinden die dat wel kan, maar voorlopig doen we het liever zelf. En de beperkingen en het non-professionalisme die daarmee samenhangen, maken ons tot wie we zijn. Het zet vingerafdrukken op wat we doen. Turner:Yep. Het album kwam al improviserend tot stand. Nick startte een beat, ik speelde een baslijn of Peter een gitaarrif waarover de rest dan meteen begon te jammen. Tot iemand naar de microfoon wandelde en er iets in schreeuwde (lacht). Het jammen is een restant van onze liveshows: het laatste nummer van de avond liep steevast uit op een ellenlange jamsessie. Een aantal songs kwam zo tot stand: Stop, Six Barrel Shotgun, Heart and Soul. Turner: Het was zeker een streefdoel om alles zo organisch mogelijk te laten klinken, maar we zijn nu zo hecht met elkaar vergroeid dat het bijna beangstigend wordt. Alles is zo nauw verweven dat je moeilijk hoort wie precies wat speelt of zingt. Ik zal je een geheim verklappen: meestal spelen we de instrumenten waar we het meest mee vertrouwd zijn, maar de zang wordt voortdurend afgewisseld. Wie een song geschreven heeft, mag hem ook zingen. Zo, alweer een mysterie ontsluierd (lacht). McCartney wel. Turner:Yeah right (lacht). Het maakt alles gewoon makkelijker, je moet geen hele song schrijven. Je gooit samen verf op het doek in plaats van het schilderij laag voor laag te schilderen. Ergens op je eentje in een hoekje een song schrijven kan best fijn zijn, maar dat is niet ons idee van muziek maken. Onze kracht zit in ons samenspel. Turner: Is het minder, ja, maar toch. NME en de meeste Europese magazines blokletteren: 'Onbekende band in Amerika. Groot in Europa.' Ik begrijp dat zulke dingen uit gemakzucht worden geschreven, maar dat klopt niet echt. De fanbasis is aan beide kanten van de oceaan sterk gegroeid. Er zijn natuurlijk geen garanties dat het publiek ook zal terugkomen als we aan een volgende tournee beginnen en er zijn ook geen garanties dat de mensen in Europa ons niet zullen vergeten. Ze denken waarschijnlijk dat je vertrekt en nooit meer terugkomt (lacht). Turner: Wel, de kans is groot dat fans bij onze volgende plaat zullen afhaken. Toen we Take them on opnamen, eigenlijk al voor we eraan begonnen, hadden we het plan opgevat om een conceptalbum te maken. Naast ons repertoire hebben we altijd al akoestische songs gespeeld. Bluesy, country, folky, Dylaneske, root-C-, back porch-songs (lacht). Een paar van die songs komen zo uit de Johnny Cash-catalogus, anderen zijn dan weer pure americana met folk of gospelinvloeden. Ze sluiten wel allemaal mooi bij elkaar aan en er is genoeg materiaal voor een album. Maar het ligt niet in de lijn van wat we gewoonlijk spelen. Turner: Neen, we gebruiken die americana-plaat om onszelf een jaar vrij te kopen. We hebben geen enkele break gehad sinds de vorige plaat en ik weet dat ze er ons geen gunnen (grijnst). Dit is dus de enige manier om er even tussenuit te knijpen. En na die plaat... Turner:Yeah. We hebben ooit een plan uitgestippeld over zeven platen, maar ik ben daarvan teruggekomen. We zien wel. Grootsheid schuilt in niet weten waar te gaan. En je rauwe kant behouden. Door Bram van Moorhem'We willen niet klinken alsof we door een machine zijn gehaald. Daarom doen we zoveel mogelijk zelf.'