James Gray met Joaquin Phoenix, Mark Wahlberg, Robert Duvall
...

James Gray met Joaquin Phoenix, Mark Wahlberg, Robert Duvall Vier sterren voor zijn debuut Little Odessa (1994), drie voor opvolger The Yards (2000) en nu twee voor zijn derde langspeler We Own the Night. Stellen dat het met de carrière van James Gray de goede kant uit gaat, zou overdreven zijn. Maar dat is ook het boegeroep waarop Gray afgelopen mei in Cannes werd getrakteerd, want qua cinematografische wellust en tragische grandeur zijn er maar weinig regisseurs die Gray zelfs in zijn minste dag kunnen bijbenen. Ook dit keer schildert hij weer een paar set pieces op het canvas die zonder blozen naast het beste uit The Godfather of The French Connection kunnen staan. Enig probleem: deze film - een fatalistisch misdaaddrama over familie, trouw en verraad - heeft Gray eigenlijk al twee keer eerder en vooral een stuk intenser en aangrijpender gemaakt. Het zijn dan ook niet alleen de Bijbelse of antieke thema's die een boetekleed over deze barokke genreprent werpen. Vooral het déjà-vueffect weegt bij vlagen zo zwaar door dat de dialogen als echo's klinken en de elegante cameravoering verwatert tot decoratieve opsmuk. Maar alvast niet in die vrijscène met Joaquin Phoenix en Eva Mendes op de pompende discodreunen van Blondies Heart of Glass, of in die zenuwslopende autoachtervolging door de gutsende regen (die er - CGI kan ook in klassieke films zijn nut bewijzen - pas achteraf met de computer werd aan toegevoegd). Gray heeft trouwens al minder gekunstelde scenario's neergepend. Het uitgangspunt - de rebelse Bobby (Phoenix) komt als nachtclubuitbater in aanvaring met zijn broer Joseph (Wahlberg), net als hun vader (Duvall) een gezagsgetrouwe diender bij de NYPD - levert op zich al genoeg grondstof om een hele cluster van intriges mee te breien, maar Gray gooit daar ook nog eens amoureuze trubbels én de New Yorkse drugoorlogen van de jaren 80 tegenaan. De film speelt zich af voor de grote kuis door burgemeester Giuliani en toont hoe de Russische maffia steeds meer terrein wint in de mean streets van Brooklyn. En dus ook in de nachtclub van Bobby, die aldus voor een lastige keuze komt te staan: heulen met de Russen, of 'overlopen' naar zijn eigen familie. Vooral dat laatste zorgt in deze eightiesserenade voor enkele faux pas die zelfs de wenkbrauwen van Brezjnev omhoog zouden krijgen, maar zoals gezegd heeft Gray nog altijd voldoende metier in huis om een en ander te compenseren. Let maar op de bloedmooie fotografie, de indrukwekkende, Michael Mannachtige geluidsdecors of de gedreven vertolkingen van Phoenix en Duvall. Maar wat deze criminele moraliteit, ondanks zijn manco's, helemaal over de middelmaat doet denderen, is Grays klassieke vertelstijl en de plastische montage die daarmee gepaard gaat. Die sorteren alvast een cathartisch effect wanneer het geweld uitbarst, en verlenen het wankele geheel zelfs een soort tijdloze verhevenheid. Alsof Gray verzet pleegt tegen de pronkerige flipperkastcinema en alle andere postmoderne bullshit die de multiplexen als een pandemie van wansmaak infecteert. Daarvoor alleen al: respect. Dave Mestdach