Even een kort geschiedenislesje, want ik ga ervan uit dat niet iedereen de band kent: Ween is eigenlijk een duo. Gene Ween (Aaron Freeman) en Dean Ween (Mickey Melchiondo) leren elkaar kennen op school in New Hope, Pennsylvania en beginnen prompt een bandje. Ze laten zich leiden door karrevrachten drugs en een zelfverzonnen demongod die ze Boognish noemen. Die Boognish wordt meteen ook de mascotte van de band en échte Weenfans hebben hem als tattoo ergens op hun lichaam vereeuwigd - ik niet, ik ben bang van naalden.

Ween speelt alle genres door elkaar, maar als u een etiket wil, dan zeg ik: punkrock. Niet zozeer vanwege de sound, maar wel vanwege de attitude. Ik kan onmogelijk beweren dat Ween de beste band ter wereld is - anderen vinden Coldplay waarschijnlijk beter - maar ik geloof wél dat de band in een ideale wereld - jaja - meer bekendheid verdient.

Mijn eerste kennismaking met Ween herinner ik me nog heel goed. Ik zat op de kunsthumaniora, de enige uitweg na vier dramatisch verlopen jaren in het katholiek onderwijs. Mooie tijd, we mochten roken op de speelplaats en de leerkrachten hadden - en dat was in die tijd vrij uniek - allemaal een voornaam die we vrij konden gebruiken. Maar ook hier, dat zul je altijd zien, was er een schaduwzijde, meer bepaald het verplichte vak dans. Tegenwoordig pretty cool maar in 1995, want over die tijd gaat het, werd dans nog gewoon verwijfd gevonden, óók door de meeste studenten van de kunsthumaniora.

Elke maandag moest ik twee lesuren lang een maillot aan, in een danslokaal met veel spiegels. En ik was al erg onzeker op die leeftijd. Maar, en nu komen we er, het was tijdens een van die maandagen dat ik door mijn klasgenote Jessa Wildemeersch, op wie ik toen bovendien verliefd was - wat ook weer niet zoveel zegt, want ik was toen, denk ik, op iedereen wel verliefd - voor het eerst in contact kwam met de muziek die de rest van mijn leven zou veranderen. Ik overdrijf dit natuurlijk een beetje - het is ook maar muziek - maar u hebt mij door: ik probeer er een meeslepend verhaal van te maken. Jessa danste een solo begeleid door het nummer Spinal Meningitis van de band Ween. Die kende ik niet. Ik herinner me delen uit de choreografie, maar vooral herinner ik me de opwinding die ik voelde door de muziek. De freaky vervormde stemmen, de machtige, robotachtige drums en vooral die waanzinnige gitaarsolo, die me nog steeds - ik draai het nummer best vaak - elke keer de adem en ballen afsnijdt. Dat dus, kwam uit Chocolate and Cheese (1994), een plaat die een jaar eerder was uitgekomen.

De hoes van Chocolate and Cheese was de eerste keer dat ik 'underboobs' zag. Ik wist niet eens dat die dingen een onderkant hadden.

Otto-Jan Ham

Ik ben toen meteen op zoek gegaan naar de plaat. Omdat wij 's middags vrij door Brussel mochten rondwandelen en ik noch het geld, noch de vrienden, laat staan de specifieke behoefte had om tijdens de middagpauze op café te hangen, spendeerde ik de weken en maanden die erop volgden met bijna elke middag dezelfde wandeling naar de Free Record Shop, waar vermoeid ogende werknemers elke keer een ander album van Ween uit het cellofaan haalden opdat ik er twintig minuten naar kon luisteren. Kopen was geen optie - ik was nog niet de vermogende televisiepresentator die u nu kent. In het muffe pluche van de Free Record Shop heb ik zo kennisgemaakt met het waanzinnige oeuvre van de mysterieuze broers Gene en Dean Ween.

Het begon dus allemaal bij Chocolate and Cheese. Als u bij één plaat moet beginnen, doe dan maar die. De hoes was als een droom: sexy en cool. Het is nog steeds mijn favoriete hoes aller tijden. Het was ook de eerste keer dat ik underboobs zag. Nu zie je die overal, nu word je door underboobs bediend in de Delhaize, maar toen wist je niet eens dat die dingen überhaupt een onderkant hadden. En dan de muziek: die was grappig. En griezelig. En gevaarlijk. En ontroerend. En ook: als niets dat ik ooit had gehoord. Zestien songs die op het eerste gehoor in niets op elkaar leken en toch één perfect geheel vormen. Ik wil niemand bekeren, maar luister met de koptelefoon naar Baby Bitch, een wrange ballad over een kapotte relatie, en zeg me dat dat u niets doet. Dat kan volgens mij niet. Toch niet als u over een normaal functionerend centraal zenuwstelsel beschikt.

Ik moet toegeven dat Ween ook niet meteen de meest laagdrempelige band is. Wat dat betreft wint Coldplay het gemakkelijk. Ik kan me goed voorstellen dat velen gillend weglopen van de weirdness, de sporadische valse noten, het geëxperimenteer, de pipi, de kaka... Maar het mag niet verbazen dat ik dol ben op die dingen.

In 2012 was het voorbij. Gene Ween trok het niet meer. Om van zijn drank- en drugsverslaving af te raken moest hij letterlijk en figuurlijk afstand nemen van de groep. De rest van de band, die de voorbije jaren een hecht vijftal was geworden, bleef verweesd achter. Net als de fans. Dean Ween zocht vanaf dat moment zijn heil in nog minder succesvolle bandjes en verhuurde zichzelf als kapitein op zijn eigen vissersboot. Drie jaar geleden had ik mijn vriendin bijna zover om een weekje samen met de Deaner te gaan varen. Maar toen bedachten we dat dat wat raar was en dat geen van ons beiden eigenlijk van vis of van vissen houdt.

Ik wíst bovendien dat Ween de draad vroeg of laat wel weer zou oppikken. Ik zie zulke dingen, dames en heren. Je kunt wel, net als Gene Ween, een weergaloze soloplaat opnemen waarin je afrekent met je verleden, maar daar zit niemand op te wachten. Van nul beginnen is leuk, maar we moeten allemaal geld verdienen. En zoals Dean Ween het zei, onmiddellijk na de split: 'It's a life sentence.' Nu maar hopen dat het meevalt. In april ga ik naar New York (waar Ween ook een paar concerten zal geven, nvdr.). De tickets zijn geboekt. Tickets voor de show heb ik niet - die waren meteen uitverkocht - maar ik heb besloten om mij daar aan de deur te laten afzetten door een of andere vooruitziende klootzak. In het beste geval.

Ween

12-14/2 in Broomfield, Colorado, 4-6/3 in Okeechobee, Florida en 14-16/4 in New York. Alle info: ween.net

Even een kort geschiedenislesje, want ik ga ervan uit dat niet iedereen de band kent: Ween is eigenlijk een duo. Gene Ween (Aaron Freeman) en Dean Ween (Mickey Melchiondo) leren elkaar kennen op school in New Hope, Pennsylvania en beginnen prompt een bandje. Ze laten zich leiden door karrevrachten drugs en een zelfverzonnen demongod die ze Boognish noemen. Die Boognish wordt meteen ook de mascotte van de band en échte Weenfans hebben hem als tattoo ergens op hun lichaam vereeuwigd - ik niet, ik ben bang van naalden. Ween speelt alle genres door elkaar, maar als u een etiket wil, dan zeg ik: punkrock. Niet zozeer vanwege de sound, maar wel vanwege de attitude. Ik kan onmogelijk beweren dat Ween de beste band ter wereld is - anderen vinden Coldplay waarschijnlijk beter - maar ik geloof wél dat de band in een ideale wereld - jaja - meer bekendheid verdient. Mijn eerste kennismaking met Ween herinner ik me nog heel goed. Ik zat op de kunsthumaniora, de enige uitweg na vier dramatisch verlopen jaren in het katholiek onderwijs. Mooie tijd, we mochten roken op de speelplaats en de leerkrachten hadden - en dat was in die tijd vrij uniek - allemaal een voornaam die we vrij konden gebruiken. Maar ook hier, dat zul je altijd zien, was er een schaduwzijde, meer bepaald het verplichte vak dans. Tegenwoordig pretty cool maar in 1995, want over die tijd gaat het, werd dans nog gewoon verwijfd gevonden, óók door de meeste studenten van de kunsthumaniora. Elke maandag moest ik twee lesuren lang een maillot aan, in een danslokaal met veel spiegels. En ik was al erg onzeker op die leeftijd. Maar, en nu komen we er, het was tijdens een van die maandagen dat ik door mijn klasgenote Jessa Wildemeersch, op wie ik toen bovendien verliefd was - wat ook weer niet zoveel zegt, want ik was toen, denk ik, op iedereen wel verliefd - voor het eerst in contact kwam met de muziek die de rest van mijn leven zou veranderen. Ik overdrijf dit natuurlijk een beetje - het is ook maar muziek - maar u hebt mij door: ik probeer er een meeslepend verhaal van te maken. Jessa danste een solo begeleid door het nummer Spinal Meningitis van de band Ween. Die kende ik niet. Ik herinner me delen uit de choreografie, maar vooral herinner ik me de opwinding die ik voelde door de muziek. De freaky vervormde stemmen, de machtige, robotachtige drums en vooral die waanzinnige gitaarsolo, die me nog steeds - ik draai het nummer best vaak - elke keer de adem en ballen afsnijdt. Dat dus, kwam uit Chocolate and Cheese (1994), een plaat die een jaar eerder was uitgekomen. Ik ben toen meteen op zoek gegaan naar de plaat. Omdat wij 's middags vrij door Brussel mochten rondwandelen en ik noch het geld, noch de vrienden, laat staan de specifieke behoefte had om tijdens de middagpauze op café te hangen, spendeerde ik de weken en maanden die erop volgden met bijna elke middag dezelfde wandeling naar de Free Record Shop, waar vermoeid ogende werknemers elke keer een ander album van Ween uit het cellofaan haalden opdat ik er twintig minuten naar kon luisteren. Kopen was geen optie - ik was nog niet de vermogende televisiepresentator die u nu kent. In het muffe pluche van de Free Record Shop heb ik zo kennisgemaakt met het waanzinnige oeuvre van de mysterieuze broers Gene en Dean Ween. Het begon dus allemaal bij Chocolate and Cheese. Als u bij één plaat moet beginnen, doe dan maar die. De hoes was als een droom: sexy en cool. Het is nog steeds mijn favoriete hoes aller tijden. Het was ook de eerste keer dat ik underboobs zag. Nu zie je die overal, nu word je door underboobs bediend in de Delhaize, maar toen wist je niet eens dat die dingen überhaupt een onderkant hadden. En dan de muziek: die was grappig. En griezelig. En gevaarlijk. En ontroerend. En ook: als niets dat ik ooit had gehoord. Zestien songs die op het eerste gehoor in niets op elkaar leken en toch één perfect geheel vormen. Ik wil niemand bekeren, maar luister met de koptelefoon naar Baby Bitch, een wrange ballad over een kapotte relatie, en zeg me dat dat u niets doet. Dat kan volgens mij niet. Toch niet als u over een normaal functionerend centraal zenuwstelsel beschikt. Ik moet toegeven dat Ween ook niet meteen de meest laagdrempelige band is. Wat dat betreft wint Coldplay het gemakkelijk. Ik kan me goed voorstellen dat velen gillend weglopen van de weirdness, de sporadische valse noten, het geëxperimenteer, de pipi, de kaka... Maar het mag niet verbazen dat ik dol ben op die dingen. In 2012 was het voorbij. Gene Ween trok het niet meer. Om van zijn drank- en drugsverslaving af te raken moest hij letterlijk en figuurlijk afstand nemen van de groep. De rest van de band, die de voorbije jaren een hecht vijftal was geworden, bleef verweesd achter. Net als de fans. Dean Ween zocht vanaf dat moment zijn heil in nog minder succesvolle bandjes en verhuurde zichzelf als kapitein op zijn eigen vissersboot. Drie jaar geleden had ik mijn vriendin bijna zover om een weekje samen met de Deaner te gaan varen. Maar toen bedachten we dat dat wat raar was en dat geen van ons beiden eigenlijk van vis of van vissen houdt. Ik wíst bovendien dat Ween de draad vroeg of laat wel weer zou oppikken. Ik zie zulke dingen, dames en heren. Je kunt wel, net als Gene Ween, een weergaloze soloplaat opnemen waarin je afrekent met je verleden, maar daar zit niemand op te wachten. Van nul beginnen is leuk, maar we moeten allemaal geld verdienen. En zoals Dean Ween het zei, onmiddellijk na de split: 'It's a life sentence.' Nu maar hopen dat het meevalt. In april ga ik naar New York (waar Ween ook een paar concerten zal geven, nvdr.). De tickets zijn geboekt. Tickets voor de show heb ik niet - die waren meteen uitverkocht - maar ik heb besloten om mij daar aan de deur te laten afzetten door een of andere vooruitziende klootzak. In het beste geval.