Er waren eens een beeldend kunstenaar en een filmregisseur: Salvador Dali en Luis Buñuel. De wonderboys deelden een liefde voor het surrealisme, voor horror én voor de muziek van Richard Wagner. Et voilà. In 1929 presenteerden ze Un Chien Andalou in de Parijse Studio des Ursulines. Tijdens de eerste vertoning van die cultfilm - herinner u de dissectie van een vrouwenoog - lieten Buñuel en Dali naast wat tango ook flarden van Der Liebestod - de finale van Wagners wereldberoemde opera Tristan und Isolde - spelen. Mede die muziek tilde de film op van surrealistische spielerei tot een invloedrijke 'horrorfilm avant la lettre' én promoveerde het zeventien minuten durende knip- en plakwerkje tot een mijlpaal in de fil...

Er waren eens een beeldend kunstenaar en een filmregisseur: Salvador Dali en Luis Buñuel. De wonderboys deelden een liefde voor het surrealisme, voor horror én voor de muziek van Richard Wagner. Et voilà. In 1929 presenteerden ze Un Chien Andalou in de Parijse Studio des Ursulines. Tijdens de eerste vertoning van die cultfilm - herinner u de dissectie van een vrouwenoog - lieten Buñuel en Dali naast wat tango ook flarden van Der Liebestod - de finale van Wagners wereldberoemde opera Tristan und Isolde - spelen. Mede die muziek tilde de film op van surrealistische spielerei tot een invloedrijke 'horrorfilm avant la lettre' én promoveerde het zeventien minuten durende knip- en plakwerkje tot een mijlpaal in de filmgeschiedenis. Het pact was gesmeed. De twee kunsten werden elkaars muzen. Niet alleen Buñuel en Dali speelden leentjebuur bij de opera. De scripts en de visuele uitgekiende enscenering van opera's vormden een rijke inspiratiebron voor de eerste filmmakers. Bovendien was de opera een dankbaar voorwerp van satire. Chaplin, Laurel en Hardy en de Marx Brothers (A Night at the Opera) maakten er zich vrolijk over. Wat zorgt voor de chemie tussen beide? De liefde voor muziek! Zowel het vibrerende stemgeluid van de uit de kluiten gewassen operazanger als de zoetgevooisde stem van de ranke filmacteur wordt omhuld door een uitgebalanceerd klankenarsenaal. In filmtaal: een soundscape. Romantische violen, dreigende pauken: muziek is het wondermiddel waar opera en film gebruik van maken om de spanningsboog van een verhaal te verklanken, de emoties bij het publiek aan te zwengelen. Het mooiste voorbeeld is de finale close-up in de film, als de tegenhanger van de slotaria op de planken. Allebei halen ze hun kracht uit de zinderende combinatie van beeld en muziek. Hoeft het te verbazen dat zowat alle kleppers uit het operaoeuvre werden verfilmd? Een van de meest geslaagde is Franco Zeffirelli's La Traviata (Verdi) - Zeffirelli heeft trouwens ook een verleden als operaregisseur. Ook Ingmar Bergmans sobere Zauberflöte (Mozart) of Robert Dornhelms verfilming van Puccini's La Bohème zijn voltreffers . In de 21e eeuw zijn de rollen omgekeerd. Vandaag is het de opera die lonkt naar de vakkennis van de filmmakers - en hun publiek? Er zijn livevertoningen van opera-uitvoeringen in populaire filmzalen, maar operahuizen trachten ook de filmtaal daadwerkelijk in het operateske raderwerk te wrikken. Door filmavonden te organiseren waar operaregisseurs hun favoriete films inleiden. Door opera's te creëren waarvan de plot verdacht filmisch aandoet (zoals de krimi-opera Rumor van de Vlaamse Opera, naar Guillermo Arriaga, filmscenarist van onder meer Babel en 21 Grams). Of... door filmregisseurs tot operaregisseurs te bombarderen. Enkele jaren geleden overhaalden Amerikaanse operahuizen cineasten om het bij hen te wagen. Zo regisseerde Garry Marshall (Pretty Woman) Offenbachs La Grande-Duchesse de Gérolstein. Sindsdien is de rest van de wereld gevolgd. Ook België. Terwijl Gust Van den Berghe nog tot december de tijd heeft om zijn versie van Mozarts Toverfluit vorm te geven en ook Jaco Van Dormael nog even mag piekeren over zijn debuut bij de Luikse Opéra Royal de Wallonie (waar hij César Francks Stradella zal ensceneren), is Terry Gilliam intussen een volleerd operaregisseur. Op vraag van de English National Opera ensceneerde hij Hector Berlioz' La Damnation de Faust, een werk dat al enkele decennia het stempel 'onmogelijk op te voeren' draagt. Onmogelijke opdrachten blijken spek naar Gilliams bek. Hij drenkte Berlioz' La Damnation de Faust in een vormtaal die vet knipoogt naar Monty Python. Het resultaat is géén opera. 'Show, beste man, show! Ik doe shows, geen opera!' tierde hij onlangs in Knack. Daarmee verwoordt Gilliams de missie van de hedendaagse operahuizen: via de magie én de tips and tricks van de film de rode loper uitrollen voor het bredere publiek. DOOR ELS VAN STEENBERGHE - ILLUSTRATIE SARAH VANBELLE