Als we de doodgravers van deze eeuw mogen geloven, zijn het gouden tijden voor het kortverhaal. Onze jachtige maatschappij knalt hagel in ons brein, zeggen ze. Een kind van de 21e eeuw kan geen grote stukken tekst meer verwerken en haalt nog zelden het einde van een roman... Helaas, het kortverhaal wint er niets bij in Vlaanderen. Het voorbije decennium brachten Annelies Verbeke en Rachida Lamrabet een bundel uit, net als Peter Terrin en Joost Vandecasteele. Een magere oogst. En de toekomst oogt niet fraaier. De kortverhalenwedstrijd De Brakke Hond werd in 2011 geannuleerd vanwege de povere kwaliteit van de inzendingen. In Nederland draaide De Brandende Pen, de belangrijkste wedstrijd uit ons taalgebied, er in 2010 de dop op. Je krijgt het gevoel dat het kortverhaal hier wordt opgegeven.
...

Als we de doodgravers van deze eeuw mogen geloven, zijn het gouden tijden voor het kortverhaal. Onze jachtige maatschappij knalt hagel in ons brein, zeggen ze. Een kind van de 21e eeuw kan geen grote stukken tekst meer verwerken en haalt nog zelden het einde van een roman... Helaas, het kortverhaal wint er niets bij in Vlaanderen. Het voorbije decennium brachten Annelies Verbeke en Rachida Lamrabet een bundel uit, net als Peter Terrin en Joost Vandecasteele. Een magere oogst. En de toekomst oogt niet fraaier. De kortverhalenwedstrijd De Brakke Hond werd in 2011 geannuleerd vanwege de povere kwaliteit van de inzendingen. In Nederland draaide De Brandende Pen, de belangrijkste wedstrijd uit ons taalgebied, er in 2010 de dop op. Je krijgt het gevoel dat het kortverhaal hier wordt opgegeven. Merkwaardig, want in de Angelsaksische literatuur heeft het genre altijd op gelijke voet gestaan met de roman. Sinds sir Walter Scott in 1827 Chronicles of the Canongate publiceerde, heeft elke auteur met naam beide disciplines gecombineerd - van Anton Tsjechov tot Charles Dickens en van Arthur Miller tot Haruki Murakami. Wie de finesses van het kortverhaal niet beheerst, is maar driekwart van een schrijver. Goed, Vlaanderen mag verzachtende omstandigheden inroepen. Veel heeft te maken met de ontwikkeling van de tijdschriftenmarkt. De opkomst van The Atlantic Monthly (1857), The New Yorker (1925) of Esquire (1932) gaf het genre een stevige boost, én cash. In 1920 kreeg F. Scott Fitzgerald 4000 dollar per verhaal in The Saturday Evening Post. Ook vandaag is de short story market goed gestoffeerd en vinden verhalen er gretig hun weg naar magazines en wedstrijden. Ter vergelijking, toen onze Jan Van Loy in de Belgica-reeks (het vreselijk getitelde) Weltschmerz voor dummies uitbracht, vroeg een recensent zich af wat Van Loy bezielde 'om terug te keren naar een kleinere vorm'. Welke kleinere vorm? Wat is er klein aan de opwinding voor een groots geschreven kortverhaal? Aan een literair vluggertje? De essentie in een handvol pagina's? Geen genre leent zich beter om de absurditeit van het leven te bezingen. Figuren die het in een roman niet zouden redden, zwermen vrij rond in deze buitenpost van de literatuur. Vaak is het een vrijhaven voor misfits en tragische gevallen die met respect voor hun vergankelijkheid door de auteur naar hun ondergang worden geleid. Och, er valt zoveel moois te rapen. Enkel een kortverhaal kan openen met de zin: 'General Sash was a hundred and four years old.' De narcistische generaal uit A Late Encounter With The Enemy moet een van de meest hilarische personages uit de literatuur zijn. Niet toevallig werd hij geboetseerd in het brein van de veel te jong gestorven Flannery O'Connor. Als er een God bestaat, waarom heeft hij de katholieke Koningin van het Kortverhaal dan uitgegomd met de auto-immuunziekte lupus? Met die wrange tragiek van het aardse bestaan - de bulderlach uit de wolken naar het nietige mensje dat kronkelt in het stof - ging zij zelf graag aan de slag. Grimmige humor is vintage southern gothic, de stijl waartoe ook het werk van Tennessee Williams en Cormac McCarthy behoort. De invloed van oppergoth O'Connor mag niet worden onderschat. Acteur/regisseur Tommy Lee Jones schreef zijn Harvardthesis over haar. Dylan, Bono en Cave verklaarden zich hummeltjes in haar aanschijns. Raymond Carver maakte van gluren een kunst. Zijn flinterdunne bundel What We Talk about When We Talk about Love is een klassieker. Niemand was zo beslagen in het bespieden van mensen die, worstelend met hun middelmatigheid, ten prooi vallen aan hun instincten. Grandioos in zijn eenvoud is het drie pagina's tellende Popular Mechanics, waarin hij luistert naar de ruzie van een jong koppel. Zij wil dat hij het huis verlaat. Hij wil de baby meenemen. Zij grijpt de pols van het kind. Hij het lichaam. Ze trekken. Waarop Carver afsluit met een droog 'In this manner, the issue was decided'. En nu wordt hij vertaald. Betekent dit een (re)naissance van het genre? Twijfelachtig. Beter nog is een schop onder de kont van onze eigen auteurs. Waar blijft de bundel van Stefan Brijs? En die van Erwin Mortier, Tom Lanoye of Dimitri Verhulst? En waar blijft de overheid met de poen? Met een half miljoen euro zou ze de zieltogende sector van de literaire tijdschriften uit het moeras kunnen trekken. En nog eens twintigduizend extra maken vertalingen van O'Connor en Tsjechov mogelijk. Zo hebben de kinderen van de 21e eeuw ook iets om te lezen in bed. In bad. Op de trein. Genoeg nu. Aandacht ebt weg. Moet. E-mail. Checken.