Van je vrienden moet je het hebben. Als juryvoorzitter van de 67e Mostra bestond Pulp Fiction-maestro Quentin Tarantino er immers in om zowat alle prijzen uit te reiken aan zijn buddy's. Zo ging de Gouden Leeuw tot ieders verbazing naar Sofia Coppola's lauwtjes onthaalde Somewhere, een lightvariant op Lost in Translation. De carrièreprijs was voor Monte Hellman, de New Hollywood-veteraan die indertijd Tarantino's debuut Reservoir Dogs produceerde en op het Lido niet veel indruk maakte met zijn lynchiaanse come-backthriller Road to Nowhere. Voeg daar nog twee prijzen aan toe voor de Spaanse cultregisseur en Tarantinofavoriet Alex de la Iglesia (voor zijn horrorfilm La Balade Triste de Trompeta) en het moge duidelijk zijn dat men ten huize Tarantino niet om een streepje nepotisme verlegen zit. Nochtans had de jury de kwaliteitsfilms tijdens deze uitstekende 67e editie voor het uitkiezen. Zo imponeerde Darren Aronofsky twee jaar na The Wrestler met de claustrofobische balletthriller Black Swan, een soort Polanski in een tutu. Andere toppers waren Meek's Cutoff, Vénus Noire en Potiche, plus de Belgische kortfilm Stardust van Nicolas Provost die te zien was in de nevensectie Orrizonti. Verder wist ook de Pool Jerzy Skolimowski de pols de hoogte in te jagen met de verrassend viriele man-op-de-vluchtthriller Essential Killing waarvoor Vincent 'Brown Bunny' Gallo werd bekroond tot beste acteur. Die laatste had met Promises written in Water trouwens zelf een film in competitie lopen, al is de omschrijving 'film' wel heel erg hoog gegrepen voor de holle egotrip waarin (me)Gallo slechts één keertje zelf uit beeld verdwijnt. En dat om in te zoomen op de schaamlippen van - wat hebben ze het kind toch wijs gemaakt? - het V...

Van je vrienden moet je het hebben. Als juryvoorzitter van de 67e Mostra bestond Pulp Fiction-maestro Quentin Tarantino er immers in om zowat alle prijzen uit te reiken aan zijn buddy's. Zo ging de Gouden Leeuw tot ieders verbazing naar Sofia Coppola's lauwtjes onthaalde Somewhere, een lightvariant op Lost in Translation. De carrièreprijs was voor Monte Hellman, de New Hollywood-veteraan die indertijd Tarantino's debuut Reservoir Dogs produceerde en op het Lido niet veel indruk maakte met zijn lynchiaanse come-backthriller Road to Nowhere. Voeg daar nog twee prijzen aan toe voor de Spaanse cultregisseur en Tarantinofavoriet Alex de la Iglesia (voor zijn horrorfilm La Balade Triste de Trompeta) en het moge duidelijk zijn dat men ten huize Tarantino niet om een streepje nepotisme verlegen zit. Nochtans had de jury de kwaliteitsfilms tijdens deze uitstekende 67e editie voor het uitkiezen. Zo imponeerde Darren Aronofsky twee jaar na The Wrestler met de claustrofobische balletthriller Black Swan, een soort Polanski in een tutu. Andere toppers waren Meek's Cutoff, Vénus Noire en Potiche, plus de Belgische kortfilm Stardust van Nicolas Provost die te zien was in de nevensectie Orrizonti. Verder wist ook de Pool Jerzy Skolimowski de pols de hoogte in te jagen met de verrassend viriele man-op-de-vluchtthriller Essential Killing waarvoor Vincent 'Brown Bunny' Gallo werd bekroond tot beste acteur. Die laatste had met Promises written in Water trouwens zelf een film in competitie lopen, al is de omschrijving 'film' wel heel erg hoog gegrepen voor de holle egotrip waarin (me)Gallo slechts één keertje zelf uit beeld verdwijnt. En dat om in te zoomen op de schaamlippen van - wat hebben ze het kind toch wijs gemaakt? - het Vlaamse model Delfine Bafort die eerder écht acteerde in Felix Van Groeningens debuut Steve + Sky. Aan controverse, glamour en cinefiele folietjes allerminst een gebrek dus, zoals het een roemrijk A-filmfestival als dat van Venetië betaamt. Een Talibanstrijder wordt door Amerikaanse G.I. 's gevangengenomen en klaargestoomd om naar Guantanamo te worden verscheept. Tijdens een tussenstop in Polen weet de taaie Afghaan echter te ontsnappen waarop een spectaculaire survivaltocht begint langs ijzige bossen en meren. Dat is de premisse van deze allegorische actie-thriller à la First Blood, maar dan met een islamitische Christusfiguur in plaats van John Rambo, druipende moederborsten in plaats van eigenhandig aaneengenaaide armen en enkel beelden in plaats van dialogen. Viriel in beeld gebracht door veteraan Jerzy Skolimowski, met de immer enigmatische Vincent Gallo in de bekroonde rol van de opgejaagde jihadi. Nicolas Provost draaide zich binnen het internationale kunstcircuit eerder al een kloeke reputatie bijeen met kortfilms als Plot Point (2007) en Long Live the New Flesh (2009), en bevestigt nog maar eens zijn talent met Stardust, het tweede deel van een trilogie over de grenzen tussen feit en fictie. Provost trok naar het decadente kitschparadijs van Las Vegas waar hij allerlei casinogangers en filmsterren als Dennis Hopper en Jon Voight buiten hun medeweten filmde. Vervolgens plakte hij er dialoogfragmenten en dreigende muziek uit allerlei Hollywoodthrillers onder en maakte aldus een soort mini David Lynchtrip. Een cinefiele, donkergrappige en originele kijk op Amerika's beeldcultuur en op cinema als hypnotiserende droomfabriek die ons nu al reikhalzend doet uitkijken naar zijn eerste, voor volgend jaar voorziene langspeler The Intruder. Drie jaar na het uitmuntende La Graine et le Mulet mediteert de Franse Tunesiër Abdel Kechiche nog maar eens over heikele thema's als ras, roots en de schandvlekken van het verleden. Dat levert dit keer een pakkend en hypnotiserend kostuumdrama op over de Zuid-Afrikaanse 'Hottentot Venus' Saartije Baartman. Dat was een zwarte vrouw die begin 19e eeuw als circusattractie werd opgevoerd voor sensatiegeile blanken, vervolgens haar leven lang werd misbruikt en vernederd en finaal eindigde als plaasteren afgietsel in het natuurhistorisch museum van Parijs. Een postuum eerbetoon aan een jonge vrouw die door haar huidskleur en fysionomie als een freak werd beschouwd, alsook een nauwelijks mis te verstaan j'accuse aan het adres van Europa's racistische verleden. Twee jaar na haar timide doorbraakfilm Wendy and Lucy slaat de Amerikaanse independentregisseuse Kelly Reichardt opnieuw de handen in elkaar met de ravissante Michelle Williams. In deze vrouwelijke (anti)western vertolkt de ex van wijlen Heath Ledger een Europese immigrante die samen met enkele pioniersgezinnen door de racistische spoorzoeker Stephen Meek (Bruce Greenwood) door de woestijn van Oregon wordt gegidst. Tenminste: tot die laatste hopeloos verdwaald blijkt en het gezelschap noodgedwongen moet vertrouwen op een gevangen- genomen indiaan. Verwacht geen stoet van gunslingers, tumbleweed en panoramische breedbeeldlandschappen; wel een Gus Van Santachtig groepsportret in het benepen tv-formaat over ronddolende en raciaal bevooroordeelde kolonisten. Een minimalistische oestrogeenwestern waarin Reichardt via een historische omweg alludeert op het Bushtijd-perk en de invasies in Irak en Afghanistan. Darren Aronofsky's opvolger op zijn Gouden Leeuw winnende The Wrestler begint als een klassiek drama over een prima ballerina die zich met vallen en opstaan voorbereidt op haar eerste hoofdrol in Tsjaikovski's Zwanenmeer. Terwijl de overbekende muziek op de klankband aanzwelt, muteert deze gitzwarte Fame voor volwassenen tot een psychologische huivertrip, inclusief groteske uithalen en lesbische vrijages. Natalie Portman zet haar elegantste beentje voor als de maagdelijke sterdanseres die verscheurd wordt door twijfels en een extra zetje richting zenuwinzinking krijgt van zowel haar sensuele rivale Mila Kunis, haar veeleisende choreograaf Vincent Cassel als haar obsessieve moeder Barbara Hershey. Een hysterische faux pas volgens sommigen, een claustrofobische pas de deux van sentiment en suspense volgens de meesten, met een expressionistische beeldentaal die herinnert aan Roman Polanski en Brian de Palma. Dat Tran Anh Hung gevoel voor stijl en sluimerend sensualisme heeft, wisten we al van zijn arthouseparels L'Odeur de la Papaye verte (1993) en Cyclo (1995). Die kwaliteiten etaleert de Frans-Vietnamese regisseur ook nu in deze behoorlijk getrouwe adaptatie van Haruki Murakami's bestseller uit 1987. Daarin blikt protagonist en verteller Toru terug op zijn universiteitsjaren aan het einde van de jaren 60 en zijn relaties met de mooie maar labiele Naoko en de extraverte Midori. Tran stopt het semiautobiografische verhaal van Murakami in een fraai retrojasje en weet de sfeer van verstilling en nostalgie perfect te vatten, met dank ook aan de prima soundtrack van Radioheadgitarist Jonny Greenwood. Alleen jammer dat de emotionele doorbloeding bij vlagen ontbreekt en ook hier de boutade geldt dat het boek beter is dan de film. Na de dik tegenvallende boxofficeresultaten van zijn jongste langspelers Le Refuge, Ricky en Angel, schakelt François Ozon nog eens in komische mainstreammodus met deze gestileerde seventiesfarce. Daarin mag grande dame Catherine Deneuve het mantelpakje aantrekken van een trofee-echtgenote die haar overspelige en inhalige man vervangt als directeur van een paraplufabriek wanneer de arbeiders aan het staken slaan. Het resultaat is een luchtige en zwierige retrokomedie met geestige bijrollen voor Gérard Depardieu en Jérémie Renier, een portie politieke satire, subversieve sekscapades en cinefiele knipogen richting Jacques Demy, Douglas Sirk en de vaudevillekomedies van Louis de Funès. Een crowdpleaser waarmee Ozon terugkeert naar het territorium van Sitcom en 8 Femmes. Takashi Miike zal wellicht raar hebben opgekeken toen zijn naam tijdens de slotceremonie geeneens werd genoemd. Tenslotte is de Japanse cultfavoriet zo ongeveer de enige van Tarantino's vrienden die niet met een prijs werd bedacht. Ironisch genoeg was Miike's pseudohistorische samoeraifilm - een remake van Eiichi Kudo's gelijknamige zwartwitprent uit 1963 - een eervoller laureaat geweest dan Sofia Coppola's slappe Some-where. Voor één keer laat snelfilmer Miike zijn groteske ultrageweld namelijk achterwege om consequent te focussen op de esbattementen van 13 samoeraikrijgers die het opnemen tegen een sadistische aspirant-shogun. Een stijlvolle en onderhoudende genreoefening met een actieclimax om 'banzai' tegen te zeggen, oftewel het bewijs dat de maker van Ichi The Killer en The Audition meer kan dan inzoomen op afgehakte hoofden en uitpuilende ingewanden. In 2007 draaide Wang Bing al een ontluisterende documentaire over de Chinese werkkampen uit de jaren 60 toen Grote Roerganger Mao meer dan een half miljoen vermeende dissidenten liet deporteren. Drie jaar later brengt Wang hetzelfde mensonterende verhaal in fictievorm, met als decor de Gobi-woestijn en als tragische antihelden de werkslaven die elkaars kots en desnoods zelfs hun overleden kameraden opvreten om toch maar te overleven. Een aangrijpende, in snoeiharde véritéstijl gegoten terugblik op een stuk Chinese geschiedenis dat door de communistische overheid jarenlang in de doofpot werd gestopt. Stephen Dorff speelt een liederlijke Hollywoodacteur die zijn dagen slijt in het beruchte sterrenschuiloord Chateau Marmont in Beverly Hills, daar doelloos rondtoert met zijn Ferrari en elke avond wel een groupie opscharrelt. Tot hij zijn 11-jarige dochter op bezoek krijgt, die hem stilaan doet inzien hoe stuitend oppervlakkig zijn leven is. 'Het is een film die groeide in ons hart en in ons hoofd', aldus juryvoorzitter Quentin Tarantino die deze elvendertigste meditatie over de tol van de roem verrassend bekroonde met de Gouden Leeuw. Een bescheiden en monotoon niemendalletje waarvoor Coppola Junior zich baseerde op haar eigen jeugdherinneringen als 'dochter van', oftewel een soort Lost in Translation light, met Los Angeles in de plaats van Tokio en de bordkartonnen Stephen Dorff in plaats van droogkomiek Bill Murray. Door Dave Mestdach