Dat Pierre-François Beauchard geen gewoon ventje was, werd al duidelijk vanaf zijn twaalfde. Vanaf die leeftijd wilde hij alleen nog 'David' genoemd worden, om zijn Jodenhatende grootvader te jennen. Maar antisemitisme in de familie was niet de grootste zorg van de opgroeiende David B., toekomstig striptekenaar. In zijn realistische volwassenenstrip Vallende ziekte brengt hij de verschrikkelijke transformatie in beeld die zijn broer Jean-Christophe onder invloed van een voortschrijdende epilepsie onderging. Het verhaal kruipt des te meer onder je vel als je nog nooit van dichtbij met epilepsie geconfronteerd bent.

David B. (47) bouwde rond die kern een heuse familiekroniek en zelfs een tijdsdocument. Hij toont hoe het hele gezin lijdt onder de ziekte van het oudste kind en onder de wanhopige pogingen van de ouders Beauchard om hun zoon te genezen. De eindeloze stoet dokters, macrobioten en andere kwakzalvers die meenden een oplossing te kunnen bieden voor het probleem van Jean-Christophe, toont de radeloosheid van de ouders, maar ook de onbegrijpelijke goedgelovigheid van alternatief Frankrijk in de jaren 70.

De impact van het verhaal wordt nog versterkt door de hoogst originele manier waarop David B. het vertelt. Metaforische passages waarin de ziekte afgebeeld wordt als een Chinese draak, worden afgewisseld met de getekende veldslagen waarmee de broers Beauchard hun verveling verdreven. In plaats van de 'filmsequensen' die de meeste strips hanteren, krijg je symbolische passages voorgeschoteld waarin bijvoorbeeld een reusachtig hoofd van Jean-Christophe via buisjes verbonden is met vreemde apparaten.

Vallende ziekte ging ondertussen de wereld rond en won prestigieuze prijzen, zoals die voor het beste scenario op het festival van Angoulême in 2000. De Nederlandse vertaling liet niettemin tenenkrullend lang op zich wachten, iets wat voor het grootste deel van David B. 's oeuvre nog altijd geldt. Uitzonderingen zijn de Dupuis-albums Het alfabet der ruïnes (2001) en Kapitein Scharlaken (met Guibert, 2000). Ondertussen heeft David B. de uitgeverij L'Association, die hij destijds hielp oprichten en die onder meer groot werd dankzij het succes van Marjane Satrapi's Persepolis, na vijftien jaar de rug toegekeerd en wijdt hij zich vooral aan de reeksen Babel (vertaald bij Oog&Blik) - een soort vervolg op Vallende ziekte - en Les chercheursde trésor, waarvan de vertaling De schatjagers al een hele tijd aangekondigd wordt.

U werkte zeven jaar lang aan 'Vallende ziekte', uw bekendste werk. Is het ook uw belangrijkste?

David B.:Vallende ziekte is de kern van mijn oeuvre, ja. De onderwerpen die ik erin aansnijd zijn essentieel voor al mijn strips. Zelfs voor het boek dat ik nu aan het maken ben. Dat volgt verschillende personages in het Europa van het interbellum en is bedoeld voor de collectie Vrije Vlucht van Dupuis. Strikt genomen heeft het niks te maken met Vallende ziekte, omdat het fictie is. Maar de personages leven ook een beetje in de marge, zoals ons gezin vroeger.

Heeft u de internationale zegetocht van 'Vallende ziekte' van nabij gevolgd?

David B.: Jazeker. Ik ben zelfs naar het stripfestival van San Diego geweest. Het boek heeft in Amerika niet zijn potentiële verkoop gehaald, maar ik merk wel dat ik er op de juiste plaatsen waardering mee heb verworven. Zo werd het opgenomen in een tentoonstelling over 'ziekte in de kunst' in het Museum voor Schone Kunsten in Chicago, tussen beeldhouwwerken, schilderijen enzovoort. En er is veel over geschreven in de literaire bijlages van de kranten, ook in de rest van de wereld. Dus Vallende ziekte heeft ook impact gehad buiten de stripwereld.

Toen ik u de vorige keer sprak, was 'Vallende ziekte' nog niet helemaal af. U zei me toen dat u ruzie had met uw moeder over de inhoud.

David B.: Ze is ondertussen bijgedraaid, want daarnet belde ze nog om te vragen of mijn vader een prent uit die strip mocht gebruiken voor een boek dat hij schrijft. Ze was vooral geschokt door de indruk die heel de genezersprocessie op mij had gemaakt. Ze beweerde dat ik sommige dingen niet kon weten omdat ik er zogenaamd niet bij was. Maar mijn zus en ik waren er wel altijd bij. We hebben toen gezwegen en ons weggecijferd, maar dat wil niet zeggen dat we er niet onder leden. Dat ik in Vallende ziekte plots mijn hart luchtte, heeft ze heel slecht opgenomen. Maar ondertussen zijn we enkele jaren verder en heeft ze Babel gelezen, waarin ik mijn huidige visie op dezelfde feiten weergeef. Daardoor kan ze vrede nemen met wat ik in Vallende ziekte vertelde.

Is het ook niet uw zeer grote openhartigheid waar uw ouders aanstoot aan namen? U legt niet alleen de problemen van uw broer bloot, maar gooit ook uw eigen vruchtbaarheidsproblemen op tafel.

David B.: Daar ben ik vreemd genoeg weinig op aangesproken. Zelf zit ik er niet mee in dat iedereen weet dat ik vruchtbaarheidsproblemen heb. Ik vond dat heel relevant omdat mijn toenmalige vriendin absoluut kinderen wou. Mijn ouders hebben er op zich ook geen probleem mee dat ik mijn ervaringen in hun gezin beschrijf. Over hen vertel ik trouwens lang niet alles. Mijn moeder was het meest geschrokken van mijn negatieve kijk op de episode van de macrobiotische communes in Vallende ziekte 1. Tegen mijn eerlijkheid over andere zaken heeft ze nooit geprotesteerd.

De draak als metafoor voor de epilepsie werd bijna een handelsmerk voor 'Vallende ziekte'. Toch komt die draak in het tweede deel bijna niet meer voor. Waarom?

David B.: Die draak is er gekomen als een grafische oplossing om de ziekte van mijn broer uit te beelden. In het eerste deel ben ikzelf ook nog jong, dus ik heb nog een wat naïeve kijk op de ziekte. Ik stelde me de ziekte als een soort draak voor. Mijn ouders hebben me wel eens verweten dat ik een of ander onderzoek op mijn broer helemaal niet waarheidsgetrouw afbeeld. Mijn antwoord daarop was dat ik niet anders kan. Ik heb het als kind ervaren en ik teken het zoals ik het mij herinner. Ik was als kind zo erg bezig met oorlogen en gewelddadige verhalen dat die draak een logische voorstelling was van de ziekte.

Een belangrijk keerpunt in 'Vallende ziekte' is wanneer u plots beseft dat er in oorlogen mensen sterven.

David B.: Mijn interesse voor oorlog is altijd gebleven. Maar ze is ook volwassener geworden. Als kind waren het de spectaculaire gevechten die me boeiden, later ging ik me - onder andere door de oorlog in Algerije - vooral voor de oorzaken interesseren. Hoe komt het dat volkeren elkaar de oorlog verklaren? Wat brengt mensen ertoe in een oorlog te willen meevechten?

Die evolutie is heel duidelijk in 'Babel'.

David B.:Babel zou je kunnen zien als een volwassen kijk op dezelfde gebeurtenissen die je in Vallende ziekte vindt. Ook de oorlog in Algerije diep ik uit in Babel. Ik herinner me dat er vroeger heel weinig werd gesproken over die oorlog. Soms kwamen er vrienden op bezoek en de vaders van mijn speelkameraadjes bleken dan gediend te hebben in het Franse leger. Ik zag de ouders van mijn vriendjes helemaal niet als soldaten.

'Babel' heeft heel diverse onderwerpen. Vreest u niet dat het reeksconcept te ruim is?

David B.: Zeker. Ik kan me voorstellen dat de lezers nu nog niet helemaal begrijpen hoe het in elkaar zit, maar dat zal na nog enkele afleveringen wel duidelijk worden. Als ze voldoende in één keer kunnen lezen. Ik zou kunnen proberen om coherenter te vertellen, maar ik hou juist van vertellen in kleine hoofdstukken over heel diverse onderwerpen.

U bent een feuilletonschrijver.

David B.: Toch wat de manier van vertellen betreft, ja. Ik zou heel graag een echt feuilleton maken. Ik heb er ook plannen voor, maar voorlopig ziet het er niet naar uit dat die binnenkort gerealiseerd zullen worden, omdat er te veel andere projecten op stapel staan. De strip over het interbellum die ik maak, heeft een sterk feuilletonachtige inslag door de omzwervende personages, ook al is het verhaal misschien minder fantastisch dan in het gemiddelde klassieke feuilleton. Toen ik opgroeide, heb ik veel Jean Ray gelezen - de bekende Nederlandstalige auteur (lacht - Jean Ray is ook bekend alsJohn Flanders, van 'Harry Dickson' en 'Vlaamse Filmpjes', nvdr.). Zijn verhalen boeien me nog steeds. Het geweldige aan zijn werk is dat er zo véél van is. Die man had een ongelooflijke productie. Ik wil als stripmaker ook heel veel dingen vertellen, maar het wordt al snel te veel om alle verhalen waaraan ik begin, ook te blijven voortzetten. Er zijn zo veel projecten waar ik zin in heb.

Een probleem waar wel meer stripauteurs van de nieuwe Franse lichting mee kampen. Ook Sfar, Guibert en Blain hebben onafgewerkte reeksen omdat ze te weinig tijd hebben om al hun series voort te zetten.

David B.: Ik ben nu een aantal openstaande reeksen aan het afronden om beter aan nieuwe dingen te kunnen beginnen of andere projecten vaker te laten verschijnen, zoals Babel. Die serie ligt me na aan het hart. Het is geen dagboek, want ik vind dat mijn leven niet interessant genoeg is om het dagelijks te verslaan. Babel is mijn manier om thema per thema over mijn leven te praten. Of over mijn dromen. Ik put veel inspiratie uit mijn dromen.

De dromen die u beschrijft hebben iets van de surrealistische visioenen van Dalí. Probeert u die dromen te doorgronden?

David B.: Het gaat me vooral om de schok van weerkerende beelden of thema's. Jean-Claude Denis (van 'Die maanden in Amélie', nvdr) zei me ooit dat hij mijn dromen zo speciaal vindt omdat hij zelf nooit gewelddadige dromen heeft. Als ik al mijn gewelddadige dromen achter elkaar zet, zoals in mijn boek Les complots nocturnes, krijg je een soort surrealistisch misdaad- of spionageverhaal. Persoonlijk vind ik de logica van mijn dromen vrij duidelijk, omdat die bepaald wordt door mijn angsten en fantasieën. Maar misschien moet ik er voor de lezers voortaan een legende bij plaatsen (lacht).

Door Gert Meesters