A Most Violent Year is, naar beneden afgerond, twintig keer beter dan The Imitation Game en The Theory of Everything. Toch zijn die al te brave biopics over Alan Turing en Stephen Hawking wel genomineerd voor de Oscar voor beste film en A Most Violent Year niet. Tegen alle voorspellingen in is de gangsterloze gangsterfilm over het door geweld geteisterde New York van 1981 zelfs in geen enkele categorie genomineerd. Dat moet regisseur J. C. Chandor (°1973) hoog zitten, maar hij laat zich niet tot straffe uitspraken verleiden. Misschien troost hij zich met de wetenschap dat de leden van de Academy de bal regelmatig lelijk misslaan. Misschien wil hij zijn toekomstige kansen niet verkwanselen, want als hij op dit elan voortgaat, volgen geheid nog nominaties.
...

A Most Violent Year is, naar beneden afgerond, twintig keer beter dan The Imitation Game en The Theory of Everything. Toch zijn die al te brave biopics over Alan Turing en Stephen Hawking wel genomineerd voor de Oscar voor beste film en A Most Violent Year niet. Tegen alle voorspellingen in is de gangsterloze gangsterfilm over het door geweld geteisterde New York van 1981 zelfs in geen enkele categorie genomineerd. Dat moet regisseur J. C. Chandor (°1973) hoog zitten, maar hij laat zich niet tot straffe uitspraken verleiden. Misschien troost hij zich met de wetenschap dat de leden van de Academy de bal regelmatig lelijk misslaan. Misschien wil hij zijn toekomstige kansen niet verkwanselen, want als hij op dit elan voortgaat, volgen geheid nog nominaties. Nochtans heeft het daar lang niet naar uitgezien. 'Ik heb, wellicht onnodig, vijftien jaar lang gesukkeld', zegt Chandor. 'Soms zat mijn ego gewoon in de weg. Ik liet enkele kansen aan mij voorbijgaan omdat ik de opdracht niet hoog inschatte. Maar ik had ook pech.' Die pech bleek uiteindelijk wel de motor voor een kentering. Een filmproject viel een week voor de opnames in het water toen een IJslandse investeerder door de bankencrisis in zijn land moest afhaken. Alles is voorbij nog voor het begonnen is, dacht Chandor toen. Zijn vrouw ging ervan uit dat hij een kruis over zijn filmcarrière zou maken - de kaap van de veertig kwam al aardig dichtbij, er moest een hypotheek afbetaald, er liep een dochter rond in huize Chandor - maar achter haar rug, op één nacht tijd, schreef hij toch nog een nieuw scenario, over een jonge financieel analist die ontdekt dat het een kwestie van dagen of uren is voor de investeringsbank waar hij werkt in de afgrond stort. Inspiratie voor zijn onheilspellende thriller, die een spuuglelijk facet van Wall Street dramatiseert, hoefde Chandor niet ver te zoeken. Zijn vader was er ooit een van de wolven. Jeremy Irons, Kevin Spacey, Zachary Quinto en Demi Moore waren onder de indruk en zegden hun medewerking toe. Margin Call, Chandors langspeeldebuut, werd een succes - en leverde hem wel een Oscarnominatie op, voor beste scenario. All Is Lost (2013), Chandors volgende film, leek wel de antithese van zijn debuut: dialogen, samenspel en intriges werden overboord gekieperd. De film toonde de overlevingsstrijd van één man (Robert Redford) die in een beschadigde zeilboot hulpeloos op de Indische Oceaan dobbert. Nu, met zijn derde film A Most Violent Year, wordt stilaan duidelijk wat Chandors films bindt: mannen die onder extreme omstandigheden beslissingen nemen, een bevraging van de Amerikaanse droom. J. C. CHANDOR:Yeah, laat het ons hopen. Ik vind het een heel grote eer dat je me daarbij rekent. Ik ben zeer tevreden dat ik de kans krijg dit soort verhaal op deze schaal, op cinemaniveau, te vertellen. Tegelijk stel ik me nederig op, want evident is dat niet. We beleven op dit moment een zorgwekkende kentering die een grote invloed heeft op het soort films dat wordt gemaakt. De meeste drama's worden doorgesluisd naar televisie. Spektakel - en helaas vaak leeghoofdig spektakel - palmt steeds meer de bioscoopzalen in. Als dat maar goed afloopt. CHANDOR: Dat was een zeer gewelddadig jaar voor New York, maar tegelijk een kantelpunt. Dat probeer ik te laten zien. Het tij keerde toen een nieuwe burgemeester en een nieuwe president aan de macht kwamen, maar bovenal omdat de bewoners het zelf kotsbeu waren en de mentaliteit veranderde. De vraag is hoe je op het geweld reageert. Laat je het escaleren? Loop je ervan weg? Zoek je het op? Reageer je met nóg meer geweld? New York reageerde door de straten op een productieve, positieve manier te heroveren. Kunstenaars, muzikanten en burgers namen de controle over de straten weer over. Zonder zich te bewapenen, zonder gepantserde voertuigen te kopen maar door zich doelbewust af te keren van het escalerende geweld en niet te wijken. CHANDOR: Er zijn in elk geval geen concrete referenties. Ik vind het hoogst amusant om te horen aan welke films de mensen denken wanneer ze A Most Violent Year zien. Dat is ondertussen een zeer lange lijst. Is het The Godfather? Serpico of een andere film van Sidney Lumet? Neen. Elke vermeende concrete verwijzing kun je eerder op het conto van de kijker schrijven dan op het mijne. De enige scène waarover je zou kunnen discussiëren, is die waarin Oscar en zijn advocaat de zaal binnenlopen waar de familiehoofden vergaderen: die is redelijk Scorsese-achtig. Nu, ik wil je wel echt het gevoel geven dat je naar een gangsterfilm kijkt. CHANDOR:(lacht) Uiteráárd speel ik met de voeten van de kijker. A Most Violent Year is zo gestructureerd, zo gemonteerd, aangekleed en gespeeld dat je wel aan een gangsterfilm móét denken. We hebben er alles aan gedaan om de toon van de gangsterfilm te vinden en een gevoel van dreiging te creëren. Ik wil de kijker alle rollercoaster thrills bezorgen die hij of zij van een doordeweekse gangsterfilm verlangt. Maar op het einde blijkt het meer over zaken dan over misdaad te gaan. (proest het uit als een twaalfjarige die plezier heeft in zijn eigen poets) Niemand heeft het door, maar eigenlijk gaat A Most Violent Year over een kmo. Een kmo geleid door een getrouwd koppel dat verwoed groei en expansie nastreeft en daardoor eigenlijk alleen maar zijn Amerikaanse plicht vervult: een gezin stichten, je bedrijf uitbreiden. CHANDOR: Mijn hoofdpersonage is van Latijns-Amerikaanse afkomst en past in de lange rij van immigranten die naar hier komen om het te maken. Ook door die keuze speel ik met de verwachtingen van de kijker. Een Amerikaan van Latijns-Amerikaanse afkomst wordt in films bijna altijd voorgesteld als een heetgebakerde geweldenaar à la Scarface of de volgzame seizoenarbeider of huishoudhulp. Om nog even op die referenties naar gansterfilms terug te komen: ik wist dat ik door Oscar Isaac te casten de weg plaveide voor vergelijkingen met Al Pacino, in het bijzonder met zijn vertolkingen in The Godfather en Serpico. Oscar wordt namelijk keer op keer de jonge Pacino genoemd. Dat vond ik een welgekomen neveneffect: het helpt je te geloven dat je naar een gangsterfilm kijkt. CHANDOR: Ja, maar dat komt veeleer doordat de Godfather-films nu eenmaal zeer invloedrijk zijn - velen rekenen ze bij de vijf beste die ooit in Amerika gemaakt zijn. Daardoor moet je er snel aan denken. Net zoals iemand die vaag op Brad Pitt lijkt gemakkelijk met Brad Pitt vergeleken zal worden. Het is niet onlogisch dat Isaacs personage Abel, een stookoliehandelaar in Brooklyn, zich voor een stuk als Michael Corleone kleedt, veel met Corleone vergeleken wordt, maar daar eigenlijk niet om kan lachen. Een gangster is het laatste waarvoor hij wil doorgaan. Hij is een zakenman die het dolgraag wil maken, maar zich niet inlaat met gangsterpraktijken. CHANDOR: Ja, maar waarom? Dubieuze boekhouding. Ik weet niet hoe men daar in België over denkt, maar in Amerika is dat de normale gang van zaken. Ik vermoed dat 75 tot 80 procent van onze kmo's creatief boekhouden. Wie betrapt wordt, betaalt de boete en doet verder. Dat is een overtreding, geen zwaar misdrijf. CHANDOR: Ja en nee. De film gaat niet over al het geweld dat New York begin jaren tachtig overspoelde, maar over een koppel dat in dat gewelddadige jaar leeft. Hoe reageren ze? Hoe leven ze? Schikken ze zich naar de omstandigheden of juist niet? Volgens mij zijn ze in dat opzicht representatief voor veel gewone mensen. Daarin verschillen ze van de personages die bigger than life zijn in films die uitmonden in een gotisch geweldfestijn. Mijn film is niet gewelddadig als je filmgeweld als maatstaf neemt, maar is het wel als je de werkelijkheid als maatstaf neemt. CHANDOR: Dat bedoel ik dus. Je bent niet de enige die die scène eruit licht. Als je in de film gelooft, dan komt ze heel gewelddadig over. Waarom? Omdat het een eerlijke representatie van reëel geweld is. Dat vuurwapen is pure realiteit. En dat is schrikken, want in de meeste films zijn vuurwapens lachwekkende, haast ridicule symbolen. Ik heb de rekwisiteurs gevraagd om de valse wapens te behandelen alsof het echte waren. De kijker moet zien dat het géén object is waarmee je jongleert of dat je van ver naar je partner gooit. Films waarin dat wel gebeurt, hebben ook bestaansrecht, daar niet van, die geven de kijker wat verpozing. Maar in mijn film moet een wapen behandeld worden zoals in de werkelijkheid. In de echte wereld springen zelfs de beroepsmisdadigers voorzichtig om met wapens. DOOR NIELS RUËLLJ. C. Chandor: '1981 WAS 'A MOST VIOLENT YEAR' IN NEW YORK. DE VRAAG IS HOE JE OP GEWELD REAGEERT. LAAT JE HET ESCALEREN? LOOP JE ERVAN WEG? REAGEER JE MET NÓG MEER GEWELD?'