Door Erik Martens
...

Door Erik MartensLe Pen is niet de enige Jean-Marie die de Fransen de jongste weken zorgen heeft gebaard. Op 16 april bestormden boze werknemers van Canal+ een televisiestudio vanwaaruit het populaire programma Nulle Part Ailleurs werd uitgezonden. De opstandelingen confisceerden de zendtijd en timmerden het programma om tot een anti-Jean-Marie Messier-meeting. Messier, in de media gewoonlijk afgekort tot J2M, is de grote baas van Vivendi Universal (VU), na AOL-Time Warner de grootste mediagroep ter wereld. Met dochtermaatschapij Canal+ - in Europa de belangrijkste speler op het domein van betaaltelevisie - had hij al langer een sluimerend meningsverschil over de stijl, de identiteit en de te varen koers. Tegenvallende financiële prestaties dreven het conflict de voorbije maanden op de spits. Messiers enige uitweg was een radicale breuk met de chef van Canal+, Pierre Lescure: hij beschuldigde hem van een ondeugdelijk financieel beheer en gaf hem prompt het bevel zijn bureau te ontruimen. En dat een week nadat Denis Olivennes, de tweede in bevel, uit eigen beweging zijn ontslag had gegeven. Hij kon zich niet langer verzoenen met de beleidsstijl van Messier. De reacties waren niet te overzien, nooit gezien ook binnen een mediabedrijf: vakbonden, medewerkers, stafpersoneel en cineasten schaarden zich unaniem aan de kant van hun gewraakte patron en maakten zich op voor acties. Duizenden werknemers verzamelden voor de zetel van moederholding Vivendi, vlakbij de Arc de Triomphe. Terwijl ze hun slogans scandeerden (' Messier, t'es foutu, Canal+ est dans la rue!'), riep presentator Antoine de Caune vanuit de bezette studio van Nulle Part Ailleurs de 4,2 miljoen abonnees van de betaalzender op om hun abonnement op te zeggen. Het protest had zich in een mum van tijd in brede kringen verspreid. De Franse filmindustrie - die, samen met de hele Europese filmbusiness, al jaren profiteert van het gulle mecenaat van Canal+ - drukte haar verontwaardiging uit in een open brief die een volledige pagina besloeg in Le Monde. Toenmalig premier Lionel Jospin van zijn kant dreigde met 'gepaste maatregelen' indien Vivendi Universal de financiële en redactionele onafhankelijkheid van Canal+ niet respecteerde. Vanuit de VS liet ook David Lynch van zich horen. Lynch, die straks president wordt van de jury in Cannes, en wiens jongste films met Canalgeld werden gemaakt, noemde het ontslag een schande. J2M liet de storm koelbloedig over zich heen waaien. Amper een week later, op 24 april, wachtte hem bovenop de Lescure-crisis immers een uitdaging van een heel andere orde. Op de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering stond hij voor de vervelende klus aan de vijfduizend aanwezigen uit te leggen waarom het financieel zo slecht ging met de holding. VU torst een voor Franse bedrijven historische schuldenberg van 13,6 miljard euro. In twee jaar tijd zakte het aandeel met 70%. Messier hield zich in de geladen tot vijandige sfeer behoorlijk overeind. 'Het is nog steeds onze bedoeling de grootste mediagroep in de wereld te worden. Daarnaast zullen we onze verplichtingen tegenover de Franse film blijven honoreren', liet hij tijdens de vijf uur durende vergadering zelfverzekerd weten. Bij de stemming verwierf de president-directeur-generaal opnieuw het vertrouwen. Tot enkele dagen later bekend raakte dat een technisch defect, mogelijk een hacker, de stemcomputers van de wijs had gebracht. Nu moet de stemming wellicht worden overgedaan. De antipathie voor de figuur van Messier heeft in de Franse culturele wereld ondertussen een hoogtepunt bereikt. Vanwege zijn ambitieuze politiek werd hij van bij het begin van zijn mandaat als hoofd van een van Frankrijks grootste ondernemingen, de Compagnie Générale des Eaux, argwanend gevolgd. Messier mat de oude Franse dame midden de jaren '90 een hups kleedje aan, veranderde haar naam in Vivendi en oriënteerde het bedrijf in de richting van een moderne communicatiemaatschappij. Daarin paste ook de overname van Canal+. Toen hij in 2000 van de Canadese frisdrankengigant Seagram de muziek- en filmgroep Universal overnam, steigerden de Franse protectionistische krachten voor het eerst. Tot ongenoegen van Parijs verliet hij bovendien het thuisland en vestigde hij zich in New York. Een jaar later, eind 2001, kocht hij bovendien USA Networks, waardoor het zwaartepunt nog verder naar de VS verschoof. Vivendi-Universal werd een gigantisch filmconsortium, waaronder verschillende productie- en distributiebedrijven resorteren: de bioscoopketens UGC en UCI (inmiddels alweer verkocht), het betaaltelevisienetwerk Canal+, producent en financier StudioCanal, Les films Alain Sarde, Franse verdeler Bac en Mars films, Babelsberg studio's in Berlijn, Universal Studios, USA Entertainment en verder een lange lijst productie-eenheden, en betaal- en themazenders verbonden met al deze bedrijven. Was daarmee de oude droom van een volledig geïntegreerde Europese 'studio' met wereldwijde vertakking - een droom waar Polygram Filmed Entertainment, vóór ze door Universal werd opgeslokt, haar tanden al op stukbeet - realiteit geworden? In Frankrijk was en is men er niet gerust in. Het is immers de vraag wie wie heeft gekocht. En wie er van de hele operatie beter zal worden. Twee grote groepen staan in de constructie van J2M tegenover mekaar: het Amerikaanse Vivendi-Universal Entertainment (Univeral Studios en USA Entertainment) aan de ene kant van de oceaan, het Europese Vivendi filmfiliaal Canal+ aan de andere kant. Zal de Europese film makkelijker toegang krijgen tot de Amerikaanse markt, of zullen we het omgekeerde zien gebeuren en zal het in de geglobaliseerde context moeilijker worden nog geld en publiek te vinden voor kleinschalige Europese projecten? Is het wel realistisch van geïnternationaliseerde mediabedrijven te verwachten dat ze zich met cultuurpolitieke bekommernissen zouden bezighouden? Is het niet de logica zelve dat multinationals hun Franse films liever in China laten maken? Hoe je het ook draait of keert, de twee pijlers van het VU-imperium horen thuis in een andere marktrealiteit. In de VS functioneert film binnen een economische context; in Europa is er buiten Frankrijk nauwelijks sprake van filmindustrie. Films worden er gesubsidieerd door overheidsinstellingen, dat geldt zelfs voor 'commerciële' films. Voor Europa zijn films culturele goederen, zoals boeken. Het was vanuit deze overweging dat Europa er in 1993 bij de GATT-onderhandelingen een zaak van maakte om op dit domein beperkingen in te lassen in de vrijhandelsakkoorden. Een systeem van quota's en subsidies moest ervoor zorgen dat de eigen Europese audiovisuele cultuur niet onder de voet zou worden gelopen door de toevloed aan Amerikaanse producten. De Europese filmpolitiek is in wezen een defensieve reflex, gebaseerd op de Amerikaanse dominantie van de markt.Cultuur vormt dus een uitzondering op het vrije verkeer van goederen en diensten. In Frankrijk gaat de 'exception culturelle' en de daarbij horende regulering van de sector nog een stuk verder dan in de overige EU-landen. Volgens de pleitbezorgers ervan verklaren die protectionistische maatregelen het feit dat Frankrijk - als enig land in Europa - na de Tweede Wereldoorlog een bloeiende filmindustrie heeft kunnen laten ontwikkelen. Het succes van de Franse film en het krimpende marktaandeel van de Amerikaanse film in Frankrijk - de laatste vijf jaar bedroeg de achteruitgang zo'n 12 à 13 procent - heeft overigens een paradoxaal neveneffect. Van elk verkocht bioscoopticket in Frankrijk wordt 11% afgehouden als steun voor de Franse filmindustrie. Hoe succesvoller Amerikaanse producties zijn in Frankrijk, hoe meer geld er in het laatje komt voor de Franse filmindustrie. De krimpende markt voor de Amerikaanse titels schaadt dus de financiering van die sector.Vanuit die achtergrond is de heisa die J2M een paar maanden geleden veroorzaakte bij de overname van USA Networks begrijpelijk. Op een kritische vraag van een journalist antwoordde Messier toen dat, wat hem betreft, de culturele uitzondering dood is. Met die uitlating, die de culturele en de politieke wereld wekenlang heeft beziggehouden, speelde Messier erg ongelukkig in op de bange voorgevoelens van de Franse filmindustrie. Zoals de Israëlische premier Ariel Sharon erin slaagde alle Palestijnen te verenigen, zo zongen in Frankrijk rechts én links in koor de schande van de dreigende Amerikanisering van de Franse cultuur. Nadien zwakte Messier zijn reactie af door te stellen dat de toon onnodig sterk was geweest. Het begrip 'uitzondering', zo legde hij uit, is ongepast, het is beter dat we spreken van 'culturele diversiteit'. 'We moeten vandaag tegelijk globaal en nationaal zijn. Het is fout te stellen dat grootschaligheid onvermijdelijk naar standaardisering, naar de kleinste gemene deler leidt.'Te laat, de schade bleek niet meer te herstellen en verklaart voor een deel de heftigheid van het protest rond het ontslag van Lescure. De vlaggen en trompetten zijn uit de kast gehaald. Daniel Roscan du Plantier, voorzitter van het officiële promotieorgaan van de Franse film Unifrance: 'De culturele uitzondering, dat is het Gallische dorp, quartorze juillet, de slag om Verdun, de Champs-Elysées, de Franse vlag. C'est nous.' Amerika is nog steeds een belangrijk element in de zelfbepaling van het Franse culturele establishment. Canal+ is overigens niet alleen uit eigen wil en beweging de mecenas van de Franse filmindustrie. De betaalzender is in Frankrijk verplicht een vijfde van zijn omzet in film te investeren; en meer precies moet 9% van die omzet naar de Franse film gaan. Voor de overige zenders ligt dat percentage veel lager. Het belang van Canal+ voor de Franse film is dus ongemeen groot. Van de tien Franse films ontvangen er acht in een of andere vorm steun van Canal+. Alles samen ging het in 2001 om een totaal bedrag van 153 miljoen euro (een stijging van 5% tegenover 2000). Naast aankoop en vooraankoop van films voor haar netwerk van analoge en digitale betaalplatforms investeert zustermaatschappij StudioCanal ook rechtstreeks of onrechtstreeks in de Franse filmindustrie: via 'filialen' als Alain Sarde, Eskwad, Legend Enterprise, en via productieovereenkomsten met producenten als Lazennec of Nord-Ouest Production. Daarnaast worden jaarlijks zo'n 15-tal coproducties opgezet met onafhankelijke producenten.Ook buiten Frankrijk is Canal+ een speler van belang. Een aanzienlijk segment van de internationale auteurstraditie maakt films met dank aan Canal+: Mike Leigh, Nagisa Oshima, Sally Potter, Tom Tykwer, Chen Kaige, Abel Ferrara, Alejandro Amenabar, David Lynch, Jim Jarmusch, John Waters, Roman Polanski, Nani Moretti, Kathryn Bigelow en nog vele anderen. En zoals dit lijstje suggereert, gaat Canal+ op filmfestivals met belangrijke onderscheidingen lopen.Wat als Canal+ wegvalt, of zich terugtrekt uit zijn engagement voor de Franse filmindustrie? Zakt de Franse cinema dan als een kaartenhuisje in mekaar? De vraag is niet irreëel. Vanaf het prille begin in 1984 heeft Canal+ consequent een imago van kwaliteit gekoesterd, van hoog gegrepen culturele ambitie. Als je Canal+ kijkt, kijk je geen televisie, luidde de slogan. Maar intussen is de wereld veranderd: in 1984 was Canal+ nagenoeg alléén op de markt. Het internet bestond nog niet. Vandaag moet Canal+ concurreren met een hemel vol satellietzenders en andere betaalkanalen. Het moet vechten om zijn abonnementenaantal op peil te houden. De uitzendrechten van belangrijke sportmanifestaties (de tweede poot van Canal+) slokken vandaag handenvol geld op. Naast de piraterij (de valse smart-cards) zou dat trouwens een van de oorzaken zijn van de gigantische putten die de Italiaanse Canalbroer Telepiu maakt. Die verliezen waren volgens Pierre Lescure doorslaggevend in de negatieve financiële resultaten van Canal+. Er moet dus dringend opnieuw winst gemaakt worden bij Canal+. Dat betekent meer abonnees. De cruciale vraag van vandaag is of Canal+ daarin zal slagen zonder het fameuze kwaliteitsimago te compromitteren. Onafhankelijke producenten signaleren in dat verband een nieuwe tendens in het beleid van Canal+: er is in 2001 wel voor vijf procent meer geïnvesteerd in de Franse filmindustrie dan het jaar voordien, zeggen ze, maar er zijn minder films in aanmerking gekomen. Waar de betaalzender in 1999 nog in 80 procent van de Franse films investeerde, was dat vorig jaar nog maar in 65 procent het geval. Big-budget-films, die de kassa laten rinkelen, krijgen tegenwoordig voorrang op medium-budget-films. Die politiek wordt ook in de aankoop van films voor de zender doorslaggevend: er wordt meer belang gehecht aan de bioscoopprestaties van de films.In 2004 wordt het contract van Canal+ met de Franse overheid opnieuw genegotieerd. Niet alleen Messier, maar zelfs de geliefde Pierre Lescure maakte er geen geheim van dat de oude afspraken veel te hoge eisen stelden aan de betaalzender. Aan de gewone zenders en zelfs aan concurrent TPS (Télévision par Sattélite) zijn veel minder zware verplichtingen opgelegd. Als iedereen gelijk wordt gesteld voor de wet, zal Canal+ in 2004 een deel van zijn engagementen tegenover de Franse filmsector kunnen schrappen.Rest nog een laatste wissel op de toekomst. Bedrijvenconglomeraten verzamelen weliswaar een gigantische macht, maar zoals de actualiteit rond het Kirch-fiasco laat zien, zijn het vaak reuzen op lemen poten, die niet ver lopen wanneer de schuldeisers wakker worden. Constructies zoals Vivendi Universal, AOL Time Warner, het failliete Kirch en destijds Polygram Filmed Entertainment zijn, in tegenstelling tot Aken en Keulen, wel degelijk op één spreekwoordelijke dag gebouwd. De volgende dag worden ze omvergeblazen omdat het internationale kapitaal vanuit een andere hoek blaast. Dat een al te ambitieuze constructie in mekaar stort, is misschien nog niet zo verschrikkelijk. Het hoort erbij wanneer je met de blokkendoos speelt. Jammer is het alleen wanneer de blokken zelf schade oplopen. Want dan kun je er alleen nog de kachel blij mee maken.Amerika is nog steeds een belangrijk element in de zelfbepaling van het Franse culturele establishment.