Behalve dat het allebei misdaadfilms zijn (een vlag die vele ladingen dekt) zijn Tony Rome en The Detective elkaars antipode. De eerste prent is een luchtige, easy going speurdersfilm met een wisecracking titelheld in de traditie van Humphrey Bogart en als decor een zonovergoten Miami Beach van luxehotels, jachten en ultrahippe nightclubs. 'Blackmail. Lies. Murder. Just another day in paradise', luidt de hardgekookte slogan van deze whodunit waarin alles draait rond een gestolen diamanten ...

Behalve dat het allebei misdaadfilms zijn (een vlag die vele ladingen dekt) zijn Tony Rome en The Detective elkaars antipode. De eerste prent is een luchtige, easy going speurdersfilm met een wisecracking titelheld in de traditie van Humphrey Bogart en als decor een zonovergoten Miami Beach van luxehotels, jachten en ultrahippe nightclubs. 'Blackmail. Lies. Murder. Just another day in paradise', luidt de hardgekookte slogan van deze whodunit waarin alles draait rond een gestolen diamanten broche. Frank Sinatra, die voor het eerst verschijnt in een oranje rolkraagtrui en met kapiteinspet op, loopt ongeduldig en laconiek door de grillige plot en acteert alsof hij dubbel geparkeerd staat. Hij had inderdaad wel iets beters te doen: de film werd op locatie in Miami gedraaid omdat ' The Voice' twee weken lang elke avond voor een optreden in het Fontainebleauhotel geboekt stond - zijn favoriete hoofdkwartier in Florida komt trouwens ook in de film uitvoerig in beeld. Sinatra filmde Tony Rome in april 1967. In oktober draaide hij alweer in New York de ambitieuze, sombere en oerserieuze film The Detective, waarin hij een rechercheur speelt die een moord onderzoekt in het homomilieu. Een van zijn eerste vaststellingen, terwijl hij koeltjes een lijk inspecteert, valt met de deur in huis: 'Penis cut off, lying on the floor.'The Detective is duidelijk een overgangsfilm: voor en achter de camera staan oudgedienden (Gordon Douglas was zestig en had al bijna 90 films op zijn actief), het genre en de sombere stijl van filmen doen nog aan de jaren 40 denken, inclusief de opzichtige achtergrondprojectie tijdens de autoritten door Manhattan. Maar tegelijk is dit ook een van eerste policiers waarin de routine, de procedures en de frustraties van het beroep 'realistisch' uit de doeken worden gedaan. De verkenning van een gay underworld, hoe karikaturaal ook (de razzia tijdens een orgietje in de containers aan de dokken van New York is een giller van formaat) was anno 1968 al een voorafschaduwing van de nieuwe permissiviteit op het doek. En The Chairman of the Board zet hier een van zijn meest dubbelzinnige vertolkingen neer. Zijn detective Joe Leland is de spreekbuis van de liberal-standpunten van scenarist Abby Mann, en zet zich fel af tegen de homofobie en folterpraktijken op zijn politiedistrict. Om resultaten te boeken schuift hij echter graag zijn principes opzij. Zo zet hij een van moord verdachte homo (een gekwelde Tony Musante) tot een bekentenis aan door zachtjes tegen hem in te praten en zijn hand te strelen. Ondervraging die hem een bevordering oplevert, maar een bittere nasmaak krijgt als blijkt' dat de inmiddels geëxecuteerde dader toch onschuldig was. Op het thuisfront zit Leland bovendien opgescheept met een nymfomane echtgenote (Lee Remick). Zo kwetsbaar, bedot en ongemakkelijk hebben we de anders zo zelfverzekerde Ol'Blue Eyes zelden op het doek gezien. Patrick Duynslaegher