Frank Darabont met Thomas Jane, Marcia Gay Harden, Toby Jones, Francis Sternhagen

Wanneer de regisseur van sentimentele Stephen Kingverfilmingen als The Shawshank Redemption (1994) en The Green Mile (1999) zich aan een van Kings kilste horrorverhalen waagt, ben je niet meteen geneigd om op voorhand onder je stoel te duiken van de schrik. Maar sceptici zijn gewaarschuwd. Voor één keer gooit Frank Darabont zijn gebruikelijke schmalz radicaal overboord, met als resultaat een verrassend duistere en sarcastische B-film die met stijl en branie in de slipstream sluipt van John Carpenterklassiekers als The Thing en The Fog.

Met die laatste prent heeft Darabonts vijfde langspeler - zijn eerste sinds de geflopte melodraak The Majestic (2001) - behalve het weerverschijnsel ook het uitgangspunt gemeen. Een superstorm en een dik mistgordijn sluipen kleinsteeds Amerika binnen, maar algauw wordt duidelijk dat er niet alleen bliksemschichten en plensbuien uit de hemel donderen. Diep in de mist - Darabont rekt de spanning lekker lang en toont aanvankelijk niet meer dan nodig - blijken immers ook vraatzuchtige monsters rond te sluipen die alles naar binnen happen wat beweegt.

Voor family man David Drayton (de houterige, slim gecaste B-lister Thomas Jane) zit er dan ook niets anders op dan samen met zijn zoontje te schuilen in de supermarkt, waar ook zijn nukkige buurman, de schlemielige magazijnier Ollie (Toby Jones) en de godsdienstfanate Mrs. Carmody (Marcia Gay Harden) van de buitenwereld afgesloten zitten. Aan hen de keuze: wachten tot de apocalyptische mist optrekt en hopen dat de gemoederen ondertussen niet nog hoger oplopen. Of het mistgordijn inwandelen op zoek naar veiliger oorden en duimen dat ze niet op reusachtige rupsen of andere insecten botsen.

Wat begint als een stereotiepe, relatief goedkope monsterfilm (18 miljoen dollar is peanuts naar Hollywoodnormen) die met het nodige geduld de persoonlijke drama's van de protagonisten ontgint en pas na een halfuur de eerste, al even goedkoop ogende CGI-monsters op je afstuurt, muteert gaandeweg tot een moraalspel à la Sam Fullers Shock Corridor, waarin Amerika een confronterende spiegel voorgehouden wordt. De grootste bedreiging, zo suggereren Darabont en King, komt niet van buitenaf maar van binnenuit. Zo zie je het conflict in de supermarkt - symbool voor de consumptiemaatschappij - tussen sussende rationalisten en paniek predikende Bible-belters langzaam escaleren tot een bloedige stammentwist. De allegorie voor een door Democraten en Republikeinen, vrijzinnigen en neocons diep verscheurd Amerika ligt voor de hand, terwijl Darabont ook een paar ijzige chills en verrassingen in petto heeft. Zoals het grimmige, radicaal van Kings kortverhaal afwijkende einde dat je geheid met een krop in de keel huiswaarts stuurt. Darabonts beste film tot dusver, en de leepste huivertrip in maanden.

Dave Mestdach