Na dik twintig jaar vechten tegen stortvlagen, ziektes, malafide producenten en andere windmolens mocht Terry Gilliam twee maanden geleden zijn verdoemde Don Quichot-film eindelijk voorstellen in Cannes. Sindsdien is de vraag die iedere filmfan zich stelt: was het dat onbehoorlijk...

Na dik twintig jaar vechten tegen stortvlagen, ziektes, malafide producenten en andere windmolens mocht Terry Gilliam twee maanden geleden zijn verdoemde Don Quichot-film eindelijk voorstellen in Cannes. Sindsdien is de vraag die iedere filmfan zich stelt: was het dat onbehoorlijk lange wachten en alle bijbehorende ellende wel waard? En het antwoord is, zoals wel vaker in dit ondermaanse, 'ja en nee'. Ja, de manier waarop Gilliam de oerroman van Cervantes naar een postmodern hier en nu vertaalt is op zich best kwiek en clever. Ja, de fantasie, levenslust en schelmenhumor gulpen weer eens in dikke geuten van het scherm af. En ja, Adam Driver en Jonathan Pryce maken het epische avontuur de moeite waard als respectievelijk een zelfingenomen, Amerikaanse reclameregisseur die in Spanje ooit een Don Quichot-film draaide met lokale amateurs, en de oude dorpsgek die sindsdien denkt dat hij écht Quichot en de laatste vaandeldrager van ridderlijkheid is. Alleen rammelt en ratelt het, zoals zo vaak bij de onvermoeibare maker van Brazil, Twelve Monkeys en andere fantasiefestijnen, ook nu weer alle hoeken en kanten tegelijk op, en heeft de film, met zijn kleurrijke maar hopeloos clichématige karakterschetsen, iets even gedemodeerds als Cervantes' roestige ridder zelf. Een ouderwets, charmant rommeltje.