'Veel last gehad van de censuur?' De vraag keert in zowat elk interview met een Chinese filmmaker terug. Begrijpelijk, want als er één kloof gaapt tussen de westerse en de Chinese cinema, dan is het wel die van de overheidscensuur. Hoewel ook onze cineasten niet zomaar alles maken wat ze willen - toch niet als ze daarvoor een beroep willen doen op staatssteun - ligt het in China iets moeilijker. Voor een film er het levenslicht ziet, moet hij twee keer langs het zogenaamde Filmbureau passeren, een onderdeel van de Staatsadministratie voor Radio, Film en Televisie. De eerste keer moet het script een goedkeuring krijgen, vervolgens wordt de afgewerkte film voor het licht gehouden.
...

'Veel last gehad van de censuur?' De vraag keert in zowat elk interview met een Chinese filmmaker terug. Begrijpelijk, want als er één kloof gaapt tussen de westerse en de Chinese cinema, dan is het wel die van de overheidscensuur. Hoewel ook onze cineasten niet zomaar alles maken wat ze willen - toch niet als ze daarvoor een beroep willen doen op staatssteun - ligt het in China iets moeilijker. Voor een film er het levenslicht ziet, moet hij twee keer langs het zogenaamde Filmbureau passeren, een onderdeel van de Staatsadministratie voor Radio, Film en Televisie. De eerste keer moet het script een goedkeuring krijgen, vervolgens wordt de afgewerkte film voor het licht gehouden. Cineasten die met hun werk naar een buitenlands filmfestival willen reizen, moeten bovendien nog een derde keer groen licht krijgen. Het Departement voor Propaganda van de Communistische Partij wil er immers op toezien dat de natie en/of de partij niet in een negatief daglicht worden gesteld. Hete hangijzers zoals de Culturele Revolutie of de onderdrukking van de studentenopstand op het Tienanmenplein kan je als Chinese cineast dus maar beter mijden, net als sociale ellende, naakt- of vrijscènes of andere situaties die de publieke moraal zouden kunnen ondermijnen. Wie zich niet aan die regels houdt, wordt systematisch uit de zalen gehouden of bestraft met een filmverbod. Alle bekende regisseurs die China de voorbije dertig jaar heeft voortgebracht, zijn al in aanvaring gekomen met het Filmbureau. Chen Kaiges Gouden Palmwinnaar Farewell My Concubine werd begin jaren 90 twee keer uit de bioscopen gebannen omdat hij expliciet kritiek uitte op het communistische regime en een homoseksueel hoofdpersonage opvoerde. Na zijn kwade The Blue Kite mocht Tian Zhuangzhuang een tijdlang niet meer draaien, ook al omdat hij zijn film zonder toelating had vertoond op het festival van Cannes. Hetzelfde overkwam Wang Xiaoshuai nadat zijn Beijing Bicycle in 2001 de Gouden Leeuw kreeg in Venetië. Lou Ye zit momenteel zelfs een banvloek van vijf jaar uit wegens Summer Palace. Met die film recidiveerde hij niet alleen (eerder kwam hij met Suzhou River in aanvaring met de staat), het ging bovendien om een verhaal met frontale naaktscènes tegen de achtergrond van Tienanmen én de regisseur had hem op eigen houtje naar Cannes gestuurd. Voeg daar het quotum van twintig buitenlandse films per jaar bij die een kans krijgen in de Chinese bioscopen (maar niet voor ze langs de knipgrage vingers van het Filmbureau zijn gepasseerd), en de censuur lijkt China nog steeds stevig in de greep te hebben. De laatste jaren duiken er echter ook tekenen van beterschap op, en die hebben alles te maken met de reden waarom China zich als geheel meer heeft opengesteld voor de buitenwereld: geld. Het verschil merk je het best als je de situatie van de cineasten van de Vijfde Generatie vergelijkt met die van de jongste garde. De eerste films van gevestigde waarden als Chen Kaige en Zhang Yimou werden volledig gefinancierd door staatsstudio's, instituten die de regisseurs werkzekerheid, een vast salaris, een huis en gratis gezondheidszorg boden in ruil voor een beperkte artistieke vrijheid. Dat systeem brokkelde na de slachtpartij op Tienanmen af en vandaag moeten cineasten op zoek naar privésteun om films te maken. Het gevolg is dat je vandaag in wezen vier soorten regisseurs hebt in China. De Vijfde Generatie draait nog steeds, maar is (zoals Chen Kaige en Zhang Yimou) overgestapt naar prestigieuze en commercieel succesvolle spektakelfilms zoals The Promise, Hero en Curse of the Golden Flower. Daarnaast heb je de propagandafilmers, die met staatsgeld rooskleurige verhalen vertellen over de toestand van de natie en al het goede wat de partij voor de mensen doet. Jia Zhangke behoort samen met onder meer Lou Ye, Wang Xiaoshuai, Li Yu, Zhang Ming en Li Yang tot de zogenaamde Zesde Generatie - een term die zij zelf verwerpen. Tot slot heb je een groep jonge filmers die voluit voor de commerciële cinema kiezen en enkel geïnteresseerd zijn in succes aan de kassa, zoals Feng Xiaogang, wiens Big Shot's Funeral eind 2002 ook onze zalen haalde. En blijkbaar ziet nu ook de Chinese overheid het meeste heil in die laatste manier van denken. Op 13 november 2003 werden Jia Zhangke, Wang Xiaoshuai en een paar van hun collega's uitgenodigd door het Filmbureau voor een gesprek. 'De boodschap was duidelijk: werk met ons samen', herinnert filmprofessor-regisseur Cui Zi'en zich. 'Ze vroegen wat er mis was met commerciële films die veel geld zouden opbrengen en door veel mensen gezien zouden worden. En veel getalenteerde filmmakers hebben zich laten verleiden door dat aanbod. Het Filmbureau was bereid om de regels wat af te zwakken om meer talent aan te trekken. Al moet je je daar ook niet te veel bij voorstellen. Het betekent enkel dat je makkelijker een project van de grond krijgt. Eenmaal je film af is, moet je hem nog steeds eerst voorleggen aan de censuur.'Dat The World, de eerste film die Jia Zhangke na 2003 draaide, meteen ook de eerste was die het tot in de Chinese zalen schopte, is dan ook geen toeval, net zo min als het feit dat Wang Xiashuais Beijing Bicycle vier jaar na datum alsnog een vaderlandse release kreeg. En er zijn nog meer goede voortekenen. Met The Door kwam begin dit jaar de allereerste Chinese horrorfilm in de bioscoop, een genre dat in het verleden steevast op een njet botste. Cineasten hoeven ook niet langer een volledig script voor te leggen om een goedkeuring te krijgen. Een samenvatting van 1500 karakters volstaat. In een wereld die steeds kleiner wordt, waar de buitenlandse invloed niet meer te stuiten is en waar miljoenen piraat-dvd's moeiteloos de censuur omzeilen heeft de overheid geen andere keuze dan mee te evolueren. Een ingreep waar nog het luidst om geroepen wordt, is de invoering van een meer geraffineerde filmkeuring. Nu is het zwart of wit: keurt het Filmbureau een titel goed (eventueel mits zware censuur), dan mag hij meteen gezien worden door iedereen. De Chinese regisseurs hopen dat een beter systeem, waarbij films voor bepaalde publiekscategorieën kunnen worden goedgekeurd, hen de kans zal geven om vlotter om te gaan met censuur en uiteindelijk ook tot een grotere creatieve vrijheid zal leiden. Het gaat dus de goede kant uit, maar een log overheidsapparaat laat niet zomaar zijn koers wijzigen.Door Ruben Nollet