Pedro Almodóvar en Tilda Swinton hebben beiden altijd hun fort gemaakt van het in stijl doorbreken van genderrollen en het vereren van vrouwen op de rand. Een filmhuwelijk stond dus in de sterren geschreven. In zijn eerste Engelstalige kortfilm, naar de theate...

Pedro Almodóvar en Tilda Swinton hebben beiden altijd hun fort gemaakt van het in stijl doorbreken van genderrollen en het vereren van vrouwen op de rand. Een filmhuwelijk stond dus in de sterren geschreven. In zijn eerste Engelstalige kortfilm, naar de theatermonoloog van Jean Cocteau, zoomt de Spaanse maestro met fetisjistisch genoegen in op de Schotse actrice. Swinton vertolkt een vrouw die net is gedumpt en haar ex-minnaar over de telefoon al haar emoties opbiecht. Woede, begrip, ontreddering, opluchting: het passeert allemaal de ravissant aangeklede revue, inclusief uitgekiende tableaus en knallende kleuren van huiscameraman José Luis Alcaine en muziek van huiscomponist Alberto Iglesias. Het dertig minuten durende, tijdens de lockdown van vorig jaar geschoten kleinood oogt en klinkt als vintage-Almodóvar, met dit verschil dat er een afstandelijker aura om hangt. Swinton heeft nu eenmaal een androgyner en cerebraler persona dan zijn gebruikelijke muzes. Bovendien legt de Spanjaard de theatrale roots van zijn materiaal bloot door ook de hangar en de set te tonen waar de designflat van Swintons personage is opgetrokken. Koele maar hypergestileerde vrouwentragiek in miniatuurformaat.